日蘭辭典+

74 resultaten voor ‘ruw’
日蘭辭典 (trefwoord)
ara-arashii荒々しい
bn. ruw.
aragane
(粗金) zn. erts o.; ruw metaal;
araiあらい
(粗い・荒い) bn. (1) [粗] ruw; ruig. (2) [木目編物の目] grof. (3) [海が] woest; ruw. (4) [風が] hard; sterk; hevig. (5) [無作法な] grof; onhebbelijk; ongemanierd.
arakasegi荒稼
(荒稼ぎ) zn. (1) [勞働] ruw werk o.; harde arbeid m.; . (2) [追剥] roof m.
aramashiあらまし
zn. hoofdinhoud m.; dat, waar het op neerkomt. ¶ あらましを語る vertellen, waar het op neerkomt; in groote trekken mededeelen. ¶ 大部分 voor het grootste gedeelte. ¶ あらましの algemeen; ruw. ¶ あらましの見積 ruwe schatting; schatting in ronde getallen; globale schatting.
arappoi荒っぽい
bn. ruw.
ararakani荒らかに
bw. ruw; norsch;
areru荒れる
i.w. (1) [荒廢する] vervallen; verlaten zijn; in verval zijn. (2) [暴れる] woest zijn; woeden; razen. (3) [粗雜] ruw worden; ruig worden. ¶ 草が生え茂る verwilderen; vol met onkruid zijn.
seikō生硬
zn. ruwe toestand m.; onrijpheid v. ¶ 生硬なる ruw; onrijp.
zattoざっと
bw. ruw geschat; in ronde getallen; om en bij. ¶ ざっと目を通す vluchtig doorkijken. ¶ ざっと洗ふ even afspoelen. ¶ 事件ざっとそんなもんだ daar komt het ongeveer op neer. ¶ ざっとした vluchtig; oppervlakkig.
kuchigitanai口穢い

bn. ruw; gemeen; onbeschoft. ¶ 口汚く罵る met gemeene woorden uitschelden.

zonzainaぞんざいな

bn. ruw; slordig; onverzorgd; onnauwkeurig. ¶ ぞんざいな譯 slechte vertaling. ¶ ぞんざいな言葉 onbeleefde woorden.

zatsu

(雑) bn. grof; ruw; gemeen. (雜多). ¶ 雜物 allerlei. ¶ 雜に拵へてある slecht afgewerkt zijn; grof gemaakt zijn. ¶ 雜に書く slordig schrijven; krabbelen.

zaratsukuざらつく

i.w. ruw aanvoelen.

zarazara shitaざらざらした
yotsume四目

zn. vier vierkanten o.mv. ¶ 四目垣 ruw gevlochten bamboe heining.

yahi野鄙

zn. ruwheid v.; lompheid v. ¶ 野鄙な vulgair; onbeschaafd; ruw; lomp. ¶ 野鄙な言葉 gemeene taal; ruwe woorden.

SUPPLEMENT (trefwoord)
kasureru掠れる
(擦れる, かすれる) (1. i.ww) het deels wegvallen van lijnen van geschreven of gedrukte tekst, of van een afbeelding, of van iets vergelijkbaars. (1.b. znw) かすれ kasure dat wat weggevallen is (beschadigingen, onscherptes, leemtes, etc.) ¶ かすれは修正した Kasure nado wa shūseishita Weggevallen lijnen en dergelijke zijn geretoucheerd (afbeeldingsonderschrift in boek) (2. i.ww) het hees of schor worden van de stem. ¶ かすれた kasureta koe een hese of schorre stem (twitter) ¶ かすれた渋い子供から好きだったKasureta shibui koe ga kodomo no koro kara suki datta. Sinds mijn kindertijd heb ik een zwak voor een schorre en donkere stem. (twitter) ¶ 鈴木さん、少しがかすれ気味だったなあ。Suzuki-san, sukoshi koe ga kasure-gimi datta naa. Je [Suzuki] klonk wel een beetje schor hoor! (twitter)
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <ruw>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
がさつ gasatsu ruw; grof; cru; onbeschoft; onbehouwen; ongemanierd; boers; ongelikt; lomp; ruig; bot; [m.b.t. woorden] hard
げらげら笑う geragerawarau proesten; bulderen; schateren; brullen van het lachen; ruw; bulderend; luid; uitbundig lachen; schaterlachen; gieren; [lit.t.] proestlachen
ごっつい gottsui (1) ruw; grof; (2) hard; stijf; onbuigzaam; stug; taai
ごつごつした gotsugotsushita ruw; ruig; grof
ざらざら zarazara (1) ruw; ruig; schraal; spreu; [niet alg.] sproos; greinig; korrelig; mortelig; granuleus; korrelachtig; zanderig; mul; [w.g.] krijzelig; rasperig; raspig; zoor; (2) [~と] knisperend [= geluid van over elkaar bewegende zandkorrels;kiezels;bonen]; (3) [~と] stroef; stug
ざらざらした zarazarashita ruw; ruig; grof; roffelig; korrelig; granuleus
ラフ rafu (1) [golf] rough [= ruig gedeelte van golfterrein]; (2) ruwe schets; (3) [scheepv.] loef; (4) fraise; plooikraag; Spaanse kraag; (5) Raff; Ruff; (6) ruw; ruig; grof; [~な服装] informeel; nonchalant; casual
ワイルド wairudo (1) wild; in het wild levend; voorkomend; niet gedomesticeerd; ongetemd; (2) ruw; woest; onstuimig; (3) Wilde; Wild; Wyld
下品 gehin (1) vulgariteit; grofheid; platheid; laagheid; gemeenheid; ruwheid; vunzigheid; wansmakelijkheid; onsmakelijkheid; (2) vulgair; ordinair; grof; plat; laag; gemeen; ruw; vuns; beneden alle peil; wansmakelijk; onsmakelijk
下品な gehinna vulgair; ordinair; onverfijnd; grof; plat; laag; gemeen; ruw; vuns; wansmakelijk; onsmakelijk
乱暴 ranbou (1) baldadigheid; geweld; gewelddadigheid; hardhandigheid; ruw gedrag; bruut geweld; onstuimigheid; woestheid; ordeloosheid; overweldiging; violentie; ongeregeldheden; (2) grofheid; bruutheid; ruwheid; ruigte; ruigheid; woestheid; (3) baldadig; gewelddadig; hardhandig; onstuimig; woest; wild; rebels; onbesuisd; ordeloos; ongeregeld; [lit.t.] torve; (4) grof; bruut; ruw; hard; ruig
乱暴な ranbouna (1) baldadig; gewelddadig; hardhandig; onstuimig; woest; wild; rebels; onbesuisd; ordeloos; ongeregeld; [lit.t.] torve; (2) grof; bruut; ruw; hard; ruig
凸凹の dekobokono oneffen; ongelijk; hobbelig; grillig; bultig; ruw; onregelmatig; ongelijkmatig
凹凸のある outotsunoaru ongelijk; oneffen; geaccidenteerd; hobbelig; ruw
大ざっぱな;大雑把な oozappana ruw; grof; primitief; algemeen; veralgemenend
大ざっぱに;大雑把に oozappani ruw; ruwweg; grof; grofweg; primitief; algemeen; veralgemenend
大まか oomaka (1) algemeen; generalistisch; ruw; grof; globaal; schetsmatig; benaderend; (2) onbekrompen; niet kleingeestig; liberaal; gul; gulhartig; genereus; royaal; vrijgevig; mild; grootmoedig; groothartig; edelmoedig
大まかな oomakana (1) algemeen; generalistisch; ruw; grof; globaal; schetsmatig; benaderend; (2) onbekrompen; niet kleingeestig; liberaal; gul; gulhartig; genereus; royaal; vrijgevig; mild; grootmoedig; groothartig; edelmoedig
大まかに oomakani (1) algemeen; generalistisch; ruwweg; ruw; grof; globaal; grofweg; ruwweg; schetsmatig; benaderend; bij benadering; grosso modo; in grote trekken; niet uitgewerkt; (2) onbekrompen; niet kleingeestig; liberaal; gul; gulhartig; genereus; royaal; vrijgevig; mild; grootmoedig; groothartig; edelmoedig
大凡の ooyosono ruw; grof; schetsmatig; benaderend
大掴み oozukami (1) een gulle greep doen; (2) de algemene tendens; strekking (begrijpen); de grote lijnen; (3) ruw; benaderend; approximatief; globaal; grof; schetsmatig
大雑把;大ざっぱ oozappa (1) ruwheid; grofheid; algemeenheid; (2) ruw; grof; algemeen
嫌らしい yarashii (1) onaangenaam; onplezierig; naar; (2) hatelijk; verfoeilijk; verwerpelijk; (3) vreselijk; verschrikkelijk; (4) wreed; gruwelijk; (5) vies; smerig; (6) gemeen; ordinair; ongepast; (7) gênant; beschamend; (8) ondeugend; ruw
手荒 teara ruw; onzacht; grof; gewelddadig; ruig
手荒な tearana ruw; onzacht; grof; gewelddadig; ruig
手荒に tearani ruw; onzacht; grof; gewelddadig; ruig
boku (1) staand hout; (2) knoestige stam; (3) houtmateriaal; (4) onbehouwen; onbeholpen; stroef; klunzig; (5) [maatwoord voor bomen]; (a) boom; staand hout; (b) houtmateriaal; (c) ruw; onbehouwen
未精製 miseisei ongeraffineerd; grof; ruw; onbewerkt; ongezuiverd
概括的 gaikatsuteki algemeen; globaal; ruw
概括的な gaikatsutekina algemeen; globaal; ruw
概数 gaisuu benadering; ruw; globaal aantal
泥臭い dorokusai (1) gronderig; naar grond; modder; slijk riekend; goor; (2) niet verfijnd; onbeschaafd; ongecultiveerd; ongeraffineerd; ruw; lomp; onelegant
無作法な;不作法な busahouna onbeleefd; ongemanierd; slechtgemanierd; onbetamelijk; niet netjes; onbeschaafd; onhebbelijk; onfatsoenlijk; onbehoorlijk; ongepast; onvoegzaam; onwellevend; onwelvoeglijk; onhoffelijk; onheus; indecent; lomp; ruw; onbehouwen; onbeschoft; stijlloos; geen etiquette; [volkst.] hufterig; dorper
無礼な bureina onbeleefd; onhoffelijk; oneerbiedig; onheus; onbetamelijk; onwellevend; ongemanierd; impertinent; grof; lomp; onbeschoft; brutaal; plomp; ruw
mou (1) energiek; heftig; onstuimig; (2) woest; fel; (a) wild; ruw; ruig; (b) fel; hevig; geweldig; verwoed
nama (1) lef; brutaliteit; vrijpostigheid; onbeschaamdheid; insolentie; schaamteloosheid; impertinentie [verkorting van namaiki 生意気]; (2) tapbier; tappils; bier van het vat; bier uit de tap [verkorting van namabīru 生びーる]; (3) contanten; klinkende munt; contant geld; baar geld; gereed geld; gerede penningen [verkorting van gennama 現生]; (4) rauw; ongekookt; (au) naturel; ongebakken; onbereid; niet gaar; [m.n. van brandhout] groen; [m.n. van uitzending;optreden] live; [m.n. van manuscript] origineel; [m.n. van grondstof] onbewerkt; ruw; ongeraffineerd; [van mening] spontaan; [van informatie] eerstehands; (5) groen; onrijp; onervaren; onbedreven; ongeoefend; primitief; (6) half-; would-be ~ [prefix voor yōgen;ren'yōkei-vormen en meishi]
稚拙 chisetsu primitief; onverfijnd; ruw; onervaren; kinderlijk; naïef; eenvoudig; onbeholpen; ongekunsteld; kunsteloos; stumperig; dilettanterig; amateuristisch
粗い arai (1) grof; niet fijn; ruw; fors; (2) ruw; niet glad; ruig; hobbelig; ongelijk; hard op het gevoel [m.b.t. oppervlak;huid etc.]
粗悪 soaku ruw; ongeraffineerd; grof; onbewerkt; slecht van kwaliteit; minderwaardig; inferieur
粗暴 sobou ruw; ruig; onbehouwen; grof; wild
粗末 somatsu (1) grof; van mindere; inferieure kwaliteit; pover; schamel; sjofel; shabby; eenvoudig; gering; bescheiden; nederig; sober; povertjes; armoedig; armetierig; achenebbisj; ordinair; (2) onachtzaam; onheus; ruw; grof; lomp; slordig; cru; hardhandig; (3) roekeloos; nonchalant; onachtzaam; onzorgvuldig; slordig; verspillend; verkwistend
粗末な somatsuna (1) grof; van mindere; inferieure kwaliteit; pover; schamel; sjofel; shabby; eenvoudig; gering; bescheiden; nederig; sober; povertjes; armoedig; armetierig; achenebbisj; ordinair; (2) onachtzaam; onheus; ruw; grof; lomp; slordig; cru; hardhandig; (3) roekeloos; nonchalant; onachtzaam; onzorgvuldig; slordig; verspillend; verkwistend
粗相 sosou (1) slordigheid; onvoorzichtigheid; onzorgvuldigheid; achteloosheid; onoplettendheid; vergissing; blunder; flater; fout; (2) ongelukje; het zich bevuilen; bedoen; (3) grof; ruw; lomp; (4) slordig; onvoorzichtig; onzorgvuldig; achteloos; onoplettend; lichtvaardig
粗野 soya ruw; rauw; grof; lomp; onbehouwen; onbeschaafd; onopgevoed; ongemanierd; ordinair; plat; platvloers; vulgair
ara (1) graat; (2) kaf; (3) onvolkomenheid; gebrek; tekortkoming; fout; defect; mankement; zwakke plek; (4) ruw; niet uitgewerkt; grof; onaf
荒々しい araarashii (1) wild; woest; ruw; geweldig; onstuimig; heftig; hevig; stormachtig; (2) boers; onverfijnd; lomp; onbehouwen
荒々しく araarashiku (1) wild; woest; ruw; geweldig; heftig; hevig; stormachtig; (2) boers; onverfijnd; lomp; onbehouwen
荒い arai (1) wild; heftig; ruw; woest; sterk; hard [m.b.t. zee;wind;natuurelementen etc.]; (2) grof; vulgair; ongemanierd; onhebbelijk; plat; ordinair [m.b.t. gedrag;taalgebruik etc.]
荒く araku ruw; ruig; wild; grovelijk; hardhandig; onzacht; hard; woest; onstuimig; heftig
荒くれ arakure (1) ruw; wild; baldadig gedrag; wildheid; wilde taferelen; tumult; ordeloosheid; (2) ruw persoon; woesteling; rouwdouw; rouwdouwer; rouwdanus; rabauw; [niet alg.] ruwaan
荒くれた arakureta ruw; grof; wild; ordeloos
荒っぽい arappoi (1) ruw; ruig; wild; woest; gewelddadig; (2) grof; ruw; schetsmatig; onnauwkeurig; slordig; onzorgvuldig
荒っぽく arappoku ruw; ruig; wild; grovelijk; hardhandig; onzacht; hard; heftig; woest; onstuimig; gewelddadig; onbesuisd
荒れた areta (1) ruw; wild; woest; stormachtig; (2) vervallen; verkrot; verwaarloosd; onverzorgd; slecht onderhouden; woest en ledig; desolaat; troosteloos; (3) [〃手] ruw; schraal; verweerd; gebarsten; (open)gesprongen; gekloofd; zoor; spreu; [gew.] sproos
ara (1) ruw; wild; woest; (2) onstuimig; moeilijk te bedwingen; onhandelbaar; (3) drastisch; nietsontziend; meedogenloos; bruut; (4) log; grof; ruig; (5) verwilderd; verwaarloosd; (6) Ara
ya (1) vlakte; veld; (2) private sector; niet-gouvernementeel domein; (3) ruw; onbewerkt; (a) vlakte; veld; (b) particulier; niet-gouvernementeel; (c) natuurstaat; (d) naturel; onbewerkt; ruw; (e) wild; onstuimig; (f) domein; veld; (g) provincie Shimotsuke
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.4 sec. jiten.nl: 18 treffers, warandict: 56 treffers (zoekopdracht: 'ruw'). 
2005-2026