
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (trefwoord)
rufu・流布
uriaruku・賣步く
(売り歩く) t.w. venten; i.w. rondgaan met.
yukiwatari・行渡
zn. verbreiding v.; verspreiding v. ¶ 行渡る zich verbreiden; zich verspreiden; rondgaan; doordringen.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <rondgaan>
一周する isshūsuru rondgaan; rondreizen; omgaan; draaien om; roteren; in een kring gaan; toeren; [舟で] varen rond; om
一回りする hitomawarisuru een rondje lopen; een tochtje; toer maken; z'n ronde doen; rondgaan; eenmaal gaan om; in de rondte gaan; een cyclus doorlopen
周 shū (1) omtrek; omgeving; periferie; (2) [wisk.] omtrek; perimeter; (3) [Chin.gesch.] Zhōu [= dynastie;1050?-256 v.Chr.]; (4) [Chin.gesch.] Zhōu [= dynastie;690-705]; (5) [maatwoord voor rondes;omwentelingen;toeren]; (a) zich uitstrekken; reiken tot; (b) ronde; rondgaan; draaien om; ambi-; circum-; (c) Zhōu
周回する shūkaisuru rondcirkelen; omcirkelen; ronddraaien; rondgaan; in een kring gaan rond; om
周旋する shūsensuru (1) bemiddelen; tussenbeide komen; tussenkomen; intermediëren; bijstaan; ten dienste staan; [i.h.b.] helpen aan; (2) [jur.] goede diensten aanbieden; mediëren; bemiddelend optreden; interveniëren; (3) behartigen; verzorgen; (4) rondgaan; rondreizen; (5) omlopen; roteren
回る mawaru (1) ronddraaien; omkeren; omdraaien; tollen; in het rond draaien; rondtollen; keren; draaien (om); rondwentelen; omwentelen; roteren; om een as draaien; rouleren; wentelen; rondgaan; rondcirkelen; cirkelen; gaan (om); gaan via; [een kaap enz.] ronden; zijn ronde doen; patrouilleren; toeren; circuleren; (2) afslaan naar; zwenken; omzwenken; omlopen; overgaan naar; overstappen naar; omzwaaien; (3) een omweg maken; omlopen; omgaan; (4) langskomen; aanlopen; aanwippen; (5) afwisselen; rouleren; (6) geheel doordringen; uitwerking hebben; (7) (vlot) draaien; (goed) functioneren; (vlug) werken; (8) het is over …; na …; (9) zich in een bepaalde positie begeven; in iemands schoenen gaan staan; (10) rond-; om- [sluit aan op de ren'yōkei van dōshi]
回る;廻る;巡る;繞る meguru (1) lopen om; gaan om; draaien om; cirkelen om; ronddraaien; omringen; omgeven; (2) circuleren; omlopen; rondgaan; een cyclus vormen; zich herhalen; (regelmatig) terugkeren; roteren; (3) rondlopen; rondtrekken; rondreizen; rondgaan; ronddrentelen; heen en weer gaan; (4) te maken hebben met ~; omtrent ~; in verband met ~; betreffende ~; over ~
広がる;拡がる hirogaru (1) zich uitbreiden; zich uitzetten; uitdijen; zich uitstrekken (tot); reiken tot; zich uitspreiden; zich ontvouwen; expanderen; (2) zich verspreiden; zich verbreiden; alom bekend raken; (als een lopend vuurtje) rondgaan; de ronde doen; [fig.] metastaseren; (3) verruimen; zich verbreden; verwijden; ruimer worden; breder worden; wijder worden
循環する junkansuru circuleren; omlopen; rondgaan; rondstromen; rouleren; cyclisch verlopen; in een cirkel; kring ronddraaien; roteren; [w.g.] kringen
旋 sen (a) draaien omheen; cirkelen rond; (b) terugkeer naar huis; (c) rondgaan
歩き回る arukimawaru rondlopen; rondgaan; rondwandelen; rondstappen; omwandelen; omlopen; wat heen en weer wandelen; heen en weer lopen; op en neer lopen; over en weer lopen; [i.h.b.] her- en derwaarts kuieren; [i.h.b.] rondkuieren; [i.h.b.] rondstruinen; [i.h.b.] rondslenteren; [i.h.b.] omdolen; [i.h.b.] ronddolen; [i.h.b.] rondzwerven; [i.h.b.] omdwalen; [i.h.b.] ronddwalen; [i.h.b.] omzwalken; [i.h.b.] rondwaren; [i.h.b.;inform.] rondbanjeren; [i.h.b.] ronddarren; [i.h.b.] ronddalven
流れる nagareru (1) stromen; vloeien; lopen; [form.] vlieten; biggelen [van tranen]; (2) wegspoelen; (door het water) meegevoerd worden; meedrijven; vlotten; (3) voorbijstromen; voorbijtrekken [b.v. van wolken]; kruien; overgaan; (4) circuleren [b.v. van praatjes]; rondgaan; (5) verstrijken [m.n. van tijd]; voorbijgaan; verglijden; verlopen; omgaan; [form.] vlieden; [form.] vervlieden; (6) zwalken; zwerven; dwalen; dolen; afdwalen; afwijken (van de juiste richting enz.); zich verlopen [in de wijn enz.]; zich [aan een ondeugd enz.] overleveren; [de verkeerde richting] uitgaan; (7) vervallen [m.n. van pandgoed]; verlopen; verbeurdverklaard worden; (8) [fig.] in het water vallen; afgelast worden; afgeblazen worden; niet doorgaan; (9) [van onvoldragen vrucht] ontijdig geboren worden; afdrijven
流布する rufusuru (1) verbreid voorkomen; circuleren; zich verspreiden; zich verbreiden; in zwang raken; in omloop zijn; de ronde doen; rondgaan; (2) laten circuleren; in omloop brengen; verspreiden; verbreiden; doen rondgaan
Tijd: 1.83 sec. jiten.nl: 3 treffers, warandict: 13 treffers (zoekopdracht: 'rondgaan').
2005-2026
