日蘭辭典+

204 resultaten voor ‘zich’
日蘭辭典 (trefwoord)
amanzuru甘んずる
i.w. genoegen nemen met; zich tevreden stellen met.
anjiru案じる
t.w. (1) [考へる] denken over; overdenken; nadenken over. (2) [工夫する] t.w. uitdenken; bedenken; verzinnen. (3) [心配する] ongerust zijn over; zich bezorgd maken over. ¶ 案じ煩ふ doodelijk ongerust zijn.
aogu仰ぐ
i.w. (1) [上を向く] opzien naar; zich wenden tot. (2) [敬ふ] opzien tot; eerbied hebben voor; hoogachten. (3) [賴る] vertrouwen op; zich verlaten op.
arau洗ふ
(洗う) t.w. (1) [洗ふ] wasschen. ¶ 身體を洗ふ zich wasschen. ¶ 汚點を洗ひ落す vlekken uitwasschen. (2) [調査] nagaan; onderzoek doen. ¶ 足を洗ふ het leven der zonde vaarwel zeggen; op het rechte pad terugkeeren;
ada
zn. (1) [敵] vijand m. (2) [復讐] wraak v. (3) [怨み] vijandschap v.; wrok m.; haat m. ¶ 不倶戴天の doodsvijand. ¶ を返す zich wreken. ¶ 恩をで返す goed met kwaad vergelden.
arigane有金
(有り金) zn. het geld, dat er is; het geld, dat men bij zich heeft; het geld, waarover men beschikken kan; het aanwezige geld.
ashizamani惡樣に
(悪し様に) bw. ongunstig; afbrekend. ¶ 人に惡樣に言ふ zich ongunstig uitlaten over iemand; iemand afbreken;
atama
zn. (1) [頭] hoofd o.; kop m. (2) [頭腦] hersens m. (3) [頭初] begin o. (4) [首領] hoofd o.; aanvoerder m. ¶ 頭の天邊から足の爪迄 van top teen. ¶ 頭をはねる commissie nemen op loon, dat men uitbetaalt. ¶ 頭を痛める zich het hoofd breken; zich ongerust maken. ¶ 頭を刈って貰ふ zijn haar laten knippen. ¶ 頭を上げる het hoofd buigen. ¶ 頭がある verstandig. ¶ 頭なき onverstandig; dom; zinneloos.
atatamaru溫まる
(温まる・暖まる) t.w. zich warmen; warm worden.
atsumari
(集まり) zn. (1) [集合] samenkomen; bijeenkomen. (2) [凝結] samenpakken; zich verbinden. (3) [會議] vergaderen. (4) [集中] zich concentreeren.
au逢ふ
(逢う、会う、遇う、遭う) i.w. (1) [出合] ontmoeten. (2) [邂逅] tegenkomen. (3) [面會] zich onderhouden met. (4) [經驗に] ondergaan; ondervinden; ervaren; lijden. ¶ 酷い目に遭う slecht behandeld worden; leed ondervinden. ¶ 難船に遭う schipbreuk lijden. ¶ 逢ひに行く tegemoet gaan; bezoeken. ¶ 二つの川が此處で會う twee rivieren komen hier samen. ¶ 彼に遭ったことがない ik heb hem nog nooit ontmoet.
ji-suru辭する
i.w. (1) [辭任] ontslag nemen. t.w. (2) [辭退] weigeren; i.w. zich verschoonen. i.w. (3) [暇乞] afscheid nemen.
jitabataじたばた
bw. tegenstribbelend. ¶ じたばたする zich verzetten.
jiten自轉
(自転) zn. omwenteling v. ¶ 自轉する zich wentelen; omwentelen. ¶ 自轉車 fiets; rijwiel. ¶ 自轉車乘 fietser; wielrijder. ¶ 自轉車競走 wielerwedstrijd. ¶ 自轉車に乘る wiel rijden; fietsen. ¶ 自轉車で行く per fiets gaan; op de fiets gaan.
jitoku自得
zn. zelfvoldoening v.; zelfingenomenheid v.; zelfgenoegzaamheid v. ¶ 自得する tevreden zijn; zich eigen maken.
aihansuru相反する
i.w. zich verzetten tegen; opponeeren tegen. ¶ 相反せる tegengesteld.
akirameru諦る
(諦める) i.w. berusten in; genoegen nemen met; zich neerleggen bij; (放棄) hoop opgeven; hoop laten varen.
eiyo榮譽
(栄誉) zn. roem m.; eer v. ¶ 榮譽とする zich vereerd gevoelen; het een eer achten.
yakusoku約束
zn. belofte v.; overeenkomst v.; verbintenis v.; voorwaarde (條件) v. ¶ 約束の時間 het overeengekomen uur. ¶ 約束を守る belofte houden; woord houden. ¶ 約束を守る人 man van zijn woord. ¶ 約束する beloven; overeenkomen; zich verbinden; afspreken. ¶ 約束手形 promesse.
yakuwan suru扼腕する
i.w. tandknarsen; zich verbijten van woede.
yarikuri遣繰
(遣り繰り) zn. tijdelijk hulpmiddel o.; lapmiddel o. ¶ 遣繰する tijdelijk hulpmiddel vinden; zich voorloopig weten te redden.
bōkyaku忘却
zn. vergetelheid v. ¶ 忘却する vergeten; uit het geheugen bannen. ¶ 世間から忘却される in vergetelheid geraken; vergeten zijn. ¶ 自己の地位を忘却する zijn positie vergeten. ¶ 前後を忘却する zich vergeten.
haji
zn. schande v. ¶ 恥を雪ぐ schande uitwisschen. ¶ 恥を知らぬ geen schaamte kennen; schaamteloos. ¶ に恥をかかす iemand beschaamd maken. ¶ 此の恥かきめ foei!; schandelijk!. ¶ 恩惠を乞ふを恥とする ik schaam mij om een gunst te vragen. ¶ 恥をかく schaamte op zich laden. ¶ 恥ぢる zich schamen; beschaamd zijn.
kibarashi氣晴
(気晴らし, 気晴し) zn. verstrooiing v.; uitspanning v.; amusement o. ¶ 氣晴する zich verstrooien; zich ontspannen; zich uitspannen.
tashinamu嗜む
i.w. (1) [好む] houden van; smaak hebben voor; gevoel hebben voor. (2) [愼み] zich weten te beheerschen; zich beschaafd gedragen; bescheiden zijn; zedig zijn.
ugoku動く
i.w. (1) [動く] bewegen; zich bewegen. (2) [移動] van plaats veranderen; zich verplaatsen. (3) [運轉] loopen; gaan; werken. (4) [變動] veranderen; zich wijzigen. (5) [搖ぐ] schommelen; schudden. (6) [感ずる] geroerd worden; getroffen zijn. ¶ 動かざる onbewegelijk; roerloos; (の) onbewogen; onverschillig. ¶ 動かざる泰山の如し rotsvast; onwankelbaar. ¶ 一寸も動かない er wordt niets verkocht. ¶ 時計が動かなくなった het horloge staat stil. ¶ 一寸も動くことならぬぞ verroer je niet!; blijf stokstil staan!
matagaru跨る
i.w. (1) [等に] schrijlings zitten op. (2) [亙る] zich uitstrekken over. (3) [等] overbruggen.
kyūyō休養
zn. rust v.; recreatie v.; ontspanning v. ¶ 休養する rust nemen; uitrusten; op zijn verhaal komen; zich herstellen. ¶ 休養recreatiezaal; ontspannings-lokaal.
najimu馴染む

i.w. zich hechten aan; bevriend worden met; zich thuisvoelen bij; gewend raken aan.

egaku畫く

(画く, 描く) t.w. teekenen (單彩線描); schilderen. (着色); schetsen (寫生). (心に) voorstellen; (描寫) malen; afschilderen; i.w. zich verbeelden. ¶ 山水を畫く landschap schilderen. ¶ 心に畫く zich iets voorstellen. ¶ 空中樓閣を畫く lucht kasteelen bouwen.

fuson不遜

zn. aanmatiging v. ¶ 不遜な aanmatigend; hoogmoedig. ¶ 不遜の振舞をする zich aanmatigend gedragen; () dik doen.

megurasuめぐらす

t.w. (1) [繞らす] omringen. (2) [廻らす] ronddraaien. ¶ 柵を廻らす omheinen. ¶ 踵をめぐらす zich omdraaien. ¶ をめぐらす omkijken; het hoofd omwenden; terugzien op. ¶ 一策をめぐらす een plan bedenken.

hōfuku報復

zn. vergelding v.; weerwraak v.; represaille v. ¶ 報復する vergelden; wraak nemen; zich wreken. ¶ 報復税率 invoerrecht bij wijze van represaille. ¶ 報復手段 represaillemaatregel.

hōfutsu髣髴

zn. gelijkenis v.; vaagheid v. ¶ 髣髴する gelijken op; zich vaag voordoen. ¶ 髣髴として vaag; flauw. ¶ 水天髣髴 vage horizon.

kosekoseこせこせ
bw. pietluttig. ¶ こせこせする pietluttig zijn; zich druk maken over kleinigheden.
kōshoku公職

zn. openbaar ambt o. ¶ 公職を汚す zijn ambt schande aandoen; zich laten omkoopen.

kōsuru抗する

i.w. zich verzetten; weerstand bieden.

koto糊塗

zn. lapmiddel o. ¶ 糊塗する oplappen; van lapmiddelen gebruik maken; tijdelijk zich behelpen; een vernisje geven; geen grondige verbetering aanbrengen.

kotoba言葉

zn. (1) [言語] taal v.; woorden o.mv. (2) [語] woord o.; term v. (3) [地方語] dialect v. (4) [話] spraak v.; uitlating v.; opmerking v. (5) [言方] spreekwijze v.; uitdrukking v. ¶ 言葉通り woordelijk; letterlijk. ¶ 無益の言葉を費す woorden verspillen. ¶ 言葉を違へる zijn woord breken. ¶ 言葉を換へて云へば met andere woorden; m.a.w. ¶ 言葉を掛ける het woord richten; zich wenden. ¶ 言葉爭ひ woordenwisseling; redetwist. ¶ 言葉返し vinnig antwoord. ¶ 言葉書 uiteenzetting; epistel. ¶ 言葉敵 iemand om teegen te praten; aanspraak. ¶ 言質 eerewoord. ¶ 言質を與へる zijn woord verpanden. ¶ 言葉尻 verspreking. ¶ 言葉尻を取る iemand betrappen doordat hij zich verspreekt; iemand in zijn eigen woorden vangen. ¶ 言葉違へ inconsequentie; woordbreuk. ¶ 言葉違へをする zichzelf tegenspreken; inconsequent zijn; zich niet houden aan zijn woord; zijn woord breken. ¶ 言葉咎 critiek. ¶ 言葉添へをする een goed woordje doen. ¶ 言葉遣ひ uitdrukking; spreekwijze. ¶ 言葉多きは問少し holle vaten klinken het hardst; veel geschreeuw, weinig wol.

kotowaru斷る

(断る) t.w. (1) [豫告] waarschuwen. (2) [拒絕] weigeren; afslaan. (3) [禁止] verbieden. i.w. (4) [言譯] zich excuseeren. ¶ 俥屋を斷つて下さい zeg den rikisha-man, dat ik hem niet noodig heb. ¶ 贈花の儀はお斷り申候 verzoeke geen bloemen te zenden.

koto-to-suru事とする

i.w. zich wijden aan; zich beijveren voor; streven naar.

kotoyoseru事寄せる

t.w. voorwenden; voorgeven. ¶ 事寄せて onder het voorwendsel van; onder het mom van; zich houdende alsof.

koyasu肥す

t.w. (1) [土地] mesten. (2) [肥滿] vetmesten. i.w. (3) [富ます] zich vetmesten; zich verrijken.

kozetsu孤絶

zn. isolement o. ¶ 孤絶する alleen staan; zich geïsoleerd houden; zich afzonderen.

ku

zn. (1) [苦痛] smart v.; leed o. (2) [骨折] zware arbeid m.; moeite v. (3) [心配] ongerustheid v.; zorg v. ¶ 苦になる zorg baren. ¶ 苦にする zich bezorgd maken over; tobben over. ¶ 苦もなく zonder moeite; gemakkelijk.

kubikukuru首縊る
kuchidashi口出

zn. inmenging v. ¶ 口出する zich erin mengen; zich bemoeien met; tusschen beiden komen.

kuchibashi

zn. snavel m. ¶ 嘴を入れる zich erin mengen; zich ermee bemoeien.

kuchibashiru口走る

t.w. zich laten ontvallen; er uitflappen.

kuchigirei na口綺麗な

bn. onschuldig voordoend. ¶ 口綺麗な事を云ふ zich houden of men van den prins geen kwaad weet.

kudaru下る、降る

i.w. (1) [おりる] afdalen; afstijgen; afstappen (下降); vallen; neerkomen. (2) [命令が] afkomen. (3) [劣る] achterstaan bij; minder zijn dan. (4) [下痢] diarrhee hebben; loslijvig zijn. (5) [降參] zich overgeven; toegeven. (6) [引退] zich terugtrekken; ontslag nemen. (7) [都から田舍に行く] naar buiten gaan; het land op gaan. ¶ 天より下る uit den hemel nederdalen. ¶ 馬背より下る van het paard stijgen. ¶ 命令が下つた het bevel is afgekomen.

kudaku碎く

(砕く) t.w. breken; stukslaan; kapot slaan. ¶ 心を碎く zich de hersens pijnigen; zich uitsloven.

kuenai食へない

bw. (1) [食に適さぬ] oneetbaar. (2) [狡猾な] slim. ¶ 食へない爺 ouder rot; iemand, die zich de kaas niet van het brood laat eten.

kuisugiru食ひ過ぎる

i.w. te veel eten; zich overeten.

kuitsuku喰附く

t.w. bijten; i.w. zich vastklemmen aan (くつつく).

kujō苦情

zn. klacht v.; reden tot klagen. ¶ 苦情を言ふ zich beklagen; zijn beklag doen.

kukkyoku屈曲

zn. buiging v.; kromheid v.; kromming v. ¶ 屈曲する gebogen zijn; krom zijn; gebroken zijn (海岸線が); zich slingeren; zich kronkelen (河が); weerkaatsen (光線が). ¶ 屈曲性 buigbaarheid.

kumen工面

zn. middel o.; plan v.; methode v. ¶ 金を工面する middelen beramen; zich geld weten te verschaffen.

kumiau組合ふ

i.w. (1) [合同] zich associeeren met; zich verbinden met; samengaan met; zich vereenigen; vennootschap aangaan. (2) [相打する] vechten met.

kumitoru汲取る

t.w. (1) [水など] putten; scheppen. i.w. (2) [推量] veronderstelling maken. (3) [酌量] in de gevoelens verplaatsen; omstandigheden in aanmerking nemen. ¶ 私の心を汲取つて吳れる人はない er is niemand, die zich in mijn gevoelens verplaatsen kan. ¶ 文意を汲取る tusschen de regels lezen.

kuneru曲る

i.w. zich kronkelen; krom zijn. ¶ 曲つた krom. ¶ 曲つた松の枝 kronkelige dennetak. ¶ 心の曲つた子 lastig kind; onhandelbaar kind.

kumu組む

t.w. (1) [編む] ineenvlechten. (2) [組立てる] in elkaar zetten; voegen; monteeren. (3) [交叉する] kruisen. (4) [活字を] zetten. (5) [取組み合ふ] aangrijpen; omvatten; i.w. worstelen met. i.w. (6) [共同] zich voegen bij; zich vereenigen met; samengaan met. (7) [共謀] samenspannen met; heulen met.

ku-ni-suru苦にする

i.w. zich verontrusten over; zich bezorgd maken over.

kuppuku屈服

zn. onderwerping v.; overgave v. ¶ 屈服する zich onderwerpen; zich vergeven; toegeven; het hoofd buigen; den strijd opgeven.

kurō苦勞

(苦労) zn. zorg (心配) v.; last m.; moeite v.; zware arbeid. ¶ 苦勞のない onbezorgd; luchthartig. ¶ 御苦勞樣でした dank voor uwe moeite. ¶ 苦勞する zich bezorgd maken; veel moeite doen; worstelen. ¶ 苦勞性の zwaar op de hand; pijnlijk nauwgezet.

kurushii苦しい

bn. (1) [苦痛] pijnlijk; bedroevend. (2) [困難] moeilijk; hard; zwaar. (3) [困窮] ellendig. ¶ 苦しい思をする zich kwellen; zijn hersens pijnigen. ¶ 苦しい仕事 zware taak. ¶ 苦しい境遇 droevige omstandigheden; ellende. ¶ 苦しい立場 vergezochte grap. ¶ 苦しい立場 moeilijke positie. ¶ 苦し紛れに door wanhoop gedreven. ¶ 苦します pijnigen; martelen; plagen; kwellen.

kusakusa suruくさくさする

i.w. zich gedrukt voelen; het land hebben; in de put zijn.

kuse

zn. (1) [習慣] gewoonte v. (2) [特性] eigenaardigheid v.; karaktertrek m. ¶ 癖を直す slechte gewoonte afwennen. ¶ 癖がつく zich aanwennen; de gewoonte krijgen. ¶ 癖がある gewoon zijn; gewend zijn; de gewoonte hebben. ¶ 癖直しをする zijn haar recht strijken. ¶ 癖髮 weerbarstig haar.

kushin苦心

zn. (1) [心配] zorg v. (2) [努力] moeite v.; inspanning v. ¶ 苦心する zich inspannen; zich veel moeite geven.

kutsurogi寬ぎ

zn. gemak o.; ontspanning v. ¶ 寛ぐ zich op zijn gemak voelen. ¶ 衣を寛げる zijn kleeren losmaken; zich lekker maken. ¶ 打寛いで op zijn gemak; in huiskleeren.

kutsuju屈從

(屈従) zn. nederigheid v.; slaafschheid v.; onderworpenheid v. ¶ 屈從する zich onderwerpen; slaafs toegeven; zich laten trappen.

kuttaku屈託

zn. bezorgdheid v.; zorg v.; ergernis v. ¶ 屈託する zich bezorgd maken; zich ergeren; het land hebben.

kuwawaru加はる

i.w. (1) [增加] toenemen; vermeerderen. (2) [參加] deelnemen; zich voegen bij; meedoen; zich aansluiten. ¶ 風力が加はる de wind wordt hoe langer hoe sterker. ¶ 戰爭に加はる aan den oorlog deelnemen.

kyō

zn. vermaak o.; pleizier o.; genoegen o.; vroolijkheid v.; belangstelling (興味) v. ¶ 興を醒す het pleizier bederven. ¶ 興に入る pleizier krijgen; schik hebben; zich amuseeren. ¶ 仕事に興が乗る pleizier hebben in zijn werk; belangstellen in zijn werk. ¶ 興を催す aangenaam bezighouden; vermaken; amuseeren.

kyōdō共同

zn. vereeniging v.; gemeenschap v. ¶ 共同の gemeenschappelijk; openbaar; algemeen; publiek; voor algemeen gebruik. ¶ 共同財產 gemeenschappelijk eigendom. ¶ 共同海損 averij grosse. ¶ 共同出資 gemeenschappelijke rekening. ¶ 共同生活 samenwoning. ¶ 共同で書く schrijven in samenwerking met. ¶ 共同する samengaan; samenwerken; zich vereenigen. ¶ 共同して gezamenlijk; tezamen; samen. ¶ 共同相續人 mede-erfgenaam. ¶ 共同被告 mede-beklaagde.

kyōgaru興がる
kyōgū境遇

zn. omstandigheden v.mv.; toestand m.; omgeving v. ¶ 境遇は人を造る de mensch is het product van zijne omgeving. ¶ 境遇に適應する zich aan de gelegenheid passen.

kyōkin胸襟

zn. hart o.; boezem m. ¶ 胸襟を開く zijn hart blootleggen; zich ontboezemen.

-zure擦れ

zn. schuring v. ¶ 床擦れする zich doorliggen. ¶ 靴擦れ door geloopen voeten; blaren aan de voeten.

zōshoku增殖

(増殖) zn. vermenigvuldiging v.; voortplanting v. ¶ 增殖する zich vermenigvuldigen; voortplanten.

zonbun存分

bw. naar hartelust; zonder zich te beperken. ¶ 存分に泣く tranen den vrijen loop laten. ¶ 思ふ存分つた次 zooveel als ik maar kon.

zonzuru存ずる

t.w. (1) [知る] weten; i.w. zich bewust zijn. (2) [思ふ] denken; vinden; van oordeel zijn; gevoelen. ¶ 光榮と存ずる het als een eer beschouwen; zich vereerd achten. ¶ 御存じの通り zooals u bekend is. ¶ 御愉快の事と存じ候 ik kan mij voorstellen, hoe gij u verheugt.

zokujūsuru屬從する

(属従する) i.w. zich onderwerpen.

zōchō suru增長する

(増長する) i.w. zich veel verbeelden; aanmatigend optreden; verwaand zijn.

zettō suru絶倒する

i.w. zich krom lachen (抱腹).

zantoku suru贊匿する

(賛匿する) i.w. de wijk nemen; zich verschuilen.

zashi坐視

(坐視) zn. onverschilligheid v. ¶ 坐視する onverschillig toezien; zich er niet mee bemoeien.

zannyū竄入

zn. wijk v.; vlucht naar een neutrale haven. ¶ 竄入する in een neutrale haven vluchten; zich laten interneeren. ¶ 竄入軍艦 geïnterneerd oorlogschip.

yuzuru讓る

(譲る) i.w. (1) [讓步] toegeven. (2) [劣る] de mindere zijn; zich gewonnen geven. t.w. (3) [讓渡] overdragen; afstaan. (4) [讓る] verkoopen. ¶ 位を讓る afstand doen van den troon. ¶ 權利を讓る rechten afstaan. ¶ 店を讓る winkel overdoen. ¶ 一歩讓らぬ geen duimbreed wijken. ¶ 誰にも讓らない bij niemand achterstaan.

yūri游離

zn. afscheiding v.; isolatie v. ¶ 游離する vrijkomen; zich afscheiden. ¶ 游離せる鹽素 vrij chloor. ¶ 游離させる vrijlaten; doen vrijlaten; afscheiden; loslaten. ¶ 肉體を游離せる靈魂 geest, die niet meer aan het lichaam gebonden is.

yūretsu優劣

zn. kwaliteit v.; hoedanigheid v. ¶ 優劣を爭ふ zich met elkaar meten. ¶ 優劣なき van gelijke verdiensten; even goed; onbeslist.

yūkyō遊興

zn. vermakelijkheden v.mv.; ontspanning v. ¶ 遊興する zich amuseeren. ¶ 遊興稅 vermakelijkheidsbelasting.

yukinari行成

¶ 行成に任せて置く zich niet bemoeien met; aan zijn lot overlaten.

yukkuriゆっくり

bw. langzaam; kalmpjes aan; op z'n gemak. ¶ ゆっくりする op zijn gemak doen; zich niet haasten.

yukiwatari行渡
yukue行方

zn. adres o.; verblijfplaats v. ¶ 行方不明 adres onbekend. ¶ 行方を晦ます zich schuilhouden. ¶ 行方を知らぬ niet weten waar iemand (iets) gebleven is.

yuku行く

i.w. (1) [赴く] gaan; zich begeven naar. (2) [逝く] sterven. (3) [步く] wandelen; loopen. ¶ 外國に行く naar het buitenland gaan. ¶ 行け ga weg! ¶ と一緒に行く vergezellen; meegaan met. ¶ 本通を行く de hoofdstraat volgen. ¶ 同じ道を行く denzelfden weg gaan.

yūchō優長

zn. treuzeling v. ¶ 優長に treuzelend; talmend; langzaam; op z’n dooien gemak; zonder zich te haasten; doodkalm.

yudaneru委ねる

t.w. opdragen; toevertrouwen; overlaten. ¶ 身を委ねる zich wijden aan. ¶ 人に身を委ねる zich aan iemand toevertrouwen.

yoyaku豫約

(予約) zn. toezegging v.; inteekening v. ¶ 豫約席 besproken plaatsen. ¶ 豫約する toezegging doen; zich vooraf verbinden; inteekenen. ¶ 豫約者 inteekenaar. ¶ 豫約簿 inteekenlijst.

yōsu樣子

(様子) zn. (1) [狀態] toestand m.; conditie v. (2) [姿態] uiterlijk o. (3) [態度] houding v.; manier van doen. ¶ 大體の樣子 de algemeene toestand; de staat van zaken. ¶ 樣子を窺ふ zien, hoe het ermee staat; kijken uit welken hoek de wind waait. ¶ 樣子がよい er goed uitzien. ¶ 樣子をする zich aanstellen; zich voordoen als; voorwenden. ¶ 樣子振る aanstellerig doen; zich aanstellen.

yoso餘所

(余所) zn. andere plaats v.; bw. elders; ergens anders. ¶ 餘所の van elders; ander. ¶ 餘所から van elders. ¶ 餘所へ行く ergens heengaan; uitgaan; weggaan. ¶ 餘所に見る zich er niets van aantrekken. ¶ 業務を餘所にする zijn werk niet doen; zijn plicht verzuimen.

yosooi

(装い) zn. toilet o.; costuum o.; aankleeding v. ¶ 男の裝をする zich als man verkleeden. ¶ 裝ふ zich voordoen als; voorwenden; doen alsof; zich verkleeden als; zich vermommen als. ¶ 無知を裝ふ doen alsof men van niets weet; zich van den domme houden.

yōsha容赦

zn. vergeving v.; vergiffenis v. ¶ 容赦ならぬ onvergefelijk; onverschoonbaar. ¶ 容赦なく zonder genade. ¶ 容赦する vergeven; vergiffenis schenken; (控へる) zich terughouden; zich intoomen. ¶ どうぞ御容赦なく云つて下さい vertel me onomwonden; vertel zonder terughouding.

yoseru寄せる

t.w. (1) [片寄せる] op zijde zetten. (2) [加へる] totaliseeren. (3) [集める] verzamelen; samenroepen. (4) [攻める] aanvallen. (5) [書を] zenden; inzenden. ¶ 身を寄せる vertrouwen op; zich onder bescherming stellen van. ¶ 思を寄せる zijn hart verliezen aan. ¶ 皺を寄せる rimpels trekken. ¶ 眉を寄せる wenkbrauwen fronsen. ¶ 皆よせていくら hoeveel is het bij elkaar?

yorokobu喜ぶ

i.w. blijde zijn; zich verheugen; t.w. genieten. ¶ 喜んで met genoegen; gaarne; ¶ 心から喜ぶ hartelijk blijde zijn; zich van harte verheugen. ¶ 彼の成功を喜ぶ ik verheug mij over zijn succes; ik ben blij, dat hij geslaagd is. ¶ 喜んで迎へる hartelijk verwelkomen.

yopparai醉つぱらい

(酔つぱらい) zn. dronken kerel m. ¶ 醉つぱらふ zich bedrinken; dronken worden.

yokodori橫取

(横取) zn. vermeestering v. ¶ 橫取する zich meester maken van; weggappen; graaien.

yōjire捩ぢれ

zn. kronkeling v. ¶ 捩ぢれる gekronkeld zijn; zich kronkelen; verdraaid zijn.

yōkai容喙

zn. inmenging v.; bemoeienis v. ¶ 容喙する zich mengen in; zich bemoeien met; (俗) den neus steken in.

yōgen揚言

zn. verklaring v. ¶ 揚言する verklaren; zich beroemen.

yodomu淀む

i.w. (1) [水が] stilstaan; langzaam stroomen. (2) [沈澱] bezinken; zich afzetten. (3) [躊躇] aarzelen.

yōdai容態

zn. (1) [患者の] toestand m. (2) [容儀] houding v.; optreden o. ¶ 容態ぶる gewichtig doen; zich aanstellen. ¶ 容態振り gewichtigdoenerij; dikdoenerij; aanstellerij. ¶ 容態書 bulletin omtrent den toestand van den zieke; geneeskundig certificaat.

yoasobi夜遊

zn. avondvermaak o.; nachtelijke amusementen o.mv. ¶ 夜遊する er 's avonds op uitgaan om zich te amuseeren.

yattekuruやつて來る

(やつて来る) i.w. verschijnen; komen; komen opzoeken; zich vertoonen.

yawaragu和ぐ
yatara ni矢鱈に

bw. zonder onderscheid; in het wild; onmatig; zonder zich rekenschap te geven. ¶ 誰とでも矢鱈に交際を求める met iedereen aanknopen. ¶ 矢鱈に本を讀む rijp en groen lezen.

yatsusu窶す

i.w. zich vermommen als. ¶ 身を窶す zich tooien; zich mooi maken. ¶ 支那人に身を窶す zich vermommen als Chinees. ¶ 氣を窶す tobben; zich bezorgd maken.

yatsuatari suru八當りする

(八当りする) i.w. zich woedend maken op; opstuiven tegen.

yakimokiやきもき

bw. ongeduldig; zenuwachtig. ¶ やきもきする ongeduldig zijn; zich zenuwachtig maken.

yakki躍起

zn. opwinding v.; geestdrift v.; enthousiasme o. ¶ 躍起となる zich opwinden. ¶ 躍起となつて opgewonden; heftig; met warmte; geestdriftig.

yakedo火傷

zn. brandwond v. ¶ 火傷する zich branden; brandwonden oploopen.

yakamashii喧しい

bn. (1) [騷々しい] lawaaiig; (2) [小言多き] lastig; kijfachtig. (3) [嚴格な] streng. ¶ 食物にやかましい kieskeurig. ¶ 喧しく met veel lawaai; met veel drukte. ¶ 喧しく云ふ zich druk maken. ¶ やかましい靜かにしろ maak toch niet zoo'n lawaai! ¶ やかましい問題 een hevige kwestie. ¶ 稅關で喧しく言ふでせう ik denk, dat je moeilijkheden krijgt met de douane. ¶ 喧し屋 lastige kerel.

yabu

zn. dicht woud o.; wildernis o.; struikgewas o. ¶ 藪から棒に plotseling; als een donderslag aan helderen hemel. ¶ 藪をつついて蛇を出す zich in een wespennest steken. ¶ 藪蛇はやめろ maak geen slapende honden wakker.

wazurai患,煩

zn. (1) [病] ziekte v. (2) [惱み] beproeving v.; bezoeking v.; leed o.; smart v. (3) [面倒] moeilijkheden v.mv. ¶ 煩ふ lijden; zich bezorgd maken; gebukt gaan onder.

wazurawashii煩しい

bn. (1) [厄介な] lastig; hinderlijk; ergerlijk. (2) [繁雜な] ingewikkeld; verward. ¶ 煩はす lastig vallen; hinderen; plagen. ¶ 心を煩はす zich ongerust maken; tobben. ¶ 手を煩す last veroorzaken; hinderen. ¶ 御一報を煩はし度い zou u zoo goed willen zijn mij bericht te zenden?

wasuru和する
warikomu割込む

i.w. naar binnen dringen; zich een weg banen; dringen.

warui惡い

(悪い) bn. (1) [惡い] slecht; verkeerd. (2) [非道な] zondig. (3) [不法な] onwettig. (4) [邪惡な] boos; boosaardig. (5) [いたづらな] baldadig; ondeugend. (6) [不吉な] kwaad; onheilspellend. (7) [不運な] ongelukkig; (8) [有害な] schadelijk. (9) [不健全な] ongezond. (10) [醜惡な] leelijk. (11) [粗末な] grof; inferieur. (12) [腐敗せる] rot. ¶ 口が惡い schelden; kwaad spreken. ¶ 更に惡い nog erger. ¶ 最も惡い allerergst. ¶ 耳が惡い hardhoorig. ¶ 胸が惡い zich niet lekker voelen; misselijk zijn. ¶ 香が惡い stinken. ¶ 體に惡い ongezond. ¶ 惡い事 zonde; verkeerdheid; misdaad; wangedrag. ¶ 價も安いが品も惡い goedkoop en slecht. ¶ 君の方が惡い jij hebt ongelijk; het is jouw schuld. ¶ 私が惡かつた het is mijn schuld; ik heb ongelijk.

warubireru臆れる

i.w. huiverig zijn; bevreesd zijn; zich schamen. ¶ 臆れず onbeschroomd; onvervaard.

ware

vnw. zelf; ik. ¶ 我を忘れる zich vergeten; het hoofd kwijt zijn; opgaan in. ¶ 我から好んで geheel vrijwillig. ¶ 我に復る weer bijkomen; tot bezinning komen. ¶ 我を忘れて喜ぶ buiten zichzelf zijn van vreugde. ¶ 我知らずに onwillekeurig; onbewust.

warai

zn. lach m.; spotlach (嘲笑) m.; glimlach (微笑). ¶ 世人の笑を招く zich belachelijk maken. ¶ 笑出す beginnen te lachen; in lachen uitbarsten (大きな聲で). ¶ 笑顔 lachend gezicht. ¶ 笑事 belachelijks. ¶ 笑草にする belachelijk maken; bespotten. ¶ 笑草になる zich bespottelijk maken; uitgelachen worden. ¶ 笑上戸 iemand, die een vroolijken dronk heeft; goedlachsch iemand.

wakimichi脇路

zn. zijweg m.; zijpad o. ¶ 脇道に這入る zich op zijpaden begeven; afdwalen.

wakareru別れる

i.w. zich afscheiden; scheiden; heengaan; uiteengaan; afscheid nemen; zich splitsen (岐出); uit elkaar vallen (分散). ¶ 分れて afzonderlijk. ¶ 仲好く別れる als goede vrienden scheiden. ¶ 東京市は十五區に分れてゐる Tokyo is verdeeld in vijftien wijken.

wakai和解

zn. verzoening v.; minnelijke schikking v. ¶ 和解さす verzoenen; vrede stichten; tot overeenstemming brengen. ¶ 和解する zich verzoenen; tot overeenstemming komen; schikking treffen. ¶ 和解者 vredestichter; tusschenpersoon.

wakagaeri若返り

zn. verjonging v. ¶ 若返る zich verjongen; weer jong worden.

wabiru侘びる

i.w. het land hebben; zich ongerust maken; niet op zijn gemak zijn; zich eenzaam voelen.

waboku和睦

zn. vrede m.; eendracht v.; harmonie v.; (和解) verzoening v.; toenadering v. ¶ 和睦する vrede sluiten; zich verzoenen.

wagamono我物

zn. eigendom m.; bezit o. ¶ 我物顏の bazig. ¶ 我物にする in bezit nemen; zich toeëigenen; (俗) in de wacht slepen. ¶ 我物顏をする den baas spelen; bazen.

wabi

(詫び) zn. excuus o.; verontschuldiging v.; verzoek om vergiffenis. ¶ 詫狀を出す schriftelijke excuses maken; per brief om verschooning vragen. ¶ 詫びる zich verontschuldigen; verschooning vragen; vergeving vragen; excuses maken.

uwaki浮氣

(浮気) zn. luchthartigheid v.; lichtzinnigheid v.; zedeloosheid v.; ontrouw v. ¶ 浮氣をする zich misdragen; echtgenoot bedriegen. ¶ 浮氣つぽい lichtzinnig; zedeloos; ontrouw; onkuisch. ¶ 浮氣者 lichtmis (男); (女) vrouw van slechte zeden; scharreltje; snol.

utsuwa

(器) zn. (1) [容器] vat o. (2) [道具] gereedschap o.; werktuig o. ¶ 水は方圓の器に隨ふ water neemt den vorm aan van het vat, waarin het zich bevindt. ¶ 僕はその器ぢゃありません daartoe ben ik niet in staat; dat gaat boven mijn begrip.

uttoritoうつとりと

bw. in vervoering; verstrooid (ぼんやりと). ¶ うつとりとして居る in vervoering zijn; in extase zijn; alles om zich heen vergeten.

uttederu打つて出る

i.w. uitval doen (軍勢が); zich candidaat stellen (候補として).

utsuru映る

i.w. (1) [投影] beeld geven; weerspiegelen; zich afteekenen. (2) [調和する] harmonieeren; goed passen bij; goed staan. ¶ 月が水に映つてゐる de maan weerspiegelt zich in het water. ¶ 人の影が障子に映つてゐる men ziet een menschelijke schaduw op de schuifdeur. ¶ 寫眞はよく寫つてゐる het is een goede fotografie.

utsuriyuku移行く

i.w. veranderen; zich wijzigen; vergaan. ¶ 移行く世の有樣 de vergankelijkheid der wereld.

utcharu打棄る

t.w. weggooien; wegwerpen; wegsmijten; aan zijn lot overlaten; i.w. zich niet inlaten met. ¶ 腐つた物を打棄る wegwerpen wat rot is. ¶ どうか打棄つて置いて下さい laat mij maar aan mijn lot over.

utsu打つ

t.w. (1) [打つ] slaan. i.w. (2) [拍手] (in de handen) klappen. t.w. (3) [發砲] schieten. (4) [攻擊] aanvallen. (5) [鐘を] luiden. (6) [電報を] verzenden. i.w. (7) [博奕] dobbelen. t.w. (8) [網を] werpen; gooien. (9) [碁能] spelen. (10) [鍛へる] harden. (11) [打込む] inslaan. ¶ 釘を打つ spijker inslaan. ¶ 網を打 net werpen. ¶ 太鼓を打つ trommelen. ¶ 仇を討つ zich wreken. ¶ 田を打つ sawah bebouwen. ¶ 幕を打つ tent opslaan. ¶ 手金を打つ handgeld betalen. ¶ もんどり打つ saltomortale maken. ¶ 電報を打つ telegram zenden; telegrafeeren.

ussan鬱散
usugeshō薄化粧

zn. vluchtig toilet o. ¶ 薄化粧する zich licht poeieren.

urusagaru煩がる

i.w. uit zijn humeur zijn; zich ergeren.

uru賣る

(売る) t.w. (1) [販賣] verkoopen; i.w. handelen in. t.w. (2) [裏切る] verraden. ¶ 目方で賣る bij het gewicht verkoopen. ¶ 國を賣る zijn land verraden. ¶ 娘を賣る zijn dochter verkoopen. ¶ 節操を賣る zich prostitueeren.

ureruうれへる

i.w. (1) [憂へる] zich ongerust maken; bevreesd zijn; bezorgd zijn. (2) [愁へる] verdriet hebben; grieven. ¶ 行末を憂へる bezorgd zijn voor de toekomst.

ureshigarase嬉しがらせ

zn. vleierij v.; lekkermakerij v.; mooie praatjes o.mv. ¶ 嬉しがらせる vleien; lekker maken; blij maken. ¶ 嬉しがる blij zijn; zich verheugen. ¶ 嬉しげな blij; verheugd; vergenoegd; vroolijk.

urameshii怨めしい

bn. ergerlijk; hatelijk. ¶ 怨めしく思ふ wrok koesteren; zich ergeren.

urami

zn. (1) [怨恨] wrok m.; vijandig gevoel o. (2) [憎惡] haat m.; nijd m. (3) [遺憾] ergernis v.; spijt m. ¶ 怨を懷く wrok koesteren. ¶ 怨を晴らす zich wreken. ¶ 人の怨を買ふ zich de vijandschap van iemand op den hals halen. ¶ 怨深い haatdragend; wraakzuchtig. ¶ 恨がましい betreurenswaardig; spijtig; jammer; ergerlijk.

uramuうらむ

i.w. (1) [怨む] wrok koesteren; vijandig gezind zijn; t.w. kwalijk nemen; haten. (2) [憾む] betreuren; i.w. spijt hebben. ¶ 無情を怨む zich ergeren over iemand’s hardvochtigheid. ¶ 機を失したるを恨む ik heb het land, dat ik de gelegenheid voorbij heb laten gaan.

unubore自惚

zn. inbeelding v.; zelf-ingenomenheid v.; verwaandheid v. ¶ 自惚強い ingebeeld; met zichzelf ingenomen; ijdel; pedant. ¶ 自惚れる zich veel verbeelden; ingebeeld zijn; verwaand zijn.

uneriうねり

zn. golving v.; kronkeling v. ¶ うねり道 zigzag-weg. ¶ うねる zich slingeren; zich kronkelen; golven. ¶ うねうね kronkelend; zigzag.

undō運動

zn. (1) [運轉] beweging v. (2) [身體の] lichaamsoefening v.; sport v. (3) [散步] wandeling v. ¶ 運動に出掛ける een beetje beweging gaan nemen; een eindje omstappen. ¶ 運動する in beweging zijn; beweging nemen; zich bewegen; bewegen; (奔走) zich moeite geven voor. ¶ 投票を得る爲區內を運動する een district bewerken om stemmen te krijgen. ¶ 運動服 sportcostuum; trui. ¶ 運動場 sportterrein. ¶ 運動家 athleet. ¶ 運動會 sportvereeniging (協會); gymnastiek-uitvoering (學校等の). ¶ 運動量 vaart; snelheid; beweegkracht. ¶ 運動性 bewegelijkheid. ¶ 運動者 agitator; verkiezingsagent (選擧の); propagandist. ¶ 運動神經 bewegingszenuw.

uku浮く

i.w. drijven; blijven drijven; aan de oppervlakte komen (浮上る); (浮彫のやうに) “en relief” zijn; uitsteken; zich afteekenen; duidelijk zichtbaar zijn. ¶ 氣が浮いてゐる blijmoedig gestemd zijn; opgewekt zijn.

ukyoku紆曲

zn. slingering v.; kronkeling v. ¶ 紆曲せる slingerend; kronkelend; omslachtig. ¶ 紆曲する zich slingeren; zich kronkelen; omweg maken.

ukideru浮出る

i.w. boven komen drijven; aan de oppervlakte komen (水面に); zich duidelijk afteekenen (明瞭に出る).

ukimi憂身

zn. ellendig leven o.; leven van ellende. ¶ 憂身を窶す zich met hart en ziel wijden aan.

ukenin請人

zn. borg m. ¶ 請人になる borg staan; zich borg stellen. ¶ 請人を立てる een borg aanwijzen.

ukeau請合ふ

t.w. (1) [引受ける] op zich nemen. i.w. (2) [保證] borgstaan voor; instaan voor; t.w. waarborgen; garandeeren. ¶ 正直なる事を請合ふ instaan voor de eerlijkheid. ¶ 三年間もつ事は請合ひます wij garandeeren dit voor drie jaar; wij geven drie jaar garantie. ¶ 請合つて本當です het is heusch waar.

ugomeku蠢めく

i.w. zich kronkelen. ¶ 得意の鼻を蠢めかす trotsch zijn op zijn succes; triomfantelijk kijken.

ukaberu浮べる

t.w. (1) [水に] laten drijven; laten varen. (2) [涙を] in de oogen krijgen. i.w. (3) [思浮べる] zich herinneren. ¶ 船を浮べる gaan roeien.

ude

zn. arm m.; bekwaamheid (技倆) v. ¶ 腕を組む de armen kruisen. ¶ 腕が痒つてゐる de handen jeuken. ¶ 腕沙汰に及ぶ geweld gebruiken. ¶ 腕を貸す een handje helpen; hulp verleenen. ¶ 腕をまくる de mouwen opstroopen. ¶ 腕を折る zijn arm breken. ¶ 腕を組合せて arm in arm; gearmd. ¶ 腕時計 armbandhorloge. ¶ 腕比べをする zich met elkaar meten.

uchisuteru打捨てる

t.w. aan zijn lot overlaten; i.w. zich niet bemoeien met; de handen aftrekken van; t.w. in eigen sop laten gaarkoken.

uchikomu打込む

t.w. inslaan; indrijven; i.w. schieten in (砲を); verliefd worden op (女に); zich wijden aan (仕事に). ¶ 杭を深く打込む paal diep in den grond slaan.

uchiiri討入

zn. binnendringing v.; inbraak m.; gewelddadige inval m. ¶ 討入る met geweld binnendringen; inbreken; zich een weg naar binnen banen.

tsuyogaru强がる
tsūyō痛痒

zn. pijn en jeuk; belang (利害) o. ¶ 痛痒を感じない er niets van voelen; er geen belang bij hebben; zich er niet om bekommeren.

tsutsushimi愼、謹

(慎、謹) zn. (1) [謙遜] bescheidenheid v. (2) [愼重] voorzichtigheid v.; bedachtzaamheid v. (3) [抑制] zelfbedwang o.; zelfbeheersching v. ¶ 愼のある bescheiden; bedachtzaam; behoedzaam; voorzichtig; vol zelfbeheersching. ¶ 愼を忘れる zelfbeheersching verliezen; zich vergeten.

tsutsushimu愼む

(慎む) i.w. (1) [謙遜] bescheiden zijn. (2) [用心深い] voorzichtig zijn. (3) [抑制] zich weten te beheerschen. ¶ 將來を愼む bedachtzaam zijn voor de toekomst. ¶ 口を謹む zijn tong bedwingen. ¶ 謹んで eerbiedig; bescheiden; in alle nederigheid. ¶ 謹んで申す eerbiedig opmerken.

tsutomeru勤める

(勤める) i.w. (1) [就職] betrekking vervullen; ambt bekleeden. (2) [努力] trachten; streven. (3) [役を演ず] rol vervullen. ¶ 宣傳に力める zich wijden aan de propaganda; ijveren voor. ¶ 現役を勤めてゐる in actieven dienst zijn. ¶ 通譯を勤める als tolk optreden; fungeeren als tolk. ¶ 努めて ijverig.

tsuru吊る

t.w. ophangen; laten hangen. ¶ 首を吊る zich ophangen.

tsūshin痛心

zn. ongerustheid v.; kommer m. ¶ 痛心する zich bezorgd maken; ongerust zijn.

tsuriai釣合

(釣り合い) zn. evenwicht o.; balans v. ¶ 釣合のよい evenwichtig; goed gebalanceerd. ¶ 安定釣合 stabiel evenwicht. ¶ 不安定釣合 labiel evenwicht. ¶ 釣合惡しき onevenwichtig; slecht geproportionneerd. ¶ 釣合ふ tegen elkaar opwegen (平均する); in evenwicht zijn (均等を保つ); (恰好よし) in goede verhouding staan; overeenstemmen; goed passen bij elkaar; (對當する) zich met elkaar kunnen meten; aan elkaar gewaagd zijn.

tsuranaru連る

(連なる) i.w. (1) [連續] zich verbinden; zich vereenigen; band vormen; zich aansluiten. (2) [整列] in een rij staan; rij vormen. (3) [參列] bijwonen; tegenwoordig zijn. (4) [關係] in verband staan; in relatie staan; verbonden zijn aan. ¶ 連った onafgebroken; aaneengestoten.

tsumoru積る

(積もる) i.w. zich ophoopen; opgestapeld worden; oploopen; t.w. begrooten; berekenen; schatten. ¶ 積り積りて八百圓 het is geleidelijk opgeloopen tot een bedrag van 800 yen.

tsumekakeru詰掛ける

(詰め掛ける) i.w. zich verdringen; in groote drommen bezoeken.

tsumaranai詰らない

bn. (1) [價値無き] nutteloos; waardeloos; tot niets nut. (2) [けちな] onbeduidend; mieserig. (3) [無趣味] onbelangrijk; niet interessant. (4) [馬鹿げた] dwaas; zinneloos. ¶ 詰らない奴 een vent van niets. ¶ 詰らない本 onbeduidend boek. ¶ 詰らぬ事に騷ぐ zich opwinden over een kleinigheid. ¶ 人生を詰らなく思ふ het leven moede zijn; niets meer om het leven geven.

tsukuru作る

t.w. (1) [製作] maken; vervaardigen. (2) [構成] vormen. (3) [建設] bouwen. (4) [耕作] bebouwen; bewerken. (5) [培養] verbouwen; telen. ¶ 木で造る van hout maken. ¶ 酒を造る arak stoken; sake brouwen. ¶ 野菜を作る groenten kweeken. ¶ 財產を作る fortuin maken; rijk worden. ¶ 顏を作る toilet maken; zich werven en poeieren. ¶ 列を作る een rij vormen; in ’t gelid gaan staan. ¶ 家庭を作る huishouden opzetten. ¶ 罪を作る zonde begaan.

tsukusu盡す

(尽くす) t.w. (1) [消費] verbruiken; opgebruiken; uitputten. (2) [果す] volbrengen; vervullen; voleindigen; voltooien. i.w. (3) [盡力する] zich inspannen. ¶ 喰ひ盡す opeten. ¶ 國の爲に盡す zijn krachten geven aan het vaderland. ¶ 深切を盡す zich uitputten in vriendelijkheid. ¶ 百方手を盡す geen middel onbeproefd laten. ¶ 己の分を能く盡す zijn taak goed volbrengen. ¶ 言語に盡し難き onbeschrijfelijk.

tsukubau蹲ふ

(蹲う) i.w. kruipen; zich laag bukken.

tsukiyaburu突破る

(突き破る) t.w. doorbreken; i.w. zich met geweld een doorgang verschaffen.

tsukkiru突切る

(突っ切る) i.w. zich een weg banen; t.w. oversteken.

tsuku附く

i.w. (1) [附着] kleven; plakken; blijven vastzitten. (2) [味方する] de zijde kiezen van; meegaan met. (3) [價する] waard zijn. t.w. (4) [習癖が] aannemen; i.w. zich aanwennen. i.w. (5) [火が] vlam vatten. t.w. (6) [痕が] achterlaten. (7) [利息が] opbrengen; opleveren. ¶ 惡錢身に附かず gestolen goed gedijt niet. ¶ 肉が附く dik worden. ¶ 敵方に附く overloopen naar den vijand. ¶ 一つが十錢につく ze kosten 10 sen per stuk. ¶ 惡い癖はつき易い slechte gewoonten worden gemakkelijk aangeleerd. ¶ 著物に火がついた zijn kleeren vlogen in brand. ¶ 電氣がついて居る het electrisch licht is aan. ¶ 年七分の利が附く 7% per jaar interest geven. ¶ 床に足跡がつく voetstappen op den vloer achterlaten.

tsukitomeru突留める

(突留める) t.w. (1) [さし殺す] doorsteken; afmaken. i.w. (2) [究め確める] zich vergewissen; zekerheid verkrijgen.

tsukeagaru附上る

(付け上がる) i.w. prat gaan op; zich laten voorstaan op; misbruik maken van.

tsukeru附ける

(付ける) t.w. (1) [接合] bevestigen; hechten; vastmaken. i.w. (2) [裝ふ] uitrusten. t.w. (3) [尾行] volgen. (4) [値を] bieden. (5) [點火] aansteken. ¶ 身に附ける bij zich hebben. ¶ 鈕を附ける knoop aanzetten. ¶ ペン軸にペンを附ける pen in den penhouder steken. ¶ 帳面に附ける inboeken. ¶ 船を棧橋に著ける een schip langszij van de kade brengen. ¶ 煙草を附ける sigaar aansteken. ¶ 電燈を附ける licht aandraaien. ¶ 名を附ける naam geven, noemen. ¶ 人の後を附ける iemands spoor volgen. ¶ 氣を附ける aandacht vestigen; oppassen. ¶ 子供に財產を附ける kapitaal vastzetten op een kind. ¶ 道を附ける weg maken. ¶ 色を附ける kleuren. ¶ 値を附ける bieden voor.

tsukaisugiru使過ぎる

t.w. (1) [使過ぎる] te veel gebruiken. (2) [過勞] te hard laten werken; afbeulen. ¶ 身體を使過ぎる zich overwerken.

tsukamaru捉まる

(捕まる) i.w. gegrepen worden; gepakt worden; in handen vallen; (物によつて體を支へる) zich vastklemmen aan; goed vasthouden; vastklampen.

tsugunai

(償い) zn. vergoeding v.; schadeloosstelling v.; compensatie v.; indemniteit v.; boetedoening (贖罪) v.; zoengeld o. ¶ 償ふ vergoeden; schadeloosstellen; vergoeding geven; boete doen. ¶ 償ひ難き onherstelbaar; niet goed te maken. ¶ 損害を償ふ verlies vergoeden. ¶ 出費を償ふ de kosten dekken; zich bedruipen.

SUPPLEMENT (trefwoord)
shaberu喋る
(-r stam) (1) babbelen; kletsen; (niet serieus, vrijblijvend) praten; roddelen. ¶ 日本人遭遇して日本語めっちゃしゃべった。 Nihonjin to sōgōshite nihongo mettcha shabetta. Toevallig een Japanner ontmoet, we hebben tijdenlang gebabbeld. (twitter) (2) informatie doorvertellen die niet voor anderen bestemd is; zich iets laten ontvallen; zich verspreken; roddelen. ¶ しゃべってしまった shabette shimatta ik versprak me (twitter) ¶ 眠すぎて真実しゃべってしまった Nemusugite shinjitsu shabette shimatta Ik was te slaperig en liet me ontvallen hoe het werkelijk in elkaar zit. (twitter) ¶ あ、ごめんなさい。聞かれてもいない余計なことをしゃべってしまったと思って、ツイート消しちゃった。 A, gomen nasai. Kikarete mo inai yokei na koto wo shabette shimatta to omotte, twiito keshichatta. O, neem me niet kwalijk. Omdat ik dacht dat ik nodeloos uitweidde over dingen die me niet eens gevraagd waren had ik de tweet verwijderd. (twitter) (3) praten over iets. ¶ テレビでは、我が国の将来の問題を誰かが深刻なをしてしゃべっている。 Terebi de wa, wagakuni no shōrai no mondai wo dare ka ga shinkoku na kao wo shite shabette iru. Op TV is iemand met een ernstige blik over de problemen van ons land aan het praten. (4) (in) een taal praten; een taal spreken. (TTC) ¶ 彼ら英語をしゃべっていますか。 Karera wa eigo wo shabette imasu ka. Spreken ze Engels? (TTC) ¶ 彼はとうとう中国語をしゃべるようになりました。 Kare wa tōtō chūgokugo wo shaberu yō ni narimashita. Hij is eindelijk Chinees gaan praten. (twitter)
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <zich>
onore (1) zichzelf; zich; (2) ik; ikzelf; zelf [bescheiden tegenhanger van ware 我]; (3) [min.] jij; [min.;veroud.] gij; (4) zelf; in z'n eentje; in eigen persoon; vanzelf; uit zichzelf; (5) hela [heftige toeroep]; (6) komaan [kreet waarmee men zichzelf aanspoort]
ono (1) zelf; zich; zichzelf; (2) ik; (3) [min.] jij; gij; je; ge
押し込む oshikomu (1) zich; elkaar verdringen; drommen; dringen; samendrommen; [Belg.N.] drummen; op een kluitje gaan staan; dicht op elkaar gaan staan; elkaar verduwen; (2) proppen; duwen; wurmen; stoppen; stouwen; vol duwen; volstoppen; volproppen; opvullen; opproppen; (in een kleine ruimte) persen; (3) opsluiten; wegstoppen; insluiten; kooien; gevangenzetten; [i.h.b.] consigneren
改心する kaishinsuru zich bekeren; zich beter gaan gedragen; zich; z'n leven beteren; zich verbeteren; een beter mens worden; een nieuwe weg inslaan; de oude Adam afleggen; [bijb.] de nieuwe mens aandoen
unu (1) [min.] jij; (2) zich; zichzelf; (3) [= uitroep van verontwaardiging] tss; wel allemachtig!; jemig nog toe!
面々 menme zich; zichzelf
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.97 sec. jiten.nl: 198 treffers, warandict: 6 treffers (zoekopdracht: 'zich'). 
2005-2026