日蘭辭典+

22 resultaten voor ‘aantasten’
日蘭辭典 (trefwoord)
yamitsuku病つく
(病み付く) i.w. ziek worden; aangetast worden door; behept zijn met. ¶ 賭博に病つく aangetast worden door dobbelzucht.
utsuru移る

i.w. (1) [移轉] verhuizen. (2) [變る] veranderen. (3) [經つ] vergaan. (4) [感染する] besmetten; overgaan op; t.w. aantasten. ¶ 火が隣の家に移つた het vuur is overgeslagen op het huis ernaast. ¶ 流感が家內中にうつつた de heele familie is door influenza aangetast.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <aantasten>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
侵す okasu (1) [国を] binnenvallen; een inval doen in; binnendringen; [国境;領域を] schenden; (2) [権利を] inbreuk plegen; doen; maken op; krenken; schenden; aantasten; in z'n rechten benadelen; een aanslag doen op
侵害する shingaisuru overtreden; aantasten; schenden; inbreuk maken (op); met voeten treden
侵食する;侵蝕する shinshokusuru aantasten; [fig.] een aanslag doen op
傷付ける kizutsukeru (1) verwonden; blesseren; bezeren; kwetsen; een wond; wonden toebrengen aan; bewerken; toetakelen; (2) beschadigen; schade berokkenen; toebrengen; aantasten; krassen maken; bekrassen; bekerven; een barst; een kerf; barsten; kerven maken in; (3) [fig.] grieven; krenken; kwetsen; kneuzen; deren; afbreuk doen aan; schaden; [名声を~] bekladden; belasteren; bezwadderen
冒す okasu (1) trotseren; tarten; uitdagen; het hoofd bieden; braveren; [危険を] lopen; riskeren; wagen; op het spel zetten; in de waagschaal stellen; (2) [geneesk.] aantasten; schaden; treffen; (3) schenden; ontheiligen; profaneren; ontwijden; desacraliseren; violeren; afbreuk doen aan; lasteren; [veroud.;lit.t.] schennen; (4) [姓を] aannemen; voeren; dragen; [i.h.b.] claimen; usurperen; zich aanmatigen; zich uitgeven voor
加害する kagaisuru schade berokkenen; toebrengen; aantasten; schenden; schennen; kwetsen; krenken
害する gaisuru schaden; kwaad doen; schenden; benadelen; deren; beschadigen; bederven; krenken; afbreuk doen aan; schade berokkenen; letsel toebrengen; aantasten; geen goed doen
損なう;害う sokonau (1) schaden; aantasten; [楽しみを] bederven; vergallen; [感情を] kwetsen; aangrijpen; aanpakken; (2) er niet in slagen te ~; (3) verkeerd ~; mis-; (4) op een haar na ~; bijna ~
攻める semeru aanvallen; attaqueren; een aanval doen op; bestoken; aanpakken; aangrijpen; aantasten
毀損する kisonsuru (1) beschadigen; schade berokkenen; toebrengen; toetakelen; (2) [名誉を] aantasten; schaden; in diskrediet brengen; te schande maken; belasteren
浸食する shinshokusuru (1) eroderen; afslijten; inkankeren; (2) eroderen; uitbijten; uithollen; aantasten; corroderen; aanvreten; uitschuren; uitvreten; wegbijten; afknagen; inbijten in; invreten op; wegvreten; doorvreten; inwerken op; [geneesk.] etsen
痛める itameru (1) pijn doen; pijnigen; bezeren; beschadigen; verwonden; schaden; deren; aantasten; (2) laten bederven; tot bederf laten overgaan; (3) kwetsen; pijnlijk treffen; leed doen; verdrieten; zeer doen; grieven; smarten
破る yaburu (1) scheuren; stuktrekken; stukscheuren; doorscheuren; verscheuren; rijten; (2) breken; stukmaken; vernielen; afbreken; [een deur] inbeuken; forceren; openbreken; inslaan; [een ruit] intikken; stukslaan; verbrijzelen; [een muur] doorslaan; uitbreken; (3) [openbare orde] verstoren; [iemands droom] aan scherven slaan; [de harmonie] verbreken; [de stilte] doorbreken; [een record] verbeteren; breken; (4) [iemands plannen] doorkruisen; dwarsbomen; verijdelen; frustreren; (5) [zijn belofte] schenden; inbreken in [een gebouw]; [een bank] kraken; [een traditie] loslaten; [spelregels] overtreden; inbreuk maken op [iemands rechten]; met voeten treden; zondigen tegen [een gebod]; (6) ontsnappen uit [de gevangenis]; heenbreken door [een barrière]; uitbreken uit; (7) [de vijand] verslaan; overwinnen; [de tegenstander] kloppen; (8) verwonden; wonden; een wond toebrengen aan; kwetsen; blesseren; bezeren; [de huid] openhalen; (9) krenken; grieven; deren; aantasten; ontstemmen
移る utsuru (1) verhuizen; (2) veranderen; (3) [時が〜] voorbijgaan; passeren; (4) overgaan in; verworden tot; vergaan; (5) [病気が〜] overgaan op; aantasten; aansteken; (6) vervalen; valer worden; verschieten; verbleken
腐食する;腐蝕する fushokusuru (1) corroderen; eroderen; [i.h.b.] roesten; wegroesten; (2) corroderen; eroderen; aanvreten; aantasten; wegbijten
荒らす arasu (1) grondig in de war sturen; een puinhoop maken van; in puin leggen; helemaal overhoop halen; zwaar toetakelen; schade aanrichten; toebrengen; berokkenen; beschadigen; in de vernieling helpen; verwoestingen; vernielingen aanrichten; havenen; aantasten; teisteren; vernielen; verwoesten; ruïneren; [inform.] naar de verdommenis helpen; te gronde richten; (2) schenden; overvallen; onder de voet lopen; een overval uitvoeren; plunderen; beplunderen; brandschatten; afstropen; beroven; (3) [手を] ruw maken
虫食む mushibamu (1) wormstekig worden; door houtworm aangetast worden; aangevreten worden; (2) aantasten; aanvreten; bederven; [fig.] ondergraven; ondermijnen
踏み潰す fumitsubusu (1) plattrappen; plattreden; platlopen; onder de voet treden; stuktrappen; vertrappen; vertrappelen; vertreden; neertrappen; aftrappen; (2) [敵を] onder de voet lopen; verpletteren; vernietigen; (3) [面目を] vertreden; met voeten treden; door het slijk halen; krenken; aantasten; aanranden
関する kansuru (1) te maken hebben met; betreffen; aangaan; (2) aantasten; beïnvloeden; raken aan
食い込む kuikomu (1) inbijten op; in; invreten op; in; inknagen in; insnijden in; diep ingaan; zich heen werken door; eroderen; corroderen; (2) aantasten; knagen aan; inbreken in; inbreuk maken op; diep ingrijpen in; erin hakken; [時間に] beslag leggen op; een aanslag doen op; (3) [hand.] in de rode cijfers komen; een tekort; nadelig saldo opleveren; een verlies lijden
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.26 sec. jiten.nl: 2 treffers, warandict: 20 treffers (zoekopdracht: 'aantasten'). 
2005-2026