RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <familie>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
De weergave van het Japans van de resultaten hieronder is gespeld in een vorm van
waapuro-spelling. De spelling komt overeen met de originele spelling in
hiragana in het Japans. De verschillen met de
Hepburn-spelling van de overige resultaten zijn eenvoudig:
| spelling |
uitspraak |
| uu |
lang aangehouden /oe/ (Hepburn spelling: ū) |
| ou |
lang aangehouden /o/ (Hepburn spelling: ō) |
| (soms, als in 酔う you "dronken zijn") uitspraak: /o/ + /oe/ |
| ei |
lang aangehouden /ee/ (dit is identiek in Hepburn spelling) |
| ha |
/ha/ (identiek aan Nederlands en Hepburn spelling) |
| alleen voor het partikel は: uitspraak /wa/ |
| he |
/he/ (identiek aan Nederlands en Hepburn spelling |
| alleen voor het partikel へ: uitspraak /e/ |
[verberg]
ファミリー famirii gezin; familie
一家 ikka (1) familie; de gehele familie; (2) huis; huishouden; (3) stijl
一筋;一条 hitosuji (1) lijn; streep; striem; straal; streng; (2) familie; geslacht; clan; huis; (3) kunst; vaardigheid; (4) honderd aan een snoer geregen muntstukken; (5) gewone maatregelen; gebruikelijke methode; (6) gewoon; normaal; gebruikelijk; (7) toegewijd; noest; ernstig; ijverig; vlijtig; (8) vlot; ongehinderd; zonder hapering; vloeiend
一門 ichimon (1) familie; geslacht; clan; (2) [rel.;wetensch.;kunstt.] school; (3) identieke klasse; (4) [boeddh.] toegangspoort tot de verlichting; (5) [boeddh.] één benadering; interpretatie; (6) een kanon; een stuk geschut
内輪の uchiwano (1) besloten; ~ in familiekring; privé-; familie-; (2) voorzichtig; bescheiden; gematigd; moderaat
家名 kamei (1) familienaam; geslachtsnaam; achternaam; [i.h.b.] familiehoofdschap ; (2) familie-eer; familiereputatie
家庭 katei familie; huishouden; thuis; gezin; huisgezin
家庭の kateino gezins-; familie-; het gezin; huishouden betreffend; huishoudelijk; huiselijk
家族 kazoku (1) familie; gezin; huisgezin; (2) [maatwoord voor families]
家族連れ kazokuzure [~で] met z'n gezin; familie; vergezeld van gezin; familie
家 ie (1) woning; (2) huis; behuizing; thuis; [後ろの] achterhuis; (3) huishouden; familie
家 ke (1) huis; (2) familie; geslacht; stamhuis
所帯 shotai (1) huishouding; huishouden; [niet alg.] menage; (2) gezinsleven; (3) gezin; huisgezin; familie; (4) vermogen; status
所 toko (1) plaats; plek; (2) huis; thuis; (3) familie; afkomst; (4) moment; (5) geval; (6) […がとこ] ten bedrage van
族 zoku -familie; -stam; -ras; -dom; [chem.] -groep
族 yakara (1) geslacht; clan; familie; [Barg.;volkst.] troep; (2) kliek; clique; coterie; partij; bende; gang; [pej.] zootje; stelletje
氏族 shizoku (1) clan; clangemeenschap; sibbe; [Lat.] gens; (2) familie; geslacht
氏 shi (1) hij; hem; [attr.] zijn; (2) [afk.] dhr.; de heer; [afk.] M.; mijnheer; [mv.;afk.] HH.; [mv.] de heren; (3) familie; geslacht; [i.h.b.] clan; (4) x heren
生まれ;生れ umare (1) geboorte; (2) afkomst; afstamming; geslacht; familie; (3) karakter; aard; inborst; natuur; (4) geboorteplaats
生まれのよい umarenoyoi van goeden; welgestelden; aanzienlijken huize; van goede komaf; familie
種族 shuzoku (1) ras; stam; volksstam; (2) [biol.] soort; speciës; [verk.] spec.; familie
素生;素性;素姓;種姓 sujou (1) afkomst; geboorte; afstamming; familie; huize; komaf; origine; descendentie; (2) identiteit; wie men is en waar men vandaan komt; (3) (iems.) verleden; achtergrond; antecedenten; voorgeschiedenis; [fig.] vorig leven
親族 shinzoku (1) familie; verwant; (2) [jur.] bloedverwanten en aanverwanten; naaste verwanten
親身 shinmi bloedverwant; familie; naaste verwanten; familieleden; z'n eigen vlees en bloed
親 shin (1) genegenheid; affectie; (2) bloedverwantschap; verwantschap; familie; (3) pro-; fil-; -fiel; (a) ouders; (b) bloedverwanten; (c) familiariteit; genegenheid; (d) eigenhandig; zelf; persoonlijk
身内 miuchi (1) familie; familielid; bloedverwant; verwant; naaste; (2) collega; (3) trawant; handlanger; medebendelid; (4) (over heel) z'n lichaam
門 kado (1) poort; (2) stoep aan de poort; pui; [i.h.b.] voortuin; (3) huis; geslacht; familie; (a) poort