
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (trefwoord)
ba-ai・場合
zn. geval (折) o.; gelegenheid (事情) v.; omstandigheid (狀態) v. ¶ 此の樣の場合には inzoon geval; bij zulk een gelegenheid. ¶ 必要の場合に in geval van nood. ¶ それは場合による dat hangt van de omstandigheden af. ¶ 場合に寄っては naargelang van omstandigheden.
SUPPLEMENT (trefwoord)
kyūsureba tsūzu・窮すれば通ず
(zegswijze) wanneer de situatie hopeloos lijkt zal men geprikkeld door noodzaak toch een manier vinden om de moeilijkheden te overwinnen; als de nood (op) het hoogst is, is de redding (het meest) nabij; (veroud.) hoe groter (de) nood, hoe nader God.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <nood>
まさか masaka (1) nood; noodgeval; noodsituatie; (2) nee toch; toch niet; dat zal wel; maar niet heus [in combinatie met ironie of negatie]; (3) 't is toch niet waar!; je gaat me toch niet vertellen dat ~; dat meen je niet!; dat kan je toch niet menen!; wat vertel je me nou?; och wat!; ga weg!; kom nou toch; wat nou; nou; zeg!; nee maar! [uiting van verbazing of ongeloof]
ピンチ pinchi knel; nood; moeilijke situatie; noodsituatie; penarie
一時の ichijino tijdelijk; voorlopig; voorbijgaand; voorbijtrekkend; kortstondig; korttijdig; kortwijlig; vluchtig; efemeer; efemerisch; vergankelijk; van zeer korte duur; nood-; geïmproviseerd
一時凌ぎの ichijishinogino tijdelijk; provisorisch; voorlopig; nood-; houtje-touwtje-; geïmproviseerd
万が一 mangaichi (1) [geval van] nood; zeldzaam geval; onwaarschijnlijk geval; het ergste; het uiterste; het ongunstigste; het slechtste; slechtere tijden; (2) mocht (het zo zijn dat) ~; in het [onwaarschijnlijke enz.] geval dat ~; [gew.] moest ~
万一 man'ichi (1) [geval van] nood; zeldzaam geval; onwaarschijnlijk geval; het ergste; het uiterste; het ongunstigste; het slechtste; slechtere tijden; (2) mocht (het zo zijn dat) ~; in het [onwaarschijnlijke enz.] geval dat ~; [gew.] moest ~
不足 fusoku (1) gebrek; ontoereikendheid; ongenoegzaamheid; inadequatie; inadequaatheid; tekort; nood; behoefte; deficiëntie; schaarste; krapte; (2) ontevredenheid; ongenoegen; onvrede; misnoegdheid; onvoldaanheid; misnoegen; mishagen; [veroud.] ongeneugte; (3) ontoereikend; insuffisant; onvoldoend; ongenoegzaam; inadequaat; deficiënt; (4) ontevreden; onvoldaan; misnoegd
仮の karino (1) tijdelijk; voorlopig; temporair; provisorisch; provisioneel; tussentijds; ad interim; waarnemend; geïmproviseerd; nood-; [scheepv.] jurrie-; (2) informeel; niet officieel; vrijblijvend; (3) voorbijgaand; vluchtig; kortstondig; vergankelijk; transitoir; transitorisch; tentatief; proef-; (4) aangenomen; voorgewend; verzonnen; onecht; vals
仮 kari (a) provisorisch; voorlopig; tijdelijk; van tijdelijke aard; nood-; interim-; overgangs-; vervang-; (b) onecht; inauthentiek; schijn-; pseudo-; (c) hypothetisch; aangenomen
困窮 konkyū (1) nood; gebrek; penarie; penurie; moeilijke; behoeftige; benarde omstandigheden; kommer; (2) armoede; armoe; behoeftigheid; noodlijdendheid
困難 konnan (1) moeilijkheid; hindernis; obstakel; (2) nood; ontbering; beproeving; (3) beproeving; moeite; ongeluk; bezoeking; (4) verwarring; verlegenheid; het niet goed weten wat men moet doen; (5) moeilijk; niet gemakkelijk; problematisch; (6) vervelend; lastig; hinderlijk; onaangenaam; naar; (7) gênant; lastig; verlegen makend; ongemakkelijk; ongelukkig; pijnlijk; [Belg.N.;spreekt.] ambetant; (8) hard; bitter; doornig; vol doornen en distels; moeilijk; verdrietelijk
姑息 kosoku voorlopig; tijdelijk; nood-; lenigend; gedeeltelijk; halfslachtig; onvolkomen; oppervlakkig; kortetermijn-; tussentijds
当座の tōzano (1) tegenwoordig; actueel; huidig; momentaan; onmiddellijk; (2) tijdelijk; voorlopig; temporair; temporeel; temporaal; geïmproviseerd; nood-
当面の tōmenno (1) onderhavig; in kwestie; zich voordoend; gegeven; voorliggend; in casu; actueel; (2) proef-; voorlopig; nood-
必要 hitsuyō (1) noodzaak; noodzakelijkheid; nood; behoefte; vereiste; moet; necessiteit; [arch.] noodwendigheid; (2) noodzakelijk; nodig; genoodzaakt; benodigd; vereist; [arch.] noodwendig
応急 ōkyū spoed-; nood-
応急の ōkyūno nood-; spoed-; voorlopig; tijdelijk; geïmproviseerd
急 kyū (1) noodgeval; onverwachte of onvoorziene gebeurtenis; crisis; nood; noodtoestand; (2) abruptheid; plotse gebeurtenis; (3) steilheid; (4) scherpte; (5) snelheid
悩み nayami zorgen; problemen; moeilijkheden; beslommeringen; sores; trubbels; nood; lijden; leed; kommer; smart; pijn; [gew.] kwel
憂さ usa zorgen; nood; leed; verdriet; smart; kommer
払底 futtei schaarste; tekort; gebrek; nood
押せ押せ oseose (1) nood; benauwdheid; [i.h.b.] tijdsdruk; tijdsnood; (2) [sportt.] forcing
救急 kyūkyū [geneesk.] eerstehulp-; spoed-; EHBO-; nood-
日照り;旱り hideri (1) zonneschijn; (2) droogte; droge periode; droog weer; (3) gebrek; schaarste; tekort; nood
煩悶 hanmon zielenleed; leed; kommer; smart; beklemming; lijden; nood; torment; kwelling
緊急事態 kinkyūjitai noodtoestand; noodsituatie; nood; alarmtoestand; crisis
緩急 kankyū (1) glooiing en; of steilte; traagheid en; of spoed; mildheid en; of strengheid; (2) nood; noodgeval; (3) kankyū [soort kansspel met twee dobbelstenen waarbij de inzet die correspondeert met de som van de geworpen ogen gewonnen kan worden]
羽目;破目 hame (1) paneel; plaat; beschot; betimmering; beschieting; beschotwerk; wandpaneel; wandplaat; wandbeschot; lambrisering; lambriseringsbeschot; (2) (破目)ongemak; klem; knoei; knel; nood; penarie; verlegenheid; moeilijkheden; narigheid; onaangename; netelige; penibele situatie; lastig; moeilijk parket; benarde positie; mooie boel; puree; [gew.] ambras; embarras
至急 shikyū (1) nood; urgentie; noodgeval; noodsituatie; [attr.] urgent; [attr.] dringend; [attr.] spoedeisend; [attr.] expres(se)-; (2) meteen; onverwijld; prompt; stante pede; zo spoedig mogelijk; zo gauw mogelijk; zo snel mogelijk; [arch.] zo dra mogelijk; ten spoedigste; zonder verwijl; onmiddellijk; dadelijk; direct; zonder tijd te verliezen
苦しみ kurushimi (1) pijn; lijden; leed; smart; [お産の] weeën; (2) ontbering; last; moeilijkheid; nood; kommer; kwelling; ellende; beproeving
苦労 kurō (1) moeilijkheden; probleem; ellende; miserie; nood; (2) grote moeite; zware last; zware arbeid; gezwoeg; geploeter; (3) zorg; bezorgdheid; ongerustheid; angst; vrees
苦難 kunan leed; lijden; pijn; smart; beproeving; ellende; ongemak; nood
要 yō (1) hoofdzaak; essentie; kern; kernpunt; hoofdpunt; spil (waar alles om draait); hoofddoel; hoofdbedoeling; (2) nood; noodzaak; vereiste; must; (3) noodzakelijk; vereist; nodig; (a) eisen; vorderen; vergen; (b) onontbeerlijk; nodig; noodzakelijk zijn; (c) besluiten; samenvatten; (d) kern; hoofdzaak; spil; (e) wachten; opwachten
逼迫 hippaku (1) krapte; nood; benauwdheid; benardheid; penarie; (2) nijping; benauwing
金欠 kinketsu geldgebrek; geldnood; geldtekort; gebrek; nood; tekort aan geld; geldelijke verlegenheid
難 nan (1) moeilijkheid; probleem; (2) moeilijke omstandigheden; problemen; nood; last; (3) onheil; ramp; (4) gebrek; onvolkomenheid; tekortkoming; (5) kritiek; bezwaar; aanmerking
難儀 nangi (1) leed; lijden; nood; penarie; ontbering; tegenspoed; tegenslag; beproeving; narigheid; netelige situatie; lastig parket; (2) moeilijkheden; problemen; last; zorg; moeite; (3) iets belangrijks; serieuze zaak; (4) moeilijk; zwaar; hard; lastig; problematisch; vermoeiend; afmattend; benard
非常 hijō (1) nood; noodgeval; emergency; uitzonderlijkheid; (2) buitengewoon; bijzonder; ongewoon; ongemeen; buitengemeen; extreem; immens; enorm; grandioos; verschrikkelijk; onbegrijpelijk; (3) [~に] (heel) erg; heel; zeer; buitengewoon; buitengemeen; hevig; enorm; ongemeen; ongewoon; geweldig; ontzaglijk; intens; vehement; extreem; bijzonder; uitzonderlijk; mateloos; danig; hoogst; zeerst; uiterst; in hoge mate; ontzettend; razend; verschrikkelijk; vreselijk; bot; bar; … tot-en-met; reuze …; machtig; uitermate; bovenmate; buitenmate; hooglijk; deerlijk; grotelijks; schromelijk; angstig [klein enz.]; [inform.] ontiegelijk; [inform.] hartstikke; [inform.] onwijs; [inform.] stierlijk; dol-; [inform.] oer-; over-; steen-; [inform.] kei-
Tijd: 1.53 sec. jiten.nl: 3 treffers, warandict: 38 treffers (zoekopdracht: 'nood').
2005-2026
