日蘭辭典+

41 resultaten voor ‘nood’
日蘭辭典 (trefwoord)
ba-ai場合

zn. geval (折) o.; gelegenheid (事情) v.; omstandigheid (狀態) v. ¶ 此の樣の場合には inzoon geval; bij zulk een gelegenheid. ¶ 必要の場合に in geval van nood. ¶ それは場合による dat hangt van de omstandigheden af. ¶ 場合に寄っては naargelang van omstandigheden.

yūji有事

zn. geval van nood. ¶ 有事の日には in geval van nood; zoodra er iets aan de hand is.

SUPPLEMENT (trefwoord)
kyūsureba tsūzu窮すれば通ず
(zegswijze) wanneer de situatie hopeloos lijkt zal men geprikkeld door noodzaak toch een manier vinden om de moeilijkheden te overwinnen; als de nood (op) het hoogst is, is de redding (het meest) nabij; (veroud.) hoe groter (de) nood, hoe nader God.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <nood>
まさか masaka (1) nood; noodgeval; noodsituatie; (2) nee toch; toch niet; dat zal wel; maar niet heus [in combinatie met ironie of negatie]; (3) 't is toch niet waar!; je gaat me toch niet vertellen dat ~; dat meen je niet!; dat kan je toch niet menen!; wat vertel je me nou?; och wat!; ga weg!; kom nou toch; wat nou; nou; zeg!; nee maar! [uiting van verbazing of ongeloof]
ピンチ pinchi knel; nood; moeilijke situatie; noodsituatie; penarie
一時の ichijino tijdelijk; voorlopig; voorbijgaand; voorbijtrekkend; kortstondig; korttijdig; kortwijlig; vluchtig; efemeer; efemerisch; vergankelijk; van zeer korte duur; nood-; geïmproviseerd
一時凌ぎの ichijishinogino tijdelijk; provisorisch; voorlopig; nood-; houtje-touwtje-; geïmproviseerd
万が一 mangaichi (1) [geval van] nood; zeldzaam geval; onwaarschijnlijk geval; het ergste; het uiterste; het ongunstigste; het slechtste; slechtere tijden; (2) mocht (het zo zijn dat) ~; in het [onwaarschijnlijke enz.] geval dat ~; [gew.] moest ~
万一 man'ichi (1) [geval van] nood; zeldzaam geval; onwaarschijnlijk geval; het ergste; het uiterste; het ongunstigste; het slechtste; slechtere tijden; (2) mocht (het zo zijn dat) ~; in het [onwaarschijnlijke enz.] geval dat ~; [gew.] moest ~
不足 fusoku (1) gebrek; ontoereikendheid; ongenoegzaamheid; inadequatie; inadequaatheid; tekort; nood; behoefte; deficiëntie; schaarste; krapte; (2) ontevredenheid; ongenoegen; onvrede; misnoegdheid; onvoldaanheid; misnoegen; mishagen; [veroud.] ongeneugte; (3) ontoereikend; insuffisant; onvoldoend; ongenoegzaam; inadequaat; deficiënt; (4) ontevreden; onvoldaan; misnoegd
仮の karino (1) tijdelijk; voorlopig; temporair; provisorisch; provisioneel; tussentijds; ad interim; waarnemend; geïmproviseerd; nood-; [scheepv.] jurrie-; (2) informeel; niet officieel; vrijblijvend; (3) voorbijgaand; vluchtig; kortstondig; vergankelijk; transitoir; transitorisch; tentatief; proef-; (4) aangenomen; voorgewend; verzonnen; onecht; vals
kari (a) provisorisch; voorlopig; tijdelijk; van tijdelijke aard; nood-; interim-; overgangs-; vervang-; (b) onecht; inauthentiek; schijn-; pseudo-; (c) hypothetisch; aangenomen
困窮 konkyū (1) nood; gebrek; penarie; penurie; moeilijke; behoeftige; benarde omstandigheden; kommer; (2) armoede; armoe; behoeftigheid; noodlijdendheid
困難 konnan (1) moeilijkheid; hindernis; obstakel; (2) nood; ontbering; beproeving; (3) beproeving; moeite; ongeluk; bezoeking; (4) verwarring; verlegenheid; het niet goed weten wat men moet doen; (5) moeilijk; niet gemakkelijk; problematisch; (6) vervelend; lastig; hinderlijk; onaangenaam; naar; (7) gênant; lastig; verlegen makend; ongemakkelijk; ongelukkig; pijnlijk; [Belg.N.;spreekt.] ambetant; (8) hard; bitter; doornig; vol doornen en distels; moeilijk; verdrietelijk
姑息 kosoku voorlopig; tijdelijk; nood-; lenigend; gedeeltelijk; halfslachtig; onvolkomen; oppervlakkig; kortetermijn-; tussentijds
当座の tōzano (1) tegenwoordig; actueel; huidig; momentaan; onmiddellijk; (2) tijdelijk; voorlopig; temporair; temporeel; temporaal; geïmproviseerd; nood-
当面の tōmenno (1) onderhavig; in kwestie; zich voordoend; gegeven; voorliggend; in casu; actueel; (2) proef-; voorlopig; nood-
必要 hitsuyō (1) noodzaak; noodzakelijkheid; nood; behoefte; vereiste; moet; necessiteit; [arch.] noodwendigheid; (2) noodzakelijk; nodig; genoodzaakt; benodigd; vereist; [arch.] noodwendig
応急 ōkyū spoed-; nood-
応急の ōkyūno nood-; spoed-; voorlopig; tijdelijk; geïmproviseerd
kyū (1) noodgeval; onverwachte of onvoorziene gebeurtenis; crisis; nood; noodtoestand; (2) abruptheid; plotse gebeurtenis; (3) steilheid; (4) scherpte; (5) snelheid
悩み nayami zorgen; problemen; moeilijkheden; beslommeringen; sores; trubbels; nood; lijden; leed; kommer; smart; pijn; [gew.] kwel
憂さ usa zorgen; nood; leed; verdriet; smart; kommer
払底 futtei schaarste; tekort; gebrek; nood
押せ押せ oseose (1) nood; benauwdheid; [i.h.b.] tijdsdruk; tijdsnood; (2) [sportt.] forcing
救急 kyūkyū [geneesk.] eerstehulp-; spoed-; EHBO-; nood-
日照り;旱り hideri (1) zonneschijn; (2) droogte; droge periode; droog weer; (3) gebrek; schaarste; tekort; nood
煩悶 hanmon zielenleed; leed; kommer; smart; beklemming; lijden; nood; torment; kwelling
緊急事態 kinkyūjitai noodtoestand; noodsituatie; nood; alarmtoestand; crisis
緩急 kankyū (1) glooiing en; of steilte; traagheid en; of spoed; mildheid en; of strengheid; (2) nood; noodgeval; (3) kankyū [soort kansspel met twee dobbelstenen waarbij de inzet die correspondeert met de som van de geworpen ogen gewonnen kan worden]
羽目;破目 hame (1) paneel; plaat; beschot; betimmering; beschieting; beschotwerk; wandpaneel; wandplaat; wandbeschot; lambrisering; lambriseringsbeschot; (2) (破目)ongemak; klem; knoei; knel; nood; penarie; verlegenheid; moeilijkheden; narigheid; onaangename; netelige; penibele situatie; lastig; moeilijk parket; benarde positie; mooie boel; puree; [gew.] ambras; embarras
至急 shikyū (1) nood; urgentie; noodgeval; noodsituatie; [attr.] urgent; [attr.] dringend; [attr.] spoedeisend; [attr.] expres(se)-; (2) meteen; onverwijld; prompt; stante pede; zo spoedig mogelijk; zo gauw mogelijk; zo snel mogelijk; [arch.] zo dra mogelijk; ten spoedigste; zonder verwijl; onmiddellijk; dadelijk; direct; zonder tijd te verliezen
苦しみ kurushimi (1) pijn; lijden; leed; smart; [お産の] weeën; (2) ontbering; last; moeilijkheid; nood; kommer; kwelling; ellende; beproeving
苦労 kurō (1) moeilijkheden; probleem; ellende; miserie; nood; (2) grote moeite; zware last; zware arbeid; gezwoeg; geploeter; (3) zorg; bezorgdheid; ongerustheid; angst; vrees
苦難 kunan leed; lijden; pijn; smart; beproeving; ellende; ongemak; nood
(1) hoofdzaak; essentie; kern; kernpunt; hoofdpunt; spil (waar alles om draait); hoofddoel; hoofdbedoeling; (2) nood; noodzaak; vereiste; must; (3) noodzakelijk; vereist; nodig; (a) eisen; vorderen; vergen; (b) onontbeerlijk; nodig; noodzakelijk zijn; (c) besluiten; samenvatten; (d) kern; hoofdzaak; spil; (e) wachten; opwachten
逼迫 hippaku (1) krapte; nood; benauwdheid; benardheid; penarie; (2) nijping; benauwing
金欠 kinketsu geldgebrek; geldnood; geldtekort; gebrek; nood; tekort aan geld; geldelijke verlegenheid
nan (1) moeilijkheid; probleem; (2) moeilijke omstandigheden; problemen; nood; last; (3) onheil; ramp; (4) gebrek; onvolkomenheid; tekortkoming; (5) kritiek; bezwaar; aanmerking
難儀 nangi (1) leed; lijden; nood; penarie; ontbering; tegenspoed; tegenslag; beproeving; narigheid; netelige situatie; lastig parket; (2) moeilijkheden; problemen; last; zorg; moeite; (3) iets belangrijks; serieuze zaak; (4) moeilijk; zwaar; hard; lastig; problematisch; vermoeiend; afmattend; benard
非常 hijō (1) nood; noodgeval; emergency; uitzonderlijkheid; (2) buitengewoon; bijzonder; ongewoon; ongemeen; buitengemeen; extreem; immens; enorm; grandioos; verschrikkelijk; onbegrijpelijk; (3) [~に] (heel) erg; heel; zeer; buitengewoon; buitengemeen; hevig; enorm; ongemeen; ongewoon; geweldig; ontzaglijk; intens; vehement; extreem; bijzonder; uitzonderlijk; mateloos; danig; hoogst; zeerst; uiterst; in hoge mate; ontzettend; razend; verschrikkelijk; vreselijk; bot; bar; … tot-en-met; reuze …; machtig; uitermate; bovenmate; buitenmate; hooglijk; deerlijk; grotelijks; schromelijk; angstig [klein enz.]; [inform.] ontiegelijk; [inform.] hartstikke; [inform.] onwijs; [inform.] stierlijk; dol-; [inform.] oer-; over-; steen-; [inform.] kei-
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.24 sec. jiten.nl: 3 treffers, warandict: 38 treffers (zoekopdracht: 'nood'). 
2005-2026