RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <gelegenheid>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
De weergave van het Japans van de resultaten hieronder is gespeld in een vorm van
waapuro-spelling. De spelling komt overeen met de originele spelling in
hiragana in het Japans. De verschillen met de
Hepburn-spelling van de overige resultaten zijn eenvoudig:
| spelling |
uitspraak |
| uu |
lang aangehouden /oe/ (Hepburn spelling: ū) |
| ou |
lang aangehouden /o/ (Hepburn spelling: ō) |
| (soms, als in 酔う you "dronken zijn") uitspraak: /o/ + /oe/ |
| ei |
lang aangehouden /ee/ (dit is identiek in Hepburn spelling) |
| ha |
/ha/ (identiek aan Nederlands en Hepburn spelling) |
| alleen voor het partikel は: uitspraak /wa/ |
| he |
/he/ (identiek aan Nederlands en Hepburn spelling |
| alleen voor het partikel へ: uitspraak /e/ |
[verberg]
ゆとり yutori (1) ruimte; plaats; gelegenheid; [fig.] speelruimte; speling; vrije tijd; (2) financiële ruimte; marge; manoeuvreerruimte; bewegingsruimte; bewegingsvrijheid; armslag; (3) experimenteerruimte
ケース keesu (1) geval; case; voorval; gelegenheid; (2) etui; doosje; zakdoosje; tasje; foedraal
チャンス chansu kans; gelegenheid
世 yo (1) mensenleven; leven; levensduur; levenstijd; generatie; (2) tijdperk; tijd; era; [i.h.b.] heerschappij; regering; (3) familiehoofdschap; patriarchaat; (4) [boeddh.] leven; bestaan; existentie; (5) [boeddh.] lekenbestaan; lekenwereld; seculiere; profane wereld; (6) samenleving; maatschappij; leven; wereld; (7) maatschappelijke positie; stand; (8) tijdsgeest; tijdstroom; trend; (9) levensonderhoud; kost; (10) periode; tijd; gelegenheid; moment; (11) land; rijk; (12) relatie; liaison; liefdesbetrekking
便 bin (1) gelegenheid; opportuniteit; (2) post; brieven; [i.h.b.] postbestelling; (3) verbinding; dienst; lijn; [i.h.b.] vlucht; (4) [maatwoord voor verbindingen;lijnen]
便 ben (1) gemak; gerief; conveniëntie; gelegenheid; gerieflijkheid; comfort; faciliteit; accommodatie; voorziening; (2) excreten; [i.h.b.] feces; poep; excrement; ontlasting; stoelgang; afgang; [med.] dejectie; [kindert.] bah
具合 guai (1) staat; toestand; situatie; (2) gezondheidstoestand; (3) gelegenheid; goede gelegenheid; gepastheid; geschiktheid; (4) fatsoen; goede manieren; (5) manier; methode; wijze van doen; wijze van handelen
切っ掛け kikkake (1) start; aanzet; begin; signaal; (2) kans; gelegenheid; aanleiding; (3) aanknopingspunt; hint; aanwijzing; houvast; spoor; [fig.] ingang
勝手 katte (1) keuken; (2) toestand waarin iem. verkeert; iems. omstandigheden; (3) gemak; gelegenheid; comfort; gerief; gerieflijkheid; voordeel; [i.h.b.] eigenbelang; (4) plaatselijke gesteldheid; lokale omstandigheden; inrichting; (5) zelfzuchtig; egoïstisch; eigengerechtig; solistisch; eigengereid
場合 baai (1) geval; gelegenheid; moment; ogenblik; (2) omstandigheden; situatie
場 ba (1) plek; plaats; [i.h.b.] zitplaats; (2) ruimte; plaats; (3) omstandigheden; gelegenheid; (4) [ton.;film] scène; (5) beursvloer; beurssessie; effectenhandel; effectenmarkt; (6) veld; terrein
契機 keiki (1) kans; gelegenheid; geschikte omstandigheid; aanleiding; (2) (in de filosofie) moment
席 seki (1) zitplaats; plaats; zitgelegenheid; zitje; zetel; gestoelte; (2) locatie; gelegenheid; [i.h.b.] bijeenkomst; (3) positie; betrekking; post; functie; (4) variététheater; (5) rieten mat; bamboemat; (6) [maatwoord voor zitplaatsen;plaatsen]
序で;序;次;第;次第;嗣 tsuide kans; gelegenheid; opportuniteit
度 tabi (1) keer; maal; gelegenheid; -werf; (2) elke keer (als; dat); iedere keer (als; dat); telkens (als; wanneer); telkenmale (als; dat)
所;処 tokoro (1) plaats; plek; stee; oord; zetel [der regering enz.]; gebied; lokatie; ruimte; afstand; ligging; (2) adres; verblijfplaats; (3) [bij iem.] thuis; (4) [~の] streek-; … van het platteland; plaatselijk; plaatselijke; gewestelijk; gewestelijke; (5) deel; gedeelte; stuk; passage; (6) [弱い;強い] punt; kant; trek; (7) positie; rol; (8) omstandigheid; geval; gelegenheid; (9) [maatwoord voor plekken;stuks e.d.]; (10) [maatwoord voor godheden;edellieden e.d.]; (11) [op het] moment [dat …]; de tijd dat …; [op het] punt [staan te …]; [op het] ogenblik [dat …]; (12) een kwestie van …; in de orde van …; (13) dat wat …; datgene wat …; (14) waaraan; waarover; (15) toen …; wanneer …
折り ori (1) gelegenheid; moment; keer; kans; (2) wanneer; (3) vouw; (4) … keer gevouwen; toegevouwen
拍子 hyoushi (1) [muz.] maat; ritme; tempo; (2) gelegenheid; moment; ogenblik; (3) [maatwoord voor maten;ritmes]
改まった席 aratamattaseki formele bijeenkomst; gelegenheid; officiële plechtigheid; plechtige vergadering; academische zitting
施設 shisetsu (1) instituut; instelling; inrichting; tehuis; gesticht; (2) voorziening; gelegenheid; faciliteit; installatie
日;陽 hi (1) zon; daglicht; zonlicht; zonneschijn; zonnetje; [Barg.] lichterik; [uitdr.] vorstin des hemels; [uitdr.] vorstin van het licht; [veroud.] de grote toorts; (2) dag [i.t.t. nacht]; (3) etmaal; dag; dies; dagje; [veroud.] pond; (4) tijdstip; gelegenheid; dag; (5) datum
時分 jibun (1) periode; tijd; (2) juist moment; geschikt ogenblik; opportuniteit; gelegenheid; kans
時;秋 toki (1) tijd; [arch.] stond; (2) tijd; periode; [i.h.b.] seizoen; (3) [in die] tijden; [in die] dagen; toenmalig; (4) allesbeslissend moment; kritiek punt; scharniermoment [spelling: toki 秋]; (5) kans; gunstige gelegenheid; gelegen tijd; (6) [spraakk.] tijd; tempus; (7) geval; keer; gelegenheid; moment; ogenblik; (8) toen; wanneer
暇;隙;閑 hima (1) vrijaf; vrij; vrije tijd; vrije uren; (2) tijd (om iets te doen); gelegenheid; kans; (3) vakantie; [i.h.b.] verlof; (4) verbreking; [i.h.b.] ontslag; [i.h.b.] scheiding; (5) slappe tijd; slapte [in handel]; komkommertijd [in nieuws]; (6) vrij; ~ waarin niet gearbeid wordt; arbeidsloos; (7) [m.b.t. handel] slap; slapjes; slepend; stil; [van markt] traag
機会 kikai kans; gelegenheid; aanleiding
機縁 kien (1) [boeddh.] aanleg voor en voorbeschiktheid tot de leer; (2) aanleiding; gelegenheid; kans; motief; oorzaak; karma
機 ki (1) gelegenheid; kans; tijd; moment; opportuniteit; omstandigheden; juiste ogenblik; (2) machine; toestel; (werk)tuig; apparaat; installatie; (3) vliegtuig; toestel; [veroud.] vliegmachine; [w.g.] vliegtoestel; (4) [maatwoord voor vliegtuigen]
潮 shio (1) getijde; getij; tij; (2) zeewater; zeenat; (3) kans; gelegenheid; mogelijkheid; [Belg.N.] occasie
瀬 se (1) ondiepte; wad; voord; voorde; (2) stroomversnelling; krachtige stroom; snelle vliet; (3) stroming; getijdestroming; (4) positie; situatie; (5) kans; gelegenheid; (6) aspect; punt
状態;情態 joutai toestand; gesteldheid; staat; stand (van zaken); status; omstandigheden; gebeuren; situatie; gelegenheid; conditie; constellatie; [inform.] bedoening
番い tsugai (1) paar; stel; koppel; span; (2) groep; ploeg; troep; ensemble; team; toom; (3) partner; wederhelft; (4) ploegendienst; shift; (5) verbinding; verbindingsstuk; voeg; (6) gewricht; geleding; scharnier; (7) moment; gelegenheid; (8) [maatwoord voor groepen;ploegen]
節 setsu (1) tijd; gelegenheid; keer; (2) principes; beginselen; stelregels; (3) alinea; paragraaf; afdeling; [lit.t.] strofe; couplet; stanza; (4) [spraakk.] zinsnede; passus; (5) [bijb.] vers; (6) segment; geleding
運 un (1) lot; toeval; (2) geluk; voorspoed; fortuin; (3) kans; gelegenheid
都合 tsugou (1) geschiktheid; moment; gelegenheid; gemak; conveniëntie; voordeel; belang; (2) redenen; omstandigheden; (3) in totaal; alles bij elkaar; alles samen; alles erop en eraan; welgeteld; in summa; in toto
間 ma (1) ruimte; plaats; tussenruimte; interval; entre-deux; (2) vertrek; kamer; ruimte; (3) pauze; onderbreking; tijdsinterval; (4) tijd; moment; poos; (5) gelegenheid; kans; ruimte; [i.h.b.] geluk; (6) [muz.] maat; [i.h.b.] cesuur; rustpunt; [oneig.] ritme; tempo; timing
隙;透き;透 suki (1) gat; opening; spleet; kier; speling; wat plaats; wat ruimte; plaatsruimte; (2) gaatje; vrij ogenblikje; (3) buitenkans(je); onbewaakt; geschikt; kwetsbaar ogenblik; gelegenheid; kans; opportuniteit
際 sai moment; gelegenheid; omstandigheden; geval
食い付き kuitsuki (1) [hengelsp.] beet bij het vissen; (2) kans; gelegenheid; (3) [variététheat.] eerste nummer na de pauze; (4) [barg.] [警察への] verrader; informant; klikspaan; politiespion
飲み口 nomikuchi (1) smaak; aroma; smaakindruk; (2) sakeliefhebber; (3) gelegenheid; aanleiding om een dronk uit te brengen; (4) lip van een sake-kommetje; sake-kopje; (5) manier van sake drinken; drinkstijl; (6) [きせるの] mondstuk
首尾 shubi (1) begin en einde; aanhef en slot; (2) ontwikkeling; gang; verloop; [i.h.b.] uitkomst; resultaat; (3) gelegenheid; (4) [Jap. letterk.] zestien-; twaalfdelig kettingvers