
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (trefwoord)
jitei・耳底
bw. in de ooren. ¶ 尚耳底に存する ik hoor het nog; het ligt nog versch in het geheugen.
tsunbo・聾
zn. doofheid v.; doove (人) m. & v. ¶ 全聾 stokdoof. ¶ 片聾である aan één oor doof zijn. ¶ 勝手聾 Oostindisch doof. ¶ 聾の doof; hardhoorig. ¶ 聾になった樣な oorverdoovend. ¶ 聾棧敷 engelenbak.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <oor>
イア ia oor
イヤ iya oor
取っ手;把手 totte handvat; handgreep; greep; hendel; oor; hengsel; kruk; trekknop; [ドアの] deurkruk; deurknop; deurklink; klink
手 te (1) hand; [volkst.] jat; [inform.] klauw; krauwel; [Barg.] fietsen; (2) arm; (3) poot; [i.h.b.] voorpoot; (4) handvat; oor; (5) [meton.] hand; arbeidskracht; kracht; hulpkracht; hulp; helper; (6) [meton.] iems. handen; iems. bezit; (7) handschrift; schrift; (8) middel; truc; foefje; manoeuvre; techniek; (9) verwonding; wond; (10) [将棋の] zet; (11) [トランプの] hand; kaarten; (12) richting; kant; zijde; (13) soort; slag; merk; (14) vaardigheid; bekwaamheid; (15) betrekking; band; (16) hand-; handgemaakt; handgemaakte …; (17) hand-; meeneem-; (18) [~keiyōshi;keiyōdōshi] [beklemtonend voorvoegsel]; (19) in de richting van …; -waarts; (20) [noemt een zekere kwaliteit]; (21) [RYK~] -er [achtervoegsel waarmee nomina agentis gevormd worden]; (22) [maatwoord voor shogi-;schaakzetten]
木耳 kikurage (1) [plantk.] judasoor; [veroud.] vlierzwam; Auricularia auricula; (2) oor
耳朶 jida (1) oorlel; (2) oor; oren
耳 mimi (1) oor; [Barg.] lap; (2) gehoor; het horen; het luisteren; (3) kant; snede
Tijd: 1.24 sec. jiten.nl: 5 treffers, warandict: 7 treffers (zoekopdracht: 'oor').
2005-2026
