
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <handvat>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
ノブ nobu knop; handvat
ハンドル handoru hendel; handvat; handgreep; stuur; stuurwiel; [i.h.b.] deurkruk; knop; klink; [comp.] handle; zwengel; slinger [bij oude auto's]
レバー rebaa (1) hendel; handgreep; handvat; [i.h.b.] versnellingspook; schakelhendel; [蒸気機関の] balans; (2) hefboom; dommekracht; koevoet; breekijzer; (3) handspaak; (4) [cul.] lever
取っ手;把手 totte handvat; handgreep; greep; hendel; oor; hengsel; kruk; trekknop; [どあの] deurkruk; deurknop; deurklink; klink
台 dai (1) hoog gebouw; toren; gebouw vanwaar men een mooi uitzicht heeft; belvedère; (2) [Jap.gesch.] censoraat; (3) [Chin.gesch.] ministerie; (4) plateau; plaat; blad; tafel; bank; onderstel; bed; onderstuk; verhoging; stellage; stander; standaard; statief; voetstuk; voet; steun; bok; schraag; ezel; sokkel; piëdestal; pedestal; basement; grondstuk; postament; platform; podium; optrede; estrade; [宝石の] montering; zetting; beslag; montuur; vatting; kas; (5) schenkblad; presenteerblad; dienblad; [meton.] etenswaar; maaltijd; (6) tableau van gerechten versierd met heilbrengende decoratie; (7) plat van geta waarop men loopt; (8) portier van een badhuis; badmeester; (9) draagbaar waarmee reizigers een rivier overgezet worden; (10) hoogvlakte; plateau; tafelland; hoogte; heuvel; (11) basis; grondslag; fundament; draagvlak; (12) [plantk.] onderstam (bij het enten); (13) kolf; handvat; (14) [scheepv.] langsligger; (15) [gokken] gespreide inzet; (16) [meetk.] afgeknotte piramide; kegel; (17) [meetk.] drager van een rechte; (18) [wisk.;functieleer] drager; (19) Dai [= hoogland op de Tōkaidō 東海道-route tussen Kanagawa 神奈川 en Hodogaya 程け谷]; (20) [maatwoord dat een vage leeftijds-;prijs- of tijdsaanduiding aangeeft] iets boven de …; tussen de … à …; iets meer dan …; een dikke …; in de …; [Belg.N.] kaap van …; (21) [maatwoord voor plateaus en meubelstukken]; (22) [maatwoord voor taarten en rond gebak]; (23) [maatwoord voor grote muziekinstrumenten]; (24) [maatwoord voor wagens;voertuigen;sleeën;liften]; (25) [maatwoord voor machines;apparaten;toestellen]; (26) [maatwoord voor gerechten in een kom;vaatwerk]; (27) [drukw.] [maatwoord voor katernen van 16 of 32 vellen]; (a) plateau; plaat; (b) basis; grondslag; (c) hoogvlakte; plateau; (d) hoogbouw; toren; (e) overheidsbureau; ministerie; hoge ambtenaar; (f) beleefdheidsterm voor de aangesprokene
引き手 hikite handvat; knop; greep
手 te (1) hand; [volkst.] jat; [inform.] klauw; krauwel; [Barg.] fietsen; (2) arm; (3) poot; [i.h.b.] voorpoot; (4) handvat; oor; (5) [meton.] hand; arbeidskracht; kracht; hulpkracht; hulp; helper; (6) [meton.] iems. handen; iems. bezit; (7) handschrift; schrift; (8) middel; truc; foefje; manoeuvre; techniek; (9) verwonding; wond; (10) [将棋の] zet; (11) [とらんぷの] hand; kaarten; (12) richting; kant; zijde; (13) soort; slag; merk; (14) vaardigheid; bekwaamheid; (15) betrekking; band; (16) hand-; handgemaakt; handgemaakte …; (17) hand-; meeneem-; (18) [~keiyōshi;keiyōdōshi] [beklemtonend voorvoegsel]; (19) in de richting van …; -waarts; (20) [noemt een zekere kwaliteit]; (21) [RYK~] -er [achtervoegsel waarmee nomina agentis gevormd worden]; (22) [maatwoord voor shogi-;schaakzetten]
握り nigiri (1) het grijpen; toegrijpen; greep; grip; (2) hoeveelheid die je in één keer kunt grijpen; greep; handvol; handbreed; (3) greep; heft; handvat; (4) [go-spel] ± toss; ± knobelen; ± bamzaaien [= de startspeler bepalen door te raden of iemand een even of oneven aantal schijven in een gesloten hand heeft]; (5) [cul.] rijstballetje; rijst uit het vuistje; (6) [cul.] nigiri-sushi [= sushiballetje belegd met wat rauwe vis;soms omwikkeld met een reepje zeewier]; (7) ingezette bedragen; goederen bij een partijtje golf enz.; (8) [fin.] nigiri [= het werven en afsluiten van contracten voor discretionair vermogensbeheer met de garantie van een vast rendement;verboden volgens de Japanse Wet op handel in financiële instrumenten]
柄 e (1) handvat; hendel; handgreep; handvatsel; steel; [plantk.] petiolus; schacht; schaft; zwengel; kruk; [鋤の] staart; (2) gevest; heft; hecht; greep
柄 hei (1) [maatwoord voor handgereedschap: zwaarden;speren;scepters;waaiers e.d.m.]; (a) handvat; (b) macht; (c) stof; materie
Tijd: 1.18 sec. jiten.nl: 4 treffers, warandict: 10 treffers (zoekopdracht: 'handvat').
2005-2026
