日蘭辭典+

13 resultaten voor ‘spannen’
日蘭辭典 (trefwoord)
yumi

zn. boog m. ¶ 弓を引く boog spannen; in opstand komen (反抗).

wana

zn. valstrik m.; val v.; knip v. ¶ 罠に落ちる in de val loopen; erin loopen. ¶ 罠をかける strikken zetten; een strik spannen; in de val lokken. ¶ 投罠 lasso.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <spannen>
引き渡す hikiwatasu (1) leveren; aanleveren; overhandigen; overleveren; overdragen; ter hand stellen; uit handen geven; afgeven; overgeven; bezorgen; afleveren; uitleveren; (2) spannen; strak trekken
引き締める hikishimeru (1) aanhalen; aantrekken; spannen; strak trekken; uitrekken; rekken; (2) schrap zetten; (3) [hand.] stabiliseren; stabiel; stabieler maken
引く hiku (1) trekken (aan); halen; [een hendel;de trekker enz.] overhalen; [naar zich] toetrekken; aanhalen; [een boog] spannen; opspannen; (2) [de aandacht] trekken; [klanten] aantrekken; [sympathie] winnen; [belangstelling] wekken; (3) [een vaartuig] jagen; slepen; [een schip] treilen; [een trekdier] geleiden; leiden; (4) citeren; aanhalen; (5) stammen uit; afstammen van; [系統を] afkomen van; spruiten uit; [i.h.b.] aarden naar; (6) [hout] zagen; [op een pottenbakkersschijf] draaien; (7) malen; vermalen; fijnmalen; (8) [een lijn;een draad] trekken; lijnen; spinnen; [een rechte] beschrijven; (9) aanhouden; rekken; (10) [gordijnen] dichttrekken; dichtdoen; (11) aanbrengen; besmeren; bedekken; bestrijken; (12) [elektriciteit] aanleggen; installeren; aansluiten; [water (door buizen enz.)] aanvoeren; [veroud.] aanleiden; (13) [een getal] aftrekken; [een bedrag] afhouden; in mindering brengen; afnemen; [iets in prijs] verlagen; afdoen; verminderen; reduceren; terugbrengen; [i.h.b.] korting geven; (14) [de troepen] terugtrekken; intrekken; [visnetten] ophalen; [de handen (van iets)] aftrekken; (15) overrijden; omrijden; omverrijden; aanrijden; (16) achteruitgaan; teruggaan; terugtrekken; afgaan (van); terugwijken; (17) zich retireren; zich terugtrekken; verlaten; [veroud.] resigneren; (18) afnemen; zakken; dalen; wijken; wegtrekken; teruglopen
引っ張る;引張る hipparu (1) trekken (aan); rukken (aan); halen; (2) spannen; strak trekken; aantrekken; (3) [een arrestant e.d.] opbrengen; meebrengen; [naar het politiebureau enz.] meenemen; (4) uitstellen; [de tijd enz.] rekken; [iem.] aan het lijntje houden; (5) [honkbal] naar links uithalen [of naar rechts in het geval van een linkshandige slagman]; (6) [tot toetreding enz.] overhalen; [naar de overwinning] brengen
張り詰める haritsumeru (1) spannen; inspannen; opspannen; strak trekken; (2) zich uitstrekken (over het hele oppervlak); zich uitspreiden over; zich vormen
張る haru (1) spannen; aanspannen; opspannen; strekken; [m.b.t. touw;lijn enz.] scheren; [gordijnen enz.] ophangen; [zijn takken enz.] uitspreiden; [テントを] opslaan; opzetten; [de vleugels] uitslaan; [de zeilen] zetten; rekken; (2) bespannen (met); aanbrengen; [壁紙を] behangen; [met stof enz.] overtrekken; bekleden (met); voorzien van; (3) [met water enz.] vullen; (4) [stelling enz.] nemen; [een zaak] opzetten; drijven; [een banket] aanrichten; [zijn macht;recht enz.] doen gelden; [geld enz.] zetten (op); verwedden; [zijn zin] doordrijven; (5) op de uitkijk staan; [naar een verdachte enz.] uitkijken; opwachten; (6) [zijn schouders enz.] rechten; [de ellebogen enz.] uitsteken; [de borst enz.] vooruit steken; (7) een klap geven; een draai om de oren geven; meppen; [sumō-jargon] harite 張り手 toebrengen; (8) zich opzetten; opzwellen; uitzetten; (9) verstrammen; verstijven; verstrakken; (10) uitsteken; hoekig worden; (11) zich uitstrekken (over het hele oppervlak); zich uitspreiden over; zich vormen; (12) gespannen worden; nerveus worden; (13) zich schrap zetten; trotseren; rivaliseren; (14) prijzig zijn; duur zijn; nogal wegen; [i.h.b.] overtrokken zijn
渡す watasu (1) overzetten; overvoeren; overvaren; overschepen; (2) [m.b.t. touw] spannen; [m.b.t. brug] leggen; slaan; bouwen; (3) overbrengen; overmaken; overdragen; delegeren; overleveren; overgeven; uitleveren; afdragen; afstaan; opgeven; (4) overhandigen; in handen geven; indienen; ter hand stellen; afgeven; overreiken; aanreiken; presenteren; leveren
絞る;搾る shiboru (1) persen; pijnen; pressen; uitpersen; uitknijpen; wringen; uitwringen; [牛乳;乳を] melken; [涙を] trekken; (2) inspannen; forceren; [智恵を] afpijnigen; pijnigen; [弓を] opspannen; spannen; [従業員を] zwaar drillen; zwaar trainen; (3) afdwingen; afzetten; afpersen; uitzuigen; knevelen; plukken; uitbuiten; exploiteren; (4) berispen; een uitbrander; schrobbering; standje geven; onder handen nemen; ernstig onderhouden; duchtig doorhalen; flink aanpakken; ervan langs geven; uitfoeteren; scherp terechtwijzen; [uitdr.] de mantel uitvegen; [uitdr.] de oren wassen; [uitdr.] het vuur na aan de schenen leggen; [uitdr.] door de wringer halen; (5) (alleen 絞る) samentrekken; dichtrijgen; [レンズを] sluiten; diafragmeren; (6) (alleen 絞る) lager; zachter zetten; minderen; verminderen; reduceren; doen afnemen; [エンジンを] smoren; knijpen; (7) (alleen 絞る) beperken; limiteren; terugbrengen; verengen; verfijnen; (8) (alleen 絞る) [sumō-jargon] in bedwang houden; eronder houden; inklemmen; zijn bewegingsvrijheid ontnemen
締める;絞める;〆める;緊める shimeru (1) (締める;絞める)[帯を] aanhalen; omdoen; omgorden; strak trekken; verstrakken; gespannen maken; aanspannen; opspannen; spannen; aanzetten; aansnoeren; vastsnoeren; [栓を] vastdraaien; aandraaien; dichtdraaien; [ねじで] aanschroeven; (2) (絞める) wurgen; kelen; doen stikken; verwurgen; smoren; verstikken; de strot dichtknijpen; de keel toeknijpen; [w.g.] stranguleren; [m.b.t. pluimvee] de nek omdraaien; [euf.] slachten; [arch.] worgen; (3) (締める;〆める) afronden; sluiten; [勘定を] afsluiten; [i.h.b.] (alles) bij elkaar optellen; rekenen; nemen; [i.h.b.] sommeren; (4) (締める;緊め) streng zijn voor; tegen; goed in bedwang hebben; kort houden; [uitdr.] de teugels aanhalen; [uitdr.] de schroeven wat aandraaien; (5) (締める) bezuinigen (op); besparen (op); besnoeien (op); zuinig; spaarzaam zijn (met); matigen; economiseren; [m.b.t. uitgaven] inperken; beperken; inkrimpen; bekrimpen; terugbrengen; [uitdr.] de buikriem; broekriem aanhalen; versoberen; [m.b.t. overheid;fig.;euf.] ombuigen; (6) (絞める;〆める) [cul.] met zout of azijn behandelen (zodat het (vis)vlees stevig wordt); [i.h.b.] pekelen; [i.h.b.] marineren; [塩で] zouten; [酢で] met azijn behandelen
繋ぐ tsunagu (1) verbinden; aan elkaar binden; samenbinden; linken; in verband brengen (met); aaneenschakelen; aankoppelen; aaneenkoppelen; koppelen; samenkoppelen; aanvoegen; aan elkaar rijgen; vastmaken; vastbinden; vastkoppelen; vastleggen; tuieren; [鎖で] ketenen; [犬を] aanlijnen; [scheepv.] vastmeren; [scheepv.] (ver)tuien; [een paard voor een wagen enz.] spannen; [獄に] in de gevangenis zetten; opsluiten; vastzetten; gevangenzetten; kerkeren; [手を] de handen ineenslaan; elkaar de hand geven (om een kring te vormen enz.); (2) [comp.] aansluiten (op); inpluggen (in); [telef.] doorverbinden met; (3) [興味を] vasthouden; [命を] in leven blijven; [座を] z'n publiek blijven boeien; geboeid houden; [望みを] zich aan de hoop vastklampen; niet opgeven
見る;看る;視る;観る miru (1) zien; kijken (naar); [inform.] loeken; bekijken; bezien; bekennen; aanzien; aankijken; gadeslaan; bezichtigen; beschouwen; in aanmerking nemen; [arch.] aanschouwen; [lit.t.] blikken; [Barg.] brillen; [Barg.] spannen; afgaande op …; getuige [het feit dat … enz.]; te oordelen naar …; uitgaande van …; (2) lezen; doorkijken; [新聞を] doorlopen; inzage nemen; inzien; naslaan [in een woordenboek e.d.]; raadplegen; consulteren; nazien; nagaan; checken; controleren; (3) ervaren; meemaken; ondervinden; beleven; (4) zorgen voor; verzorgen; passen op; letten op; toezien op; behartigen; waken over; toezien op; verplegen; [面倒を] zich aantrekken; (5) [iets bij wijze van proef doen]; (6) als je zou …; mocht je …; [gew.] moest je … [eindigend op de partikels ば of と]; (7) nu …; nou …; in de zich thans voordoende situatie dat … [eindigend op het partikel ば]; (8) wanneer …; toen … [eindigend op de partikels ば of と]; (9) ware … het geval
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.22 sec. jiten.nl: 2 treffers, warandict: 11 treffers (zoekopdracht: 'spannen'). 
2005-2026