
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (trefwoord)
tsuihō・追放
zn. verbanning v.; uitzetting v. ¶ 追放する verbannen; verdrijven; het land uitzetten. ¶ 追放人 banneling; balling.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <uitzetten>
出す dasu (1) te voorschijn halen; uithalen; eruit halen; [gew.;お酒を〜] ophalen; naar buiten brengen; uitnemen; [トランプの札を〜] uitspelen; opspelen; zetten; [外に] uitlaten; buitenlaten; [水を〜] openzetten; laten lopen; lozen; (2) uitsteken; [旗を〜] uithangen; (3) uiten; slaken; [音;サインを〜] geven; maken; produceren; (4) publiceren; uitgeven; uitbrengen; op de markt brengen; uitvaardigen; openbaren; tonen; [i.h.b.] onthullen; ontbloten; laten blijken; aan de dag leggen; tentoonspreiden; uitstallen; etaleren; (5) serveren; [料理を〜] opdienen; voorschotelen; te berde brengen; aankomen met; komen aanzetten met; leveren; afleveren; verschaffen; opgeven; verstrekken; aanbieden; presenteren; uitreiken; [証を〜] aanvoeren; (6) insturen; inzenden; inleveren; indienen; [新人選手を〜] inzetten; (7) sturen; zenden; afvaardigen; verzenden; opsturen; versturen; (8) uitsturen; uitzenden; [ガスを〜] uitstoten; emitteren; [熱を〜] ontwikkelen; (9) doen vertrekken; [船を〜] uitzetten; [列車を〜] inleggen; (10) betalen; opbrengen; (11) veroorzaken; opleveren; voortbrengen; geven; [スピードを〜] halen; opdrijven; (12) [店;支店を〜] openen; beginnen; (13) […~] naar buiten …; uit-; (14) […~] beginnen te …; het op een … zetten
切る kiru (1) knippen; afsnijden; afknippen; [先端を] afknotten; [アキレス腱を] scheuren; (2) fijnhakken; in stukjes snijden; (3) omhakken; (4) (een relatie) afbreken; (5) bekritiseren; (6) pauseren; stoppen; afbreken; (7) kaarten mengen; (8) de weg oversteken; (9) (het licht) uitdraaien; (de tv) uitzetten; (10) (een kraan) dichtdraaien; (11) (aan een stuur) draaien; (12) (de telefoon) ophangen
励ます hagemasu (1) aanmoedigen; aansporen; stimuleren; aanwakkeren; opwekken; aanzetten; een duwtje; steuntje in de rug geven; moed geven; bemoedigen; opbeuren; opmonteren; opkikkeren; (2) [声を] verheffen; uitzetten; luider doen klinken
回す;廻す mawasu (1) (doen) draaien; draaien aan; wentelen; omdraaien; aandraaien; omwenden; omwentelen; omzwenken; ronddraaien; laten rondwentelen; aan het rollen brengen; doen tollen; [wasmachine;ventilator e.d.] aanzetten; [een vat;hoepel e.d.] (voort)rollen; (2) omgeven met [een muur;gracht enz.]; (3) doen reiken tot; (4) rondgeven; doorgeven; laten rondgaan; overhandigen; [塩を] aangeven; (5) uitzenden; sturen; rondzenden; omsturen; overzenden; opsturen; doorzenden; doorsturen; doorverwijzen [naar de specialist enz.]; overplaatsen; doorverbinden [met een ander toestelnummer]; (6) uitzetten; [op interest enz.] zetten; beleggen; (7) rond-; om- [sluit aan op de ren'yōkei van dōshi]
大きくなる ōkikunaru (1) groter worden; in omvang toenemen; (2) groeien; opgroeien; wassen; opschieten; (3) aangroeien; zich uitzetten; zwellen; expanderen; uitzetten; uitdijen; (4) ernstige vormen aannemen; verergeren; erger; serieuzer worden
張る haru (1) spannen; aanspannen; opspannen; strekken; [m.b.t. touw;lijn enz.] scheren; [gordijnen enz.] ophangen; [zijn takken enz.] uitspreiden; [テントを] opslaan; opzetten; [de vleugels] uitslaan; [de zeilen] zetten; rekken; (2) bespannen (met); aanbrengen; [壁紙を] behangen; [met stof enz.] overtrekken; bekleden (met); voorzien van; (3) [met water enz.] vullen; (4) [stelling enz.] nemen; [een zaak] opzetten; drijven; [een banket] aanrichten; [zijn macht;recht enz.] doen gelden; [geld enz.] zetten (op); verwedden; [zijn zin] doordrijven; (5) op de uitkijk staan; [naar een verdachte enz.] uitkijken; opwachten; (6) [zijn schouders enz.] rechten; [de ellebogen enz.] uitsteken; [de borst enz.] vooruit steken; (7) een klap geven; een draai om de oren geven; meppen; [sumō-jargon] harite 張り手 toebrengen; (8) zich opzetten; opzwellen; uitzetten; (9) verstrammen; verstijven; verstrakken; (10) uitsteken; hoekig worden; (11) zich uitstrekken (over het hele oppervlak); zich uitspreiden over; zich vormen; (12) gespannen worden; nerveus worden; (13) zich schrap zetten; trotseren; rivaliseren; (14) prijzig zijn; duur zijn; nogal wegen; [i.h.b.] overtrokken zijn
投資する tōshisuru investeren; beleggen; uitzetten; plaatsen; steken in
挿す sasu (1) inzetten; tussenvoegen; inlassen; invoegen; inbrengen; interpoleren; plaatsen tussen; in; zetten tussen; in; brengen tussen; in; opnemen (in); (2) [m.b.t. bloemen e.d.] schikken; (3) [m.b.t. stek van plant] planten; poten; in de grond steken; uitzetten
摘み出す tsumidasu (1) eruit trekken; halen; uitpikken; (2) uitgooien; uitzetten; uitjagen; eruit donderen
放流する hōryūsuru (1) uitstorten; lozen; uitlozen; afvoeren; (2) uitzetten; loslaten (om te kweken)
止める;停める tomeru (1) stoppen; stopzetten; stilleggen; stilhouden; laten stilstaan; stillen; stuiten; tot stilstand brengen; stilzetten; tot staan brengen; parkeren; stallen; [aan de kant enz.] zetten; neerzetten; arrêteren; [de dief enz.] houden; een halt toeroepen; een punt zetten achter ~; een einde maken aan [een ruzie enz.]; ophouden; stremmen; [de aanvoer enz.] staken; afbreken; afsnijden; [een paard enz.] tegenhouden; vasthouden; aanhouden; inhouden; keren; [fig.] afdammen; [m.b.t. geluid;pijn] weren; ophouden; stelpen; (2) [het licht enz.] uitdoen; uitschakelen; [m.b.t. gas;water;radio] uitdraaien; dichtdraaien; afsluiten; uitzetten; afzetten; [de stroom] afbreken; afsnijden; (3) [m.b.t. inflatie enz.] bedwingen; beheersen; afremmen; beteugelen; breidelen; in toom houden; in bedwang houden; intomen; [de groei enz.] belemmeren; (4) beletten; verhinderen; verbieden; voorkomen; ontzeggen; verhoeden
消す kesu (1) (van vuur) uitdoven; (van vuur) blussen; (van vuur) doven; (van vuur) doen ophouden; (van vuur) uitdoen; (van een kaars) uitblazen; (2) (van licht; van radio; van televisie; een elektrisch toestel; etc.) uitschakelen; (van licht; van radio; van televisie; een elektrisch toestel; etc.) afzetten; (van licht; van radio; van televisie; een elektrisch toestel; etc.) buiten werking stellen; (van licht; van radio; van televisie; een elektrisch toestel; etc.) doven; (van licht; van radio; van televisie; een elektrisch toestel; etc.) uitdoen; (3) [ガスを] het gas uitdraaien; uitzetten; afsluiten; de gaskraan dichtdraaien; (4) wegvegen; uitvegen; wegvagen (met een vlakgom); uitwissen (van voetsporen); wissen (uit zijn geheugen); uitvlakken; (5) (een letter; een woord; een passage; etc.) doorhalen; (een letter; een woord; een passage; etc.) doorstrepen; (een letter; een woord; een passage; etc.) schrappen; (een letter; een woord; een passage; etc.) doorschrappen; (6) (van geluid) dempen; (van geluid) smoren; (van geluid) absorberen; (van geluid) niet weerkaatsen; (van geluid) krachteloos maken; (7) (een geur) verdrijven; (een geur) doen verdwijnen; (een geur) verjagen; (een geur) neutraliseren; (8) (een zuur; een vergif; de werking van een medicijn; etc.) neutraliseren; (een zuur; een vergif; de werking van een medicijn; etc.) een tegengif geven tegen ...; (een zuur; een vergif; de werking van een medicijn; etc.) een antidotum geven tegen ...; (een zuur; een vergif; de werking van een medicijn; etc.) onschadelijk maken; (9) vermoorden; ombrengen; liquideren; doden; koud maken; afmaken; om zeep helpen; voorgoed tot zwijgen brengen; onschadelijk maken; (10) [姿を] verdwijnen; uit het zicht verdwijnen; van de scène verdwijnen; in rook opgaan; het toneel verlaten; van het toneel verdwijnen
立ち退かせる tachinokaseru uitzetten; op straat zetten; de huur opzeggen; [gew.] buitenzetten
網を張る amioharu (1) een net spannen; uitzetten; (2) [fig.] een val zetten; opzetten
網を打つ amiōtsu netten uitgooien; uitzetten; zetten
膨大する;厖大する bōdaisuru opzwellen; zwellen; uitzetten; opzetten
膨張する;膨脹する bōchōsuru zwellen; uitdijen; expanderen; aangroeien; toenemen; uitbreiden; (zich) uitzetten; aanzwellen; opzwellen; zich opzetten
追い出す oidasu (1) verdrijven; uitdrijven; verdringen; bannen; verbannen; verjagen; wegjagen; uitbannen; uitzetten; uitwijzen; wegsturen; wegdrijven; de laan uit sturen; eruit gooien; uitstoten; wegbonjouren; afjagen; [Belg.N.] buitenzetten; (2) verstoten; verwerpen; repudiëren; (3) afdrijven; uit het lichaam verwijderen
追い立てる oitateru wegsturen; wegjagen; [獲物を] opjagen; opdrijven; [馬を] voortdrijven; aanzetten; aansporen; [借家人を] uitzetten; [Belg.N.] buitenzetten
追放する tsuihōsuru (1) verbannen; bannen; uitwijzen; deporteren; uitzetten; eruit gooien; verdrijven; wegzenden; wegsturen; ontzetten uit; [教会から] excommuniceren; excommuniëren; [軍から] casseren; (2) zuiveren; epureren
送還する sōkansuru uitwijzen; uitzetten; deporteren; uitleveren; repatriëren
配す haisu (1) opstellen; plaatsen; uitzetten; doen postvatten; posteren; stationeren; toewijzen; alloceren; (2) combineren; arrangeren; schikken; doen passen bij; samenvoegen; matchen; (3) koppelen; uithuwen; uithuwelijken; (4) verbannen; exileren; deporteren; (5) onderbrengen; onderschikken
Tijd: 0.96 sec. jiten.nl: 2 treffers, warandict: 22 treffers (zoekopdracht: 'uitzetten').
2005-2026
