RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <net>
きちんとした kichintoshita keurig; net; ordelijk; goed verzorgd
こそ koso (1) [nadrukpartikel] net; precies; juist; uitgerekend; bij uitstek; in het bijzonder; (2) [concessief partikel dat een contrast voorafgaat]; (3) [nadrukpartikel dat een onvoltooid gelaten zin besluit (aposiopesis)]
さっぱり sappari (1) verschrikkelijk; echt erg; (2) keurig; net; netjes; [gew.] deftig; (3) verfrist; opgefrist; opgeknapt; opgekikkerd; [i.h.b.] opgelucht [i.c.m. shita した]; (4) openhartig; vrijmoedig; oprecht; frank; rechtuit; rondborstig [i.c.m. shita した]; (5) [m.b.t. culinaria] eenvoudig; licht gekruid [i.c.m. shita した]; (6) compleet; totaal; helemaal; in het geheel; volkomen; volledig; gans [i.c.m. to と]
さっぱりした sapparishita (1) schoon; proper; net; keurig; ordelijk; (2) [性格の] openhartig; eerlijk; oprecht; rondborstig; (3) [食物の味の] eenvoudig; klassiek; gewoon
そっくり sokkuri (1) geheel; al; volledig; helemaal; totaal; compleet; in zijn geheel; totaliteit; met ~ en al; intact; integraal; zoals het is; (2) precies lijken op; als twee druppels water lijken op; sprekend lijken op; iem. gelijken op een prik; in alles lijken op; het evenbeeld zijn van; precies; exact; net; op-en-top
たった今 tattaima (1) nu meteen; zo meteen; (2) net; pas; daarnet; zo-even; zojuist; zonet; zopas
ちゃんとした chantoshita keurig; ordelijk; geordend; net; gepast; passend; juist; fatsoenlijk; welvoeglijk; betamelijk; [~職業] vast; [~妻] wettig
ばかし bakashi (1) [drukt een vage maat uit] zo'n; zowat; ongeveer; omtrent; (2) [drukt beperking uit] enkel; slechts; (3) […た~] [drukt uit dat een handeling er kort geleden opzit] pas; net; zonet; zo-even; zojuist; daarnet
ぴたり pitari (1) zonder tussenruimte; hecht; dicht; strak; nauwsluitend; vlak (tegen); naadloos [op elkaar aansluiten]; potdicht; hermetisch; (2) precies; net; perfect; krek; exact; juist; op de kop af; geknipt; als gegoten; (3) plots; ineens; opeens; plotseling; abrupt; op slag
グリッド guriddo (1) rooster; traliewerk; (2) [bouwk.] raster; (3) [radio] net; netwerk; (4) [autosport] startplaats; startopstelling
チャンネル channeru (1) kanaal; net; [oneig.] programma; [oneig.] omroep; [oneig.] zender; [oneig.] station; (2) [maatwoord voor communicatiekanalen]
ニート nīto (1) jongere zonder baan; opleiding of werkervaringsplek; (2) [geneesk.] thermogenese via niet-sportgerelateerde activiteiten; NEAT [= non-exercise activity associated thermogenesis]; (3) keurig; net; netjes
ネット netto (1) net; (2) haarnet; (3) netwerk; (4) netto; (5) [golf] net score; (6) internet; net
ネットワーク nettowāku (1) netwerk; (2) [tv] net
ピッタリ pittari (1) zonder tussenruimte; hecht; dicht; strak; nauwsluitend; vlak (tegen); naadloos [op elkaar aansluiten]; potdicht; hermetisch; (2) precies; net; perfect; krek; exact; keurig; juist; op de kop af; geknipt; (3) plots [afgelopen]; ineens; opeens [tot stilstand gekomen]; plotseling; abrupt; op slag
メッシュ messhu (1) maas; steek; (2) weefsel met mazen; net
丁度 chōdo (1) net; juist; precies; exact; pal; stipt; prompt; [volkst.] pront; [m.b.t. uur] klokslag; op de kop af; op de minuut af; blank; sec; (2) net; pas; (3) net; precies als
今 ima (1) nu; heden; op het ogenblik; thans; tegenwoordig; heden ten dage; (2) dadelijk; zo dadelijk; onmiddellijk; weldra; dra; spoedig; gauw; (3) even tevoren; zojuist; zo-even; daarnet; net; pas; (4) nog; nog eens; nog meer
先程;先ほど sakihodo pas; net; daarnet; zoëven; zojuist; zonet; zopas; zostraks; korte tijd geleden; geen vijf minuten geleden
先 sakki pas; net; daarnet; zoëven; zojuist; zonet; zopas; zostraks; korte tijd geleden; geen vijf minuten geleden
即ち;則ち;乃ち;輒ち;便ち sunawachi (1) namelijk; met andere woorden; ofwel; oftewel; dat is; te weten; dat wil zeggen; dat betekent; en wel; wel te verstaan; tenminste; id est; hoc est; videlicet; [afk.] nl.; [afk.] m.a.w.; [afk.] d.i.; [afk.] t.w.; [afk.] d.w.z.; [afk.] i.e.; [afk.] h.e.; [afk.] vdt.; (2) net; precies; juist; krek; exact; helemaal; niets dan; alleen maar; zonder meer; (3) (en) dan; vervolgens; (meteen) daarop; (onmiddellijk) daarna
宛ら sanagara (1) onveranderd; intact; status quo; als tevoren; (2) integraal; onverkort; volledig; (3) net; precies; als ware; (4) toch; desondanks; ondanks dat
尋常 jinjō (1) gewoon; alledaags; normaal; gebruikelijk; doorsnee; banaal; (2) [~な顔立ち] aantrekkelijk; knap; (3) sportief; elegant; fair; (4) keurig; fatsoenlijk; net; respectabel; (5) behoorlijk; degelijk; (6) [Jap.gesch.] lagere school; basisschool; basisonderwijs
折り目正しい orimetadashii (1) net; keurig; netjes; welgemanierd; goedgemanierd; beleefd; beschaafd; fatsoenlijk; welopgevoed; wellevend; (2) formeel; vormelijk
正に;当に;応に;方に;将に masani (1) precies; juist; exact; net; (2) zeker; waarachtig; heus; echt; waarlijk; inderdaad; voorzeker; voorwaar; regelrecht; (3) net nu; op de kop af; thans; op het punt [staan te]; op de rand [staan van]; (4) in goede orde; naar behoren; behoorlijk
清潔 seiketsu (1) reinheid; netheid; properheid; zindelijkheid; zuiverheid; (2) rein; net; schoon; proper; zindelijk; zuiver; puur; hygiënisch; (3) integer; zuiver (op de graat); clean; onbesproken; keurig; eerlijk; onberispelijk; smetteloos; [fig.] koosjer
清潔な seiketsuna (1) rein; net; schoon; proper; zindelijk; zuiver; puur; hygiënisch; (2) integer; zuiver (op de graat); clean; onbesproken; keurig; eerlijk; onberispelijk; smetteloos; [fig.] koosjer
漸と yatto (1) eindelijk; na lange tijd; op het einde; uiteindelijk; goed en wel; ten langen leste; ten slotte; als slot; finaal; (2) ternauwernood; op het nippertje; (nog maar) net; eventjes; amper; pas ~; koud ~; nauwelijks ~; nog net (op tijd); nog juist (op tijd); op het laatste moment; op het laatste ogenblik; op het laatste nippertje; nipt; op het kantje (af); bij het walletje langs; weinig schelend; op het randje af; bijna te laat; kantje boord; met de hakken over de sloot; ei zo na; (3) met (grote) moeite; met pijn en moeite; moeizaam; node; (4) veel; een hoop; een heleboel; een massa; een boel; een overvloed; een grote hoeveelheid; heel wat; overvloedig; aardig wat; behoorlijk wat; (5) veruit; verreweg; verre
然も samo (1) zo; (2) merkbaar; merkelijk; kennelijk; blijkbaar; (3) net; alsof
白い shiroi (1) wit; blank; [m.b.t. haar] grijs; (2) leeg; blanco; onbeschreven; onbedrukt; oningevuld; opengelaten; (3) net; proper; schoon; rein; zuiver; smetteloos; vlekkeloos; [fig.] onbedorven; [fig.] onschuldig
直ぐ sugu (1) eerlijk; oprecht; waarachtig; integer; fair; (2) meteen; onmiddellijk; ogenblikkelijk; direct; zo; gelijk; dadelijk; onverwijld; schielijk; in een oogwenk; in ééeen tel; [veroud.] subiet; terstond; aanstonds; [form.] fluks; prompt; acuut; stante pede; zonder verwijl; à la minute; op stel en sprong; op een-twee-drie; binnen de kortste keren; in een mum van tijd; in een wip; in een ommezien; cito; [inform.] er vlak bovenop; (3) gauw; spoedig; binnenkort; zo meteen; eerdaags; [form.] dra; [form.] eerlang [in de constructie mō sugu もうすぐ]; (4) vlak; pal; net; juist; recht
網棚 amidana bagagenet; net; bagagerek; rek
網 ami (1) net; gaaswerk; netwerk; (2) [fig.] net; web; valstrik; strik; klauw; valkuil; list
網 a net; gaaswerk; netwerk
網 mō (1) [anat.] netwerk; plexus; vlecht; vlechting; (2) [fig.] netwerk; web; (a) net; visnet; vogelnet; (b) netwerk; (c) integraal opnemen
羅 ra (1) luchtig; dun weefsel; gaas; (2) zijdegaas; dunne; fijne zijde; (3) penis; (a) net; met een net vangen; (b) in een rij staan; rij vormen; (c) gaas; (d) wentelen; (e) fonetisch teken met uitspraak "ra"
行き届く ikitodoku (1) zorgvuldig zijn; nauwgezet zijn; nauw nemen; strikt zijn; gewetensvol zijn; (2) aandachtig zijn; oplettend zijn; op kleinigheden letten; op details attent zijn; (3) zorgzaam zijn; attent zijn; (4) perfect zijn; af zijn; volledig zijn; volmaakt zijn; [手入れが] goed onderhouden zijn; verzorgd zijn; [掃除が] net; proper; keurig zijn; in orde zijn; [設備が] volledig toegerust; uitgerust zijn; van al het nodige voorzien zijn; [客扱いが] een goede service verlenen; (5) grondig zijn; nauwkeurig zijn; uitvoerig zijn
行き届く yukitodoku (1) zorgvuldig zijn; nauwgezet zijn; nauw nemen; strikt zijn; gewetensvol zijn; (2) aandachtig zijn; oplettend zijn; op kleinigheden letten; op details attent zijn; (3) zorgzaam zijn; attent zijn; (4) perfect zijn; af zijn; volledig zijn; volmaakt zijn; [手入れが] goed onderhouden zijn; verzorgd zijn; [掃除が] net; proper; keurig zijn; in orde zijn; [設備が] volledig toegerust; uitgerust zijn; van al het nodige voorzien zijn; [客扱いが] een goede service verlenen; (5) grondig zijn; nauwkeurig zijn; uitvoerig zijn
許り bakari (1) […~] [drukt een beperking;begrenzing uit] slechts; alleen maar; enkel; (2) […~] [drukt een benadering uit] zo'n …; zowat …; ongeveer …; omtrent …; rond de …; om en bij de …; … of zo; (3) […たばかりに] [drukt met nadruk een reden uit] door; wegens; (4) […(ぬ/ん)ばかり] [drukt een toestand uit die elk moment kan gebeuren] op het punt …; (5) […たばかり] [drukt een handeling uit die pas voltooid is] net; pas; juist; (6) […とばかり/とばかりに] [drukt een beklemtoning uit]