日蘭辭典+

27 resultaten voor ‘uitzicht’
日蘭辭典 (trefwoord)
tenbō展望
zn. uitzicht o.; gezicht o. ¶ 展望する uitzicht hebben; uitzien. ¶ 展望 periscoop. ¶ 展望 observatie wagen. ¶ 展望 uitkijktoren; observatorium.
fūkei風景

zn. landschap o.; uitzicht o.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <uitzicht>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
ビジョン bijon (1) visie; (2) verschijning; droomverschijning; droombeeld; visioen; (3) het zien; gezichtsvermogen; gezicht; (4) aanblik; uitzicht
ビュー byuu (1) uitzicht; gezicht; zicht; (2) bezichtiging; kijk; visie
上辺 uwabe voorkomen; schijn; uitzicht; uiterlijk; aanzien
体裁 teisai (1) schijn; voorkomen; uitzicht; uiterlijk; uiterlijkheid; (2) vorm; format; stijl; wijze; (3) (schone) schijn; fatsoen; (4) omhaal; woordenkraam; woordenkramerij
光景 koukei (1) zicht; gezicht; schouwspel; tafereel; aanblik; (2) toestand; conditie; situatie; (3) landschap; uitzicht; zicht
kou (a) schijnen; beschijnen; (b) licht; schittering; luister; (c) tijd; (d) toestand; uitzicht; (e) eer; roem
展望 tenbou (1) uitzicht; gezicht; (2) vooruitzicht; verwachting; kansen; aspect; (3) kijk; visie; opvatting; zienswijze; mening; observatie
当て ate (1) doel; streefdoel; bedoeling; oogmerk; plan; (2) verwachting; vooruitzicht; uitzicht; mogelijkheid; (3) betrouwbaarheid; vertrouwen; krediet; geloofwaardigheid
kei (1) uitzicht; gezicht; landschap; tafereel; schouwspel; (2) [ton.] deel van een bedrijf; scène; toneel; episode; (3) [maatwoord voor scènes]; (a) uitzicht; schouwspel; (b) toestand; situatie; (c) groot; fortuinlijk; (d) iets extra's geven; (e) bewonderen; respecteren
景色 keshiki (1) landschap; natuurschoon; (2) zicht; uitzicht; gezicht
景観 keikan uitzicht; zicht; aanblik; panorama; landschap; vista
有様 arisama (1) toestand; staat; gesteldheid; conditie; situatie; omstandigheden; (2) aanblik; gezicht; uitzicht; schouwspel; spektakel
様子 yousu (1) toestand; situatie; staat; omstandigheden; stand van zaken; gesteldheid; het hoe; (2) schijn; voorkomen; uiterlijk; aanblik; aanzien; karakter; air; uitzicht; indruk; habitus; (3) reden; grond; (4) teken; blijk; aanwijzing; symptomen
様;状 sama (1) voorkomen; aanblik; uitzicht; aanzien; schijn; gezicht; air; toestand; staat; gesteldheid; situatie; omstandigheden; (2) -elings; -waarts [drukt een richting;oriëntatie uit]; (3) meneer; mijnheer; [afk.] m.; de heer; [afk.] dhr.; mevrouw; [afk.] Mw.; [afk.] Mevr.; madame; [afk.] Mme.; [afk.] Mad.; juffrouw; mejuffrouw; [afk.] Mej. [eerbetonend suffix;voorafgegaan door een naam;titel;status e.d.]; (4) [vaak i.c.m. het prefix o お of go ご een kwalificatie inklemmend]; (5) [voorafgegaan door de ren'yōkei van een dōshi noemt het de handeling die iem. net op het punt staat te doen]; (6) [voorafgegaan door de ren'yōkei van een dōshi noemt het de wijze of manier waarop een handeling zich voltrekt]
気色 keshiki (1) uitdrukking; humeur; (2) teken; indicatie; aanwijzing; (3) toestand; aanblik; uitzicht; (4) allusie; zinspeling; suggestie; voorafschaduwing; (5) zweem; vage aankondiging; (6) gunst; begunstiging; gratie
物色 busshoku (1) uitzoeking; doorzoeking; zoektocht; jacht; uitkiezing; uitlezing; afzoeking; (2) kleur; gedaante van een zaak; (3) landschap; uitzicht
jou (1) omstandigheden; situatie; toestand; staat; gesteldheid; (2) voorkomen; uitzicht; schijn; (3) brief; schrijven; [scherts.] epistel; [i.h.b.] verslag; bericht; kennisgeving; rapport; (4) -brief; (5) -achtig; -ig; -(ge)lijk; als (van) een ~; gelijkend op ~; -vormig; in de vorm van ~
眺め;眺 nagame uitzicht; zicht; gezicht; vergezicht; aanblik
眺望 choubou uitzicht; vergezicht; zicht; gezicht; panorama
行方;行衛 yukue (1) plaats waar iemand zich bevindt; plaats waar iemand uithangt; plaats waar iemand zich ophoudt; verblijfplaats; iemands stappen; iemands gangen; spoor; (2) vooruitzicht; perspectief; uitzicht; toekomstbeeld; toekomst; mogelijkheden; aspect; (3) nageslacht; afstammelingen; (4) centen; geld [slang onder hofdames]
見晴らし miharashi uitzicht; gezicht; zicht
mie voorkomen; aanblik; uitzicht; gezicht; verschijning; uiterlijk; gedaante
mi (1) bezichtiging; (2) zicht; uitzicht
kan (1) voorkomen; uitzicht; uiterlijk; schijn; aanzien; aanblik; blik; gezicht; spektakel; schouwspel; (2) zienswijze; opvatting; kijk; visie
風景 fuukei landschap; [i.h.b.] natuurlandschap; gezicht; uitzicht; vista; zicht,
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.54 sec. jiten.nl: 2 treffers, warandict: 25 treffers (zoekopdracht: 'uitzicht'). 
2005-2026