RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <gezicht>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
De weergave van het Japans van de resultaten hieronder is gespeld in een vorm van
waapuro-spelling. De spelling komt overeen met de originele spelling in
hiragana in het Japans. De verschillen met de
Hepburn-spelling van de overige resultaten zijn eenvoudig:
| spelling |
uitspraak |
| uu |
lang aangehouden /oe/ (Hepburn spelling: ū) |
| ou |
lang aangehouden /o/ (Hepburn spelling: ō) |
| (soms, als in 酔う you "dronken zijn") uitspraak: /o/ + /oe/ |
| ei |
lang aangehouden /ee/ (dit is identiek in Hepburn spelling) |
| ha |
/ha/ (identiek aan Nederlands en Hepburn spelling) |
| alleen voor het partikel は: uitspraak /wa/ |
| he |
/he/ (identiek aan Nederlands en Hepburn spelling |
| alleen voor het partikel へ: uitspraak /e/ |
[verberg]
ビジョン bijon (1) visie; (2) verschijning; droomverschijning; droombeeld; visioen; (3) het zien; gezichtsvermogen; gezicht; (4) aanblik; uitzicht
ビュー byuu (1) uitzicht; gezicht; zicht; (2) bezichtiging; kijk; visie
フェイス feisu (1) gezicht; aangezicht; gelaat; (2) coupure; (3) [bergsport] steile wand; helling; kant; (4) [golf] clubface; vlak dat de bal raakt; (5) Faith; Face
マスク masuku (1) masker; gezichtsmasker; mombakkes; mom; (2) mondkapje; mondmasker; (3) [m.b.t. boksen;lassen e.d.] hoofdbeschermer; (4) gezicht; gelaat; gelaatstrekken; voorkomen; uiterlijk; (5) [elektronica] tekening van een geïntegreerde schakeling
光景 koukei (1) zicht; gezicht; schouwspel; tafereel; aanblik; (2) toestand; conditie; situatie; (3) landschap; uitzicht; zicht
器量 kiryou (1) talent; vermogen; capaciteit; gave; bekwaamheid; kaliber; formaat; (2) [女性の] uiterlijk; voorkomen; looks; trekken; gelaatstrekken; gezicht; (3) [男性の] reputatie; verdienste; eer; goede naam
図 zu (1) tekening; schets; figuur; illustratie; schema; [i.h.b.] kaart; [i.h.b.] grafiek; [i.h.b.] diagram; (2) schouwspel; aanblik; gezicht; (3) plannetje; intrige; (4) [maatwoord voor tekeningen;schetsen]
展望 tenbou (1) uitzicht; gezicht; (2) vooruitzicht; verwachting; kansen; aspect; (3) kijk; visie; opvatting; zienswijze; mening; observatie
形相 gyousou blik; gelaatsuitdrukking; gezicht; uiterlijk; voorkomen
情景 joukei (1) stemming en natuurschoon; gemoeds- en natuurgesteldheid; (2) tafereel; schouwspel; gezicht; toestand; omstandigheid; situatie
景 kei (1) uitzicht; gezicht; landschap; tafereel; schouwspel; (2) [ton.] deel van een bedrijf; scène; toneel; episode; (3) [maatwoord voor scènes]; (a) uitzicht; schouwspel; (b) toestand; situatie; (c) groot; fortuinlijk; (d) iets extra's geven; (e) bewonderen; respecteren
景色 keshiki (1) landschap; natuurschoon; (2) zicht; uitzicht; gezicht
有様 arisama (1) toestand; staat; gesteldheid; conditie; situatie; omstandigheden; (2) aanblik; gezicht; uitzicht; schouwspel; spektakel
様;状 sama (1) voorkomen; aanblik; uitzicht; aanzien; schijn; gezicht; air; toestand; staat; gesteldheid; situatie; omstandigheden; (2) -elings; -waarts [drukt een richting;oriëntatie uit]; (3) meneer; mijnheer; [afk.] m.; de heer; [afk.] dhr.; mevrouw; [afk.] Mw.; [afk.] Mevr.; madame; [afk.] Mme.; [afk.] Mad.; juffrouw; mejuffrouw; [afk.] Mej. [eerbetonend suffix;voorafgegaan door een naam;titel;status e.d.]; (4) [vaak i.c.m. het prefix o お of go ご een kwalificatie inklemmend]; (5) [voorafgegaan door de ren'yōkei van een dōshi noemt het de handeling die iem. net op het punt staat te doen]; (6) [voorafgegaan door de ren'yōkei van een dōshi noemt het de wijze of manier waarop een handeling zich voltrekt]
気色 kishoku (1) gezichtsuitdrukking; gezicht; gelaatsuitdrukking; gelaat; gelaatstrekken; trekken; uitdrukking; expressie; blik; uiterlijk; mimiek; (2) gevoel; gemoedstoestand; geestestoestand; stemming; mood; bui; humeur; luim; (3) conditie; staat van gezondheid; gezondheidstoestand; (4) intentie; voornemen; (5) omstandigheden; situatie; (6) vormelijkheid
目付き metsuki blik; gelaatsuitdrukking; gezicht; uitdrukking in de ogen
目;眼 me (1) oog; doppen; kijkers; [kindert.] piepers; kijkerd; gaten; glimmers; [gew.;vulg.] keut; [Barg.] glimmerik; [Barg.] spanling; [Barg.;volkst.] lampjes; (2) het zien; gezicht; gezichtsvermogen; zicht; gezichtsveld; vizier; blik; oogopslag; kijk; optiek; gezichtspunt; oogpunt; zienswijze; inzicht; zorg; (3) aanzicht; aanblik; (4) ervaring; (5) opening; tussenruimte; (6) maatstreep; maat; (7) volume; inhoud; (8) foei; (9) -ste; -de [ordinaal suffix]; (10) [achtervoegsel dat een grens of raakvlak tussen twee zaken;toestanden e.d. markeert;het wordt aangesloten op de ren'yōkei van werkwoordsvormen]; (11) -ig [aangesloten op de stam van adjectieven of op de ren'yōkei van werkwoorden;drukt een mate;eigenschap of tendens uit die neigt naar het genoemde]
眺め;眺 nagame uitzicht; zicht; gezicht; vergezicht; aanblik
眺望 choubou uitzicht; vergezicht; zicht; gezicht; panorama
色目 irome (1) tint; schakering; kleurschakering; toon; coloriet; (2) [襲の] kleurencombinatie; (3) verliefde; smachtende blik; gelonk; (4) gelaatsuitdrukking; expressie; gezicht; voorkomen; uiterlijk; air
表情 hyoujou (1) expressie; uitdrukking; gelaatsuitdrukking; blik; mimiek; gezicht; (2) gevoelsuitdrukking; gevoelsuiting; expressie
見た目 mitame aanblik; gezicht; schijn; uiterlijk
見掛け mikake schijn; uiterlijk; het eruitzien; aanzicht; aanzien; gezicht; voorkomen; aanschijn; het voordoen; show; schijnvertoning; façade
見晴らし miharashi uitzicht; gezicht; zicht
見 mie voorkomen; aanblik; uitzicht; gezicht; verschijning; uiterlijk; gedaante
視力 shiryoku gezichtsvermogen; gezicht; zicht
視覚 shikaku gezicht; zicht
観 kan (1) voorkomen; uitzicht; uiterlijk; schijn; aanzien; aanblik; blik; gezicht; spektakel; schouwspel; (2) zienswijze; opvatting; kijk; visie
面付き tsuratsuki (1) wang; koon; [Belg.N.] kaak; (2) blik; gelaatsuitdrukking; gezichtsuitdrukking; uitdrukking; gezicht; expressie; gelaat; trekken; gelaatstrekken
面子;メンツ mentsu eer; reputatie; prestige; aanzien; gezicht; standing; goede naam
面差し omozashi gelaatstrekken; gezichtstrekken; gelaat; gezicht
面持ち omomochi blik; gezicht; gelaatsuitdrukking; gezichtsuitdrukking; uitdrukking; gelaatsexpressie; expressie
面構え tsuragamae blik; gezichtsuitdrukking; gezicht; gelaatsuitdrukking; gelaatsexpressie; expressie
面皮 menpi (1) schaamteloosheid; onbeschaamdheid; (2) reputatie; eer; gezicht; (3) gevlei; vleierij; pluimstrijkerij; geflikflooi
面目 menboku (1) reputatie; eer; prestige; aanzien; krediet; goede naam; (2) gezicht; gelaatstrekken; voorkomen; uiterlijk
面目 menmoku (1) gezicht; gelaatstrekken; voorkomen; uiterlijk; (2) basisprincipes; geboden; regel; voorschrift; (3) reputatie; eer; prestige; aanzien; krediet; goede naam
面立ち omodachi gezicht; gezichtstrekken; gelaat; gelaatstrekken; looks
面 omote gezicht; gelaat; aangezicht
面 tsura (1) [inform.] gezicht; smoel; snoet; tronie; bakkes; facie; (2) oppervlak; oppervlakte; (3) [arch.] wang; koon; kaak; (a) gezicht; oppervlak
面 men (1) gezicht; aangezicht; gelaat; figuur; snuit; snoet; smoel; facie; [inform.] toet; [volkst.] snufferd; [volkst.] bakkes; [vulg.] smoelwerk; [volkst.;fig.] postzegel; [Barg.] treiter; [Barg.;volkst.] ponem; [min.] tronie; [Barg.] gebbe; [Barg.] kakement; [slang] fiselefasie; [slang] fiselemie; (2) masker; mombakkes; mom; [Barg.] schiebaart; (3) masker [bij lassen;sport: kendō;honkbal enz.]; (4) pagina (van een krant); bladzijde; (5) [wisk.] oppervlakte; vlak; (6) [technol.] facet [afschuining onder een hoek van 45°]; helling; schuinte; wand; (7) kant; aspect; zijde; latus; vlak; opzicht; gebied; (8) men [klap in het gezicht: bepaalde score in het kendō]; (9) [maatwoord voor vlakke voorwerpen (bv.: spiegels;luiten;suzuri 硯 [inktstenen]; maskers; schaakborden; bundels papier; kaartspelen; tennisbanen e.d.)]
顔付き kaotsuki (1) gelaatstrekken; gelaat; gezicht; gezichtje; trekken; [veroud.;form.] aanschijn; (2) blik; gelaatsuitdrukking; gezichtsuitdrukking; uitdrukking; expressie
顔立ち kaodachi gelaatstrekken; gelaat; gezicht; gezichtje; trekken
顔面 ganmen gezicht; aangezicht
顔 kao gezicht; gelaat; aangezicht; [veroud.;form.] aanschijn; [inform.] bakkes
風景 fuukei landschap; [i.h.b.] natuurlandschap; gezicht; uitzicht; vista; zicht,
骨相 kossou (1) lichaamsbouw; lichaamsgestel; fysiek; (2) fysionomie; uiterlijk; gezicht; gelaatstrek; trek; schedelbouw; schedelstructuur