日蘭辭典+

79 resultaten voor ‘gezicht’
日蘭辭典 (trefwoord)
kao
(顔) zn. (1) [] gezicht o.; gelaat o.; uiterlijk o. (2) [面目] eer v. (3) [面附] gelaatstrekken m. ¶ 知らない iemand, dien men niet kent; onbekende. ¶ 知らないをする doen alsof men iemand niet kent; doen alsof men van niets weet. ¶ が廣い veel kennissen hebben. ¶ 合はすがない niet onder de oogen durven komen. ¶ と相談する in den spiegel kijken. ¶ を洗ふ het gezicht wasschen. ¶ を出す zich vertoonen; tegenwoordig zijn. ¶ 顰める zuur gezicht trekken. ¶ 人のを立てる iemands goede naamredden. ¶ 判る ik zie het aan je gezicht!
aomuke-ni仰向けに
bw. met gezicht naar boven; op den rug liggend. ¶ 仰向になって游ぐ op den rug zwemmen. ¶ 仰向に倒れる achterover vallen.
tenbō展望
zn. uitzicht o.; gezicht o. ¶ 展望する uitzicht hebben; uitzien. ¶ 展望 periscoop. ¶ 展望 observatie wagen. ¶ 展望 uitkijktoren; observatorium.
koshiraeru拵へる

(拵える) t.w. (1) [造る] maken; bereiden; fabriceeren. (2) [建築] bouwen. (3) [捏造] verzinnen. (4) [發明] uitvinden. (5) [飾る] tooien; i.w. toilet maken. ¶ を拵へる gezicht opmaken; grimeeren; kamer optuigen. ¶ 口實を拵へる uitvlucht verzinnen. ¶ で拵へる waaruit wordt sake bereid?

menboku面目
zn (1) [名譽] waardigheid v.; eer v. (2) [顏色] gezicht o. ¶ 面目なる zijn familie tot eer strekken. ¶ 面目關する de eer is er mede gemoeid. ¶ 面目保つ zijn eer hoog houden; (俗) zijn figuur redden. ¶ 面目失ふ een gek figuur slaan; beschaamd staan. ¶ 面目改める een geheel ander aanzien krijgen.
hokori
(誇り) zn. trots m.; glorie v.; roem m. ¶ 誇顏 trotsch gezicht. ¶ 彼は我校の誇である hij is de trots van onze school; onze school is trotsch op hem.
me
(眼) zn. (1) [眼] oog o. (2) [視力] gezicht o. (3) [注] aandacht v. (4) [見界] gezichtspunt o.; oogpunt o. (5) [鑑識] oordeel o.; verstand o. (6) [織] structuur v. (7) [網目] mazen v.mv. (8) [鋸齒] tand m. (9) [木理] draad m.; grein o. (10) [遭遇] behandeling v.; bejegening v.; ervaring v. [同情] sympathie v.; welwillendheid v. (12) [刻] inkeping. ¶ 愛くるしい眼 mooie oogen. ¶ 血走った met bloed beloopen oogen. ¶ 眼を向ける het oog richten op; den blik slaan op. ¶ 眼を覺ます de oogen openen; wakker worden. ¶ 眼を晦ます zand in de oogen strooien. ¶ 入る in het gezicht komen. ¶ 附く de aandacht trekken. ¶ の前で voor oogen; in tegenwoordigheid. ¶ が善い goede oogen hebben; goed kunnen zien; goed van gezicht zijn. ¶ 眼が見えなくなる het gezicht verliezen. ¶ 眼を留める de aandacht vestigen op. ¶ から見ると in zijn oogen; van zijn standpunt gezien. ¶ 利く scherp zien; een goed oordeel hebben; goed kunnen beoordeelen. ¶ の細かな織物 fijn geweven goed. ¶ ひどいめに合ふ bittere ervaring hebben; slechte bejegening ondervinden. ¶ かける vriendelijk behandelen. ¶ の瘤 een doorn in het oog; ergernis. ¶ に障る niet om aan te zien. ¶ inkepingen in den weegstok. ¶ が切れて居る niet het volle gewicht hebben; te licht zijn.
tsura
zn. (1) [] gezicht o.; gelaat o.; aangezicht o. (2) [表面] oppervlakte v. ¶ からかひ面をする leelijke gezichten trekken.
ganbō顏貌
(顔貌) zn. uiterlijk o.; gezicht.
ongan溫顏
(温顔) zn. vriendelijk gezicht o.
gomensō御面相
(ご面相) zn. uiterlijk o.; gezicht o.
fushin不審
zn. (1) [疑問] twijfel m. (2) [嫌疑] verdenking v. ¶ 不審に思ふ vreemd vinden; verdacht vinden. ¶ 不審の念を起こす achterdocht opwekken. ¶  不審がる betwijfelen; in twijfel trekken. ¶ 不審さうな顏をする ongeloovig gezicht zetten.
kowai怖い

bn. vreeselijk; verschrikkelijk; beangstigend; ontzettende. ¶ 怖い顏をする woedend gezicht zetten. ¶ 怖い目に逢ふ bang zijn. ¶ 怖い思をする in angst zitten. ¶ そんな事をして後が怖くないか als je zoo iets doet, ben je dan niet bang voor de gevolgen?

kumoraseru曇らせる

t.w. verduisteren; met een wolk overtrekken. ¶ 寫眞を曇らせる sluieren. ¶ 彼は顔を曇らせた zijn gezicht betrok.

zenkei全景

zn. volledig gezicht o.; rondblik m.; panorama o.

zekkei絕景

zn. prachtig gezicht o.; verrukkelijk landschap o.

yugameru歪める

t.w. scheef trekken; verwringen. ¶ 顏を歪める leelijk gezicht trekken.

yome夜目

zn. gezicht bij nacht.

yokotsura橫面

(横面) zn. gezicht van op zijde; profiel o.

yokogao橫顏

(横顔) zn. profiel o.; silhouet o.; gezicht op zij gezien.

yakei夜景
warai

zn. lach m.; spotlach (嘲笑) m.; glimlach (微笑). ¶ 世人の笑を招く zich belachelijk maken. ¶ 笑出す beginnen te lachen; in lachen uitbarsten (大きな聲で). ¶ 笑顔 lachend gezicht. ¶ 笑事 belachelijks. ¶ 笑草にする belachelijk maken; bespotten. ¶ 笑草になる zich bespottelijk maken; uitgelachen worden. ¶ 笑上戸 iemand, die een vroolijken dronk heeft; goedlachsch iemand.

utsumukini俯向に

bw. ondersteboven; met het gezicht naar den grond; voorover. ¶ 俯向に倒れる voorover vallen. ¶ 俯向の neergeslagen; voorovergebogen. ¶ 俯向く het hoofd laten hangen; de oogen neerslaan.

utsubushini俯伏に

bw. ondersteboven; met gebogen hoofd. ¶ 俯伏に寢る slapen met het gezicht in het kussen.

ushirosugata後姿

zn. gezicht op iemand van achteren.

ushirokage後影

zn. gezicht op den achterkant; gezicht op een persoon, die weggaat.

urizanegao瓜核顏

(瓜核顔) zn. ovaal gezicht o.

urei

zn. (1) [愁] verdriet o.; droefenis v. (2) [憂] zorg v.; bezorgdheid v.; vrees v. ¶ 愁に沈む in diepe droefheid zijn. ¶ 水難の憂がある wij zijn bevreesd voor overstrooming; er is gevaar voor watersnood. ¶ 憂顏 lang gezicht.

umazura馬面

zn. lang gezicht o.

ukanukao浮かぬ顏

(浮かぬ顔) zn. bedenkelijk gezicht o.

tsukurigao作顏

(作顔) zn. gemaakt gezicht o.; gelegenheidsgezicht o.; geaffecteerd gezicht o. ¶ 作顏する veinzen.

SUPPLEMENT (trefwoord)
tariたり
Hulpwerkwoord van de schrijftaal of het klassiek Japans.
mizenrenyōshūshirentaiizenmeirei
たらたりたりたるたれたれ
たり sluit aan op de renyōkei. Het geeft de voltooiing van een handeling of een proces aan (modern -した) Geeft voortdurend effect van een voltooide handeling of proces (...heeft gedaan; -ている; -てある). (IT:95) たり is het schrijftaal equivalent van spreektaal た. Attributief: たる, predicatief: たり. ¶ 次にあらわれたるは女の顔《次にあらわれたのは女の顔》 het was het gezicht van een vrouw dat vervolgens verscheen ¶ あらわれたるは方屋黒タイツに空色《の》水着を着たデブさん wat is verschenen in de ring [is] Mevrouw dikzak gekleed in een hemelsblauw badpak en zwarte panties De attributieve vorm (たる) nominaliseert het voorafgaande zonder de tussenkomst van の (wat in het modern wel noodzakelijk is). (SEM:838)
nan to ka何とか
(frase) (1) op de een of andere wijze; op een of andere manier; enigerlei wijze; het een of ander; dit of dat; zus of zo. ¶ なんとかそのテストに受かった。 Nan to ka sono tesuto ni ukatta. Op een of andere manier ben ik geslaagd voor de test. ¶ なんとか日曜日までに家賃を払わないといけない。 Nan to ka nichiyōbi made ni yachin wo harawanai to ikenai. Op een of andere manier moet ik uiterlijk zondag de huur betalen. ¶ はなんとか時間までそこに着いた。 Boku wa nan to ka jikan made ni soko ni tsuita. Op een of andere manier lukte het me om er op tijd te komen. ¶ 彼女はなんとかして世間体をつくろった。 Kanojo wa nan to ka shite sekentei wo tsukurotta. Op een of andere wijze wist ze haar gezicht te bewaren. (2) (in plaats van de naam van iets of iemand) zus of zo; je-weet-wel; nog wat; hoe-heet-hij [zij, het]-ook al weer; ding; dinges. ¶ 田中なんとかというから電話がありました。 Tanaka nan to ka to iu hito kara denwa ga arimashita. Er was een telefoontje van een Tanaka-nog-wat voor je. ¶ 事部長のなんとかさんが捜してたよ。 Jinji buchō no nan to ka-san ga sagashite ta yo. De manager van personeelszaken, hoe heet hij ook al weer, was naar je op zoek. (yamasv) (TTC)
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <gezicht>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
ビジョン bijon (1) visie; (2) verschijning; droomverschijning; droombeeld; visioen; (3) het zien; gezichtsvermogen; gezicht; (4) aanblik; uitzicht
ビュー byuu (1) uitzicht; gezicht; zicht; (2) bezichtiging; kijk; visie
フェイス feisu (1) gezicht; aangezicht; gelaat; (2) coupure; (3) [bergsport] steile wand; helling; kant; (4) [golf] clubface; vlak dat de bal raakt; (5) Faith; Face
マスク masuku (1) masker; gezichtsmasker; mombakkes; mom; (2) mondkapje; mondmasker; (3) [m.b.t. boksen;lassen e.d.] hoofdbeschermer; (4) gezicht; gelaat; gelaatstrekken; voorkomen; uiterlijk; (5) [elektronica] tekening van een geïntegreerde schakeling
光景 koukei (1) zicht; gezicht; schouwspel; tafereel; aanblik; (2) toestand; conditie; situatie; (3) landschap; uitzicht; zicht
器量 kiryou (1) talent; vermogen; capaciteit; gave; bekwaamheid; kaliber; formaat; (2) [女性の] uiterlijk; voorkomen; looks; trekken; gelaatstrekken; gezicht; (3) [男性の] reputatie; verdienste; eer; goede naam
zu (1) tekening; schets; figuur; illustratie; schema; [i.h.b.] kaart; [i.h.b.] grafiek; [i.h.b.] diagram; (2) schouwspel; aanblik; gezicht; (3) plannetje; intrige; (4) [maatwoord voor tekeningen;schetsen]
展望 tenbou (1) uitzicht; gezicht; (2) vooruitzicht; verwachting; kansen; aspect; (3) kijk; visie; opvatting; zienswijze; mening; observatie
形相 gyousou blik; gelaatsuitdrukking; gezicht; uiterlijk; voorkomen
情景 joukei (1) stemming en natuurschoon; gemoeds- en natuurgesteldheid; (2) tafereel; schouwspel; gezicht; toestand; omstandigheid; situatie
kei (1) uitzicht; gezicht; landschap; tafereel; schouwspel; (2) [ton.] deel van een bedrijf; scène; toneel; episode; (3) [maatwoord voor scènes]; (a) uitzicht; schouwspel; (b) toestand; situatie; (c) groot; fortuinlijk; (d) iets extra's geven; (e) bewonderen; respecteren
景色 keshiki (1) landschap; natuurschoon; (2) zicht; uitzicht; gezicht
有様 arisama (1) toestand; staat; gesteldheid; conditie; situatie; omstandigheden; (2) aanblik; gezicht; uitzicht; schouwspel; spektakel
様;状 sama (1) voorkomen; aanblik; uitzicht; aanzien; schijn; gezicht; air; toestand; staat; gesteldheid; situatie; omstandigheden; (2) -elings; -waarts [drukt een richting;oriëntatie uit]; (3) meneer; mijnheer; [afk.] m.; de heer; [afk.] dhr.; mevrouw; [afk.] Mw.; [afk.] Mevr.; madame; [afk.] Mme.; [afk.] Mad.; juffrouw; mejuffrouw; [afk.] Mej. [eerbetonend suffix;voorafgegaan door een naam;titel;status e.d.]; (4) [vaak i.c.m. het prefix o お of go ご een kwalificatie inklemmend]; (5) [voorafgegaan door de ren'yōkei van een dōshi noemt het de handeling die iem. net op het punt staat te doen]; (6) [voorafgegaan door de ren'yōkei van een dōshi noemt het de wijze of manier waarop een handeling zich voltrekt]
気色 kishoku (1) gezichtsuitdrukking; gezicht; gelaatsuitdrukking; gelaat; gelaatstrekken; trekken; uitdrukking; expressie; blik; uiterlijk; mimiek; (2) gevoel; gemoedstoestand; geestestoestand; stemming; mood; bui; humeur; luim; (3) conditie; staat van gezondheid; gezondheidstoestand; (4) intentie; voornemen; (5) omstandigheden; situatie; (6) vormelijkheid
目付き metsuki blik; gelaatsuitdrukking; gezicht; uitdrukking in de ogen
目;眼 me (1) oog; doppen; kijkers; [kindert.] piepers; kijkerd; gaten; glimmers; [gew.;vulg.] keut; [Barg.] glimmerik; [Barg.] spanling; [Barg.;volkst.] lampjes; (2) het zien; gezicht; gezichtsvermogen; zicht; gezichtsveld; vizier; blik; oogopslag; kijk; optiek; gezichtspunt; oogpunt; zienswijze; inzicht; zorg; (3) aanzicht; aanblik; (4) ervaring; (5) opening; tussenruimte; (6) maatstreep; maat; (7) volume; inhoud; (8) foei; (9) -ste; -de [ordinaal suffix]; (10) [achtervoegsel dat een grens of raakvlak tussen twee zaken;toestanden e.d. markeert;het wordt aangesloten op de ren'yōkei van werkwoordsvormen]; (11) -ig [aangesloten op de stam van adjectieven of op de ren'yōkei van werkwoorden;drukt een mate;eigenschap of tendens uit die neigt naar het genoemde]
眺め;眺 nagame uitzicht; zicht; gezicht; vergezicht; aanblik
眺望 choubou uitzicht; vergezicht; zicht; gezicht; panorama
色目 irome (1) tint; schakering; kleurschakering; toon; coloriet; (2) [襲の] kleurencombinatie; (3) verliefde; smachtende blik; gelonk; (4) gelaatsuitdrukking; expressie; gezicht; voorkomen; uiterlijk; air
表情 hyoujou (1) expressie; uitdrukking; gelaatsuitdrukking; blik; mimiek; gezicht; (2) gevoelsuitdrukking; gevoelsuiting; expressie
見た目 mitame aanblik; gezicht; schijn; uiterlijk
見掛け mikake schijn; uiterlijk; het eruitzien; aanzicht; aanzien; gezicht; voorkomen; aanschijn; het voordoen; show; schijnvertoning; façade
見晴らし miharashi uitzicht; gezicht; zicht
mie voorkomen; aanblik; uitzicht; gezicht; verschijning; uiterlijk; gedaante
視力 shiryoku gezichtsvermogen; gezicht; zicht
視覚 shikaku gezicht; zicht
kan (1) voorkomen; uitzicht; uiterlijk; schijn; aanzien; aanblik; blik; gezicht; spektakel; schouwspel; (2) zienswijze; opvatting; kijk; visie
面付き tsuratsuki (1) wang; koon; [Belg.N.] kaak; (2) blik; gelaatsuitdrukking; gezichtsuitdrukking; uitdrukking; gezicht; expressie; gelaat; trekken; gelaatstrekken
面子;メンツ mentsu eer; reputatie; prestige; aanzien; gezicht; standing; goede naam
面差し omozashi gelaatstrekken; gezichtstrekken; gelaat; gezicht
面持ち omomochi blik; gezicht; gelaatsuitdrukking; gezichtsuitdrukking; uitdrukking; gelaatsexpressie; expressie
面構え tsuragamae blik; gezichtsuitdrukking; gezicht; gelaatsuitdrukking; gelaatsexpressie; expressie
面皮 menpi (1) schaamteloosheid; onbeschaamdheid; (2) reputatie; eer; gezicht; (3) gevlei; vleierij; pluimstrijkerij; geflikflooi
面目 menboku (1) reputatie; eer; prestige; aanzien; krediet; goede naam; (2) gezicht; gelaatstrekken; voorkomen; uiterlijk
面目 menmoku (1) gezicht; gelaatstrekken; voorkomen; uiterlijk; (2) basisprincipes; geboden; regel; voorschrift; (3) reputatie; eer; prestige; aanzien; krediet; goede naam
面立ち omodachi gezicht; gezichtstrekken; gelaat; gelaatstrekken; looks
omote gezicht; gelaat; aangezicht
tsura (1) [inform.] gezicht; smoel; snoet; tronie; bakkes; facie; (2) oppervlak; oppervlakte; (3) [arch.] wang; koon; kaak; (a) gezicht; oppervlak
men (1) gezicht; aangezicht; gelaat; figuur; snuit; snoet; smoel; facie; [inform.] toet; [volkst.] snufferd; [volkst.] bakkes; [vulg.] smoelwerk; [volkst.;fig.] postzegel; [Barg.] treiter; [Barg.;volkst.] ponem; [min.] tronie; [Barg.] gebbe; [Barg.] kakement; [slang] fiselefasie; [slang] fiselemie; (2) masker; mombakkes; mom; [Barg.] schiebaart; (3) masker [bij lassen;sport: kendō;honkbal enz.]; (4) pagina (van een krant); bladzijde; (5) [wisk.] oppervlakte; vlak; (6) [technol.] facet [afschuining onder een hoek van 45°]; helling; schuinte; wand; (7) kant; aspect; zijde; latus; vlak; opzicht; gebied; (8) men [klap in het gezicht: bepaalde score in het kendō]; (9) [maatwoord voor vlakke voorwerpen (bv.: spiegels;luiten;suzuri 硯 [inktstenen]; maskers; schaakborden; bundels papier; kaartspelen; tennisbanen e.d.)]
顔付き kaotsuki (1) gelaatstrekken; gelaat; gezicht; gezichtje; trekken; [veroud.;form.] aanschijn; (2) blik; gelaatsuitdrukking; gezichtsuitdrukking; uitdrukking; expressie
顔立ち kaodachi gelaatstrekken; gelaat; gezicht; gezichtje; trekken
顔面 ganmen gezicht; aangezicht
kao gezicht; gelaat; aangezicht; [veroud.;form.] aanschijn; [inform.] bakkes
風景 fuukei landschap; [i.h.b.] natuurlandschap; gezicht; uitzicht; vista; zicht,
骨相 kossou (1) lichaamsbouw; lichaamsgestel; fysiek; (2) fysionomie; uiterlijk; gezicht; gelaatstrek; trek; schedelbouw; schedelstructuur
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.42 sec. jiten.nl: 33 treffers, warandict: 46 treffers (zoekopdracht: 'gezicht'). 
2005-2026