日蘭辭典+

45 resultaten voor ‘wagen’
日蘭辭典 (titelwoord)
wagen和絃

zn. accoord o. ¶ 和絃の harmonisch.

日蘭辭典 (trefwoord)
abunaku危く
(危なく) bw. (1) [危險] gevaarlijk. (2) [殆ど] bijna; op het punt van. ¶ 危くなる gevaar loopen. ¶ 危くする op het spel zetten; wagen. ¶ 命を危くして met gevaar voor zijn leven; met levensgevaar.
aete敢て
(敢えて) bw. onvervaard; zonder aarzelen. ¶ 敢て云う onvervaard zeggen. ¶ 敢てする het wagen om......; zoo vrij zijn om......; durven.
tenbō展望
zn. uitzicht o.; gezicht o. ¶ 展望する uitzicht hebben; uitzien. ¶ 展望 periscoop. ¶ 展望 observatie wagen. ¶ 展望 uitkijktoren; observatorium.
seimei生命
zn. leven o.; hart o.; kern v. ¶ 生命保險 levensverzekering. ¶ 生命を賭する zijn leven op het spel zetten.
suteru捨てる、棄てる
t.w. (1) [放棄] weggooien; wegwerpen. (2) [人、希望権利等] verzaken; opgeven; prijs geven; aan zijn lot overlaten; den rug toekeren; verstooten. ¶ を棄てる kind verstooten; kind te vondeling leggen. ¶ 一命を捨てて met levensgevaar. ¶ 一命を捨てる zijn leven wagen. ¶ を捨てる zich uit de wereld terugtrekken.
kuruma
zn. (1) [運ぶ] voertuig o.; rijtuig o.; wagen (四輪) v.; rikisha v.; vrachtwagen (資) v.; vrachtkar (荷) v. (2) [車輪] wiel o.; rad o.¶ 乗る per rijtuig gaan; in een rikisha gaan. ¶ 諸輪通行止 verboden voor alle voertuigen. ¶ vracht; wagenhuur.
kakeru賭ける
i.w. wedden; t.w. opzetten; wagen. ¶ を賭ける zijn leven op het spel zetten.
dai
zn. (1) [足臺] voetstuk o. tafel (卓) v. (2) [腰掛] bank v. (3) [薪割等の] blok o. (4) [基礎] grondslag m.; basis v. (5) [地] terras o.; tafelland o. (6) [橋] pijler m. steenen beer m. ¶ 樂譜 muziekstandaard. ¶ 三十で tusschen de 30 en 40 jaar. ¶ vijf wagens.
bōken冒險

(冒険) zn. waagstuk o.; avontuur o. ¶ 冒險的 gewaagd; avontuurlijk. ¶ 冒險する wagen. ¶ 冒險談 avontuurlijk verhaal. ¶ 冒險者 waaghals; avonturier. ¶ 冒險貸借 bodemerij.

koshō故障

zn. [障碍] belemmering v.; beletsel o.; moeilijkheid v.; bedrijfsstoring v.(2) [事故] ongeval o. (3) [異議] bezwaar o.; protest o.(4) [破損] schade v. (5) [缺點] gebrek o. ¶ 故障を言ふ, bezwaar maken; protesteeren. ¶ 故障車 onbruikbare wagen; kapotte wagen. ¶ 故 障なく zonder moeilijkheden; glad; zonder bezwaren; vlot.

kudakeru碎ける

(砕ける) i.w. (1) [破碎] breken; kapot gaan; uit elkaar vallen; instorten. (2) [さばける] beminnelijk zijn; minzaam zijn. ¶ 碎けて出る minzaam spreken. ¶ 碎けて言へば ronduit gezegd. ¶ 當つて碎けろ wagen; het gevaar loopen.

zensha前車

zn. voorste wagen; (砲の) affuit o.; voorwagen v. ¶ 前車の覆るは後車の戒なり een schip gestrand een baken in zee.

ushiromaeni後前に

bw. achterstevoren; omgekeerd; het paard achter den wagen.

un

zn. lot o.; geluk o.; fortuin v. ¶ 運が向く de fortuin lacht……toe; geluk hebben. ¶ 運が盡きる het is met……gedaan; de ster van zijn geluk is ondergegaan. ¶ 運を試す zijn geluk beproeven; een kansje wagen. ¶ 運惡く ongelukkig; ongelukkigerwijze; helaas. ¶ 運よく gelukkig; goddank. ¶ 運は天に在り ons lot is in Gods hand.

undameshi運試し

zn. beproeving van het geluk. ¶ 運試しをする zijn geluk beproeven; een kans wagen.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <wagen>
やってみる yattemiru (het) proberen; eens iets proberen; een poging doen; ondernemen; wagen; iets pogen te doen; iets uitproberen; een gooi doen (naar)
カー wagen; auto
チャレンジする charenjisuru [~に] aandurven; een poging doen tot; ingaan op; proberen; wagen
ビークル bīkuru voertuig; vervoermiddel; wagen
ホイール hoīru (1) wiel; rad; (2) auto; wagen; kar
マイ・カー maikā z'n eigen auto; wagen
マシン mashin (1) machine; (2) motorfiets; motor; (3) auto; wagen
マシーン mashīn (1) machine; (2) motorfiets; motor; (3) auto; wagen
一頭立ての馬車 ittōtatenobasha wagen; rijtuig met één paard
中古車 chūkosha tweedehands auto; wagen; tweedehandsauto; tweedehandswagen; occasion; [Belg.N.] occasie
(1) rijtuig; rijdier; paard en kar; (2) geschiedboek; geschiedrol; geschiedenis; annalen; (3) [boeddh.] yāna [= voertuig;middel]; (4) [rekenk.] vermenigvuldiging; multiplicatie; (5) [maatwoord voor rijtuigen of strijdwagens]; (a) bestijgen; aan boord zetten; (b) wagen; kar; (c) geschiedboek; (d) vermenigvuldiging
企てる kuwadateru plannen; beramen; smeden; van plan zijn; van zins zijn; bekokstoven; bekonkelen; in de zin hebben; het erop aanleggen; aanstichten; ondernemen; wagen; een poging doen tot; proberen
企図する kitosuru (1) plannen; van plan zijn; van zins zijn; [Belg.N.] zinnens zijn; voorhebben; zich voornemen; beramen; het erop aanleggen; uitstippelen; beogen; op het oog hebben; in overweging hebben; (2) ondernemen; wagen; een poging doen tot; proberen; pogen
冒す okasu (1) trotseren; tarten; uitdagen; het hoofd bieden; braveren; [危険を] lopen; riskeren; wagen; op het spel zetten; in de waagschaal stellen; (2) [geneesk.] aantasten; schaden; treffen; (3) schenden; ontheiligen; profaneren; ontwijden; desacraliseren; violeren; afbreuk doen aan; lasteren; [veroud.;lit.t.] schennen; (4) [姓を] aannemen; voeren; dragen; [i.h.b.] claimen; usurperen; zich aanmatigen; zich uitgeven voor
冒険する bōkensuru avonturen; wagen; riskeren; op het spel zetten; in de waagschaal stellen
危ない橋を渡る abunaihashiowataru ± zich op glad ijs begeven; wagen; ± met vuur spelen; ± zich aan het gevaar blootstellen
四輪車 yonrinsha vierwieler; wagen; kar; voertuig op vier wielen; karos; [i.h.b.] boerenwagen; boerenkar
大型車 ōgatasha grote auto; wagen; bak
懸ける kakeru (1) op het spel zetten; tot inzet maken; inzetten; verwedden; wagen; riskeren; (2) [賞金を] uitloven; (3) [望みを] stellen
敢行する kankōsuru (1) gedecideerd; vastberaden optreden; fors ingrijpen; (2) durven; aandurven; wagen; het lef hebben te; (3) uitvoeren; verrichten; doen; ten uitvoer brengen; ten uitvoer leggen; implementeren
自動車;自働車 jidōsha auto; automobiel; motorrijtuig; motorvoertuig; wagen; [scherts.;inform.] kar
荷車 niguruma kar; wagen; vrachtkar
記載する kisaisuru (1) vermelden; melden; opgave doen; opgeven; gewag maken; [veroud.] wagen; (2) aantekenen; optekenen; noteren; opschrijven; neerschrijven; boeken; te boek stellen; boekstaven; inschrijven; registreren; vastleggen; coucheren
試みる kokoromiru pogen; testen; beproeven; proberen; uitproberen; een poging doen; wagen
賭ける kakeru wedden; verwedden; verzetten; inzetten; (op het spel) zetten; wagen; [w.g.] pariëren
踏み切る fumikiru (1) besluiten tot; beslissen te; aanpakken; wagen; de beslissende stap nemen; de sprong wagen; (2) [sumō-jargon] met de hiel grond buiten de ring raken; (3) zich afzetten (om een verre; hoge sprong te nemen); (4) [鉄道線路を] oversteken; kruisen; (5) [鼻緒を] stuklopen
車両 sharyō (1) voertuig; wagen; vehikel; (2) [verzameln.;spoorw.] rollend; rijdend materieel; (3) [spoorw.] wagon; rijtuig; spoorwagon; spoorrijtuig; treinstel; spoortrein
kuruma (1) wiel; rad; (2) voertuig op wielen; rijtuig; koets; wagen; kar; (3) riksja; (4) auto; wagen; automobiel; (5) ring; vorm van een ring; ringvormig object
sha (1) kar; wagen; voertuig; rijtuig; (2) x wagens [kwantor voor voer- en rijtuigen]
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.22 sec. jiten.nl: 16 treffers, warandict: 29 treffers (zoekopdracht: 'wagen'). 
2005-2026