
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (trefwoord)
agaru・上る
(上がる ) i.w. (1) [上昇] stijgen; rijzen; klimmen; naar boven gaan. (2) [木に] in een boom klimmen. ¶ 椅子にあがる op een stoel klimmen. (3) [陸に] aan wal stijgen; aan wal gaan. (4) [日が] opgaan. (5) [旗が] geheschen worden. (6) [騰貴] stijgen. (7) [昇進] promotie maken; bevorderd worden. (8) [進步] vooruitgaan; vorderingen maken. (9) [罷める] ontheven worden van; ontslagen worden als. (10) [收入] ontvangen. (11) [休止] ophouden. ¶ 雨があがった de regen heeft opgehouden. ¶ 天氣が上る het weer is opgeklaard.
yakushin・躍進
zn. stormloop m.; sprong m. ¶ 躍進する stormloopen; met sprongen vooruitgaan.
zōshin・增進
(増進) zn. vordering v.; vooruitgang m. ¶ 增進する vooruitgaan; verbeteren. ¶ 增進を計る bevorderen.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <vooruitgaan>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
アップする appusuru (1) vooruitgaan; stijgen; beter worden; (2) [sportt.] de grens van … breken; (3) [comp.] uploaden
上達する joutatsusuru (1) vooruitgang boeken; maken (met); vooruitgaan; vorderen; vorderingen maken; beter worden; verbeteren; vaardig; kundig; behendig; bedreven worden; (2) tot een hogere instantie doordringen; bij iems. meerdere bekend worden
伸びる nobiru (1) groeien; in lengte toenemen; rekken; strekken; [w.g.] uitrekken; (2) zich strekken; gestrekt raken; [van kreuken e.d.] vlak worden; glad worden; uitgestreken raken; (3) verslappen; verweken; murwen; (4) vooruitgaan; beter worden; groeien; zich ontplooien; stijgen; toenemen; (5) zich (goed) laten uitsmeren; (goed) uitsmeren; (goed) smeren; (6) uitgeteld raken; uitgevloerd raken; knock-out gaan; geradbraakt raken; uitgeput raken; afgesloofd raken; afgemat raken; de rek gaat eruit; bekaf raken; afgepeigerd raken; afgeknoedeld raken; murw raken; voor Pampus gaan liggen; tegen de vlakte gaan
先んじる sakinjiru (1) voorgaan; vooruitgaan; voorafgaan; vooruitlopen; precederen; (2) voor zijn; vooruit zijn; voorsprong hebben
先発する senpatsusuru eerst starten; eerder vertrekken; vooruitgaan; voorafgaan; voorgaan; vooruitgestuurd zijn; de spits afbijten
先行き sakiyuki (1) toekomst; (2) vooruitzichten; verwachtingen; (3) het vooruitlopen; vooroplopen; vooruitgaan; voorafgaan
先行する senkousuru voorgaan; voorafgaan; vooropgaan; vooruitgaan; antecederen; precederen
前進する zenshinsuru vooruitgaan; voortgaan; voortschrijden; vooruitkomen; vorderen; avanceren; vooruitgang boeken; vorderingen maken; voorwaarts gaan; naar voren komen; verder gaan
台頭する taitousuru (1) de kop opsteken; het hoofd omhoogsteken; z'n hoofd verheffen; zich vertonen; op de voorgrond treden; (2) opkomen; opgang maken; opgeld doen; veld; terrein winnen; vooruitgaan
向上する koujousuru vooruitgaan; beter worden; verbeteren; vorderen; stijgen; vooruitgang boeken; vorderingen maken
延びる nobiru (1) verlengd worden; geprolongeerd worden; uitgesteld worden; verdaagd worden; opgeschort worden; verschoven worden; verzet worden; (2) [m.b.t. de dagen enz.] lengen; [m.b.t. vergadering e.d.] uitlopen; langer duren; (3) zich uitstrekken [naar het noorden enz.]; reiken (tot); (4) vooruitgaan; beter worden; groeien; zich ontplooien; stijgen; toenemen; (5) zich (goed) laten uitsmeren; (goed) uitsmeren; (goed) smeren
改善する kaizensuru verbeteren; vooruitgaan; (iets) beter maken
流行る hayaru (1) opkomen; in de mode komen; opgang maken; in (zwang) raken; in trek raken; in de lift zitten; populair worden; mode worden; [fig.] ingang vinden; opgeld doen; furore maken; een rage worden; (2) [van ziekten enz.] woeden; om zich heen grijpen; woekeren; heersen; grasseren; rondwaren; (3) lekker draaien; goedlopend zijn; bloeien; welvaren; vooruitgaan; [veroud.] opnemen; veel klandizie hebben; goed beklant zijn; [i.h.b.] een drukke praktijk hebben; goeie zaken doen; het gaat [de zaak enz.] voor de wind; het gaat goed met [de onderneming enz.]; het gaat iem. naar den vleze
繁盛する hanjousuru [商売が] bloeien; floreren; vooruitgaan; goed lopen; het goed doen; succes hebben; goed boeren
行く;往く;逝く yuku (1) gaan; zich bewegen naar; zich begeven; stevenen; koersen; koers zetten; aangaan op; tijgen; varen; treden; trekken; [m.b.t. wegen] leiden; voeren; (2) komen; aankomen; arriveren; bereiken; bezoeken; aandoen; langskomen; (3) langsgaan; passeren; voorbijgaan; vlieden; vervlieden; verstrijken; verlopen; langskomen; langstrekken; voorbijlopen; wegstromen; vlieten; overwaaien; verdwijnen; (4) heengaan; sterven; verscheiden; verlaten; vertrekken; weggaan; afreizen; afvaren; (5) [als bruid;schoonzoon;adoptiekind enz.] toetreden tot haar; zijn nieuwe familie; (6) genoegen vinden; tevreden zijn; vergenoegd zijn; (7) vooruitgaan; vorderen; voortgaan; opschieten; gedaan worden; uitgevoerd worden; toegepast worden; vallen; uitvallen; uitpakken; aflopen; (8) ontstaan; opleveren; resulteren in; brengen; (9) komen; klaarkomen; [volkst.] aan zijn gerief komen; een orgasme krijgen; afgaan; [volkst.;m.b.t. mannen] schieten; (10) blijven ~ [drukt voortduring;voortgang van een handeling of toestand uit]
進 shin (a) vorderen; naar voren komen; (b) promoveren; (c) verbeteren; vooruitgaan; (d) schenken; aanbieden
進む susumu (1) vooruitgaan; vooruitkomen; vorderen; zich voortbewegen; voortgaan; doorgaan; doorlopen; koers zetten (naar); stevenen (naar); aantrekken (op); zich begeven naar; voortschrijden; voorwaarts gaan; oprukken; [mil.] avanceren; (2) vooruitgang boeken; tonen; vorderingen maken; opschieten; vlotten; (goede) voortgang hebben; zich voortzetten; [vlot;goed enz.] verlopen; een [vlot;goed;stroef enz.] verloop hebben; (3) [ている] gevorderd zijn; [ている] geavanceerd zijn; [ている] zijn tijd vooruit zijn; (4) in een hogere klas komen; naar een hogere klas gaan,; overgaan; promoveren (naar); overstappen; promotie maken; bevorderd worden; (in rang) opklimmen; vooruitkomen; (5) zich ontwikkelen; zich doorzetten; erop vooruitgaan; verder gaan; op een hoger plan komen; (6) [m.b.t. klok] voorlopen; voorgaan; te snel lopen
進展する shintensuru zich ontwikkelen; zich ontvouwen; vorderen; vooruitgaan; vooruitgang maken; voortgaan; evolueren; voortschrijden
進捗する shinchokusuru vooruitgaan; opschieten; vorderen; vooruitkomen; voortschrijden; avanceren; vooruitgang boeken
進歩する shinposuru vooruitgaan; voortschrijden; vorderen; voortgaan; vooruitkomen; opschieten; vooruitgang boeken; vorderingen maken; avanceren; verbeteren
進行する shinkousuru (1) vooruitgaan; voortgaan; voortgang hebben; voortschrijden; vorderen; verlopen; (2) vooruitgang boeken; vorderingen maken; opschieten; (3) [病気が] slechter; erger worden; verergeren; verslechteren
運ぶ hakobu (1) vorderen; vooruitgaan; opschieten; (vlot) verlopen; vooruitkomen; (goed) gaan; (2) vervoeren; transporteren; overbrengen; aanvoeren; aanbrengen; brengen; voeren; (3) [zijn schreden enz.] wenden naar; [koers enz.] richten naar; [geen stap;voet enz.] verzetten; (4) voortgaan met; voortzetten; vervolgen; [de pen enz.] voeren
開ける;展ける hirakeru (1) zich openen; geopend worden [voor het publiek enz.]; (2) zich ontrollen; opengaan; zich ontvouwen; (3) zich ontwikkelen; vooruitgaan; geciviliseerd raken; (4) openstaan voor; weten om te gaan met
Tijd: 1.65 sec. jiten.nl: 3 treffers, warandict: 23 treffers (zoekopdracht: 'vooruitgaan').
2005-2026
