
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (trefwoord)
agaru・上る
(上がる ) i.w. (1) [上昇] stijgen; rijzen; klimmen; naar boven gaan. (2) [木に] in een boom klimmen. ¶ 椅子にあがる op een stoel klimmen. (3) [陸に] aan wal stijgen; aan wal gaan. (4) [日が] opgaan. (5) [旗が] geheschen worden. (6) [騰貴] stijgen. (7) [昇進] promotie maken; bevorderd worden. (8) [進步] vooruitgaan; vorderingen maken. (9) [罷める] ontheven worden van; ontslagen worden als. (10) [收入] ontvangen. (11) [休止] ophouden. ¶ 雨があがった de regen heeft opgehouden. ¶ 天氣が上る het weer is opgeklaard.
awa・泡
zn. schuim o.; bel (氣泡) v. ¶ 水の泡となる op niets uitloopen; in rook vervliegen
wakudeki・惑溺
zn. verslaafdheid v. ¶ 惑溺する overslaafd zijn aan; opgaan in; bekoord zijn door; verleid worden door.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <opgaan>
上がる agaru (1) [段を] opgaan; oplopen; opkomen; [坂を] opklimmen; beklimmen; [二階に] naar boven gaan; komen; (2) [幕が] opgaan; [遮断機が] omhooggaan; [狼煙;花火が] opstijgen; omhoogstijgen; de lucht in gaan; omhoogvliegen; [煙が] optrekken; [火の手が] oplaaien; [旗が] in top gaan; gehesen worden; [表彰の額が] opgehangen worden; [馬が] steigeren; [髪が] recht overeind gaan staan; te berge rijzen; [神が] opvaren; verrijzen; ten hemel klimmen; [声が] zich verheffen; geslaakt worden; [歓声が] weerklinken; [名が] beroemd worden; (3) [草が] uit de grond komen; uitkomen; opgroeien; opschieten; oprijzen; omhoogrijzen; opwassen; kiemen; (4) [水から] uit het water komen; [風呂;湯から] uit (het) bad komen; [陸に] op het droge komen; aan land gaan; landen; (5) [事実が] aan het licht komen; aan de dag komen; aan de oppervlakte komen; bovenkomen; gevonden worden; blijken; zich voordoen; zich manifesteren; optreden; [証拠が] voorhanden komen; [成果が] resultaat opleveren; [効果が] effect sorteren; uitwerking hebben; (6) [物価;血圧;気温が] stijgen; oplopen; opslaan; klimmen; toenemen; hoger worden; [econ.] aantrekken; [程度が] aan kracht winnen; verhevigen; groter worden; groeien; aangroeien; vermeerderen; [右肩が] hoger uitkomen; (7) [初舞台で] flippen; panikeren; de kluts kwijtraken; van de wijs raken; [Belg.N.] de trac in z'n lijf krijgen; (8) [利益が] opbrengen; opleveren; afwerpen; geven; afkomen; voortkomen; (9) [地位が] promotie maken; promoveren; klimmen; opklimmen; bevorderd worden; zich opwerken; (10) [成績;腕前が] verbeteren; vooruitgang boeken; [男ぶりが] er knapper op worden; opknappen; [意気が] opleven; opkikkeren; opgemonterd raken; opfleuren; [調子が] op dreef komen; op gang komen; in de stemming raken; (11) [大学に] aan de universiteit komen; [学校に] voor het eerst naar school gaan; beginnen; overgaan; (12) [座敷に] binnengaan; binnenkomen; binnentreden; ingaan; [舞台に] op het toneel komen; ten tonele komen; op het toneel verschijnen; opgaan; optreden; [妓楼に] bezoeken; naar de hoeren gaan; [お屋敷に] in dienst gaan; (13) [京都で] naar het noorden gaan; noordwaarts reizen; noordelijk trekken; [田舎から] naar het stedelijk gebied gaan; naar de grote stad; hoofdstad overkomen; [大阪で] naar het kasteel gaan; (14) teruggaan in tijd; opklimmen; dateren van; uit; (15) [仕事が] ten einde komen; afkomen; klaarkomen; gereedkomen; voltooid worden; afraken; (16) [双六;トランプ;マージャンで] winnen; uit zijn; (17) [雨が] ophouden; optrekken; [夕立が] wegtrekken; overgaan; [脈;月経;つわりが] stoppen; aflopen; [乳が] minder melk beginnen geven; aflaten; [バッテリーが] het laten afweten; leeglopen; (18) [魚;貝;虫が] sterven; [草木が] afsterven; verdorren; verwelken; [蚕が] zich verpoppen; beginnen te spinnen; (19) [商売が] kwakkelen; sukkelen; (20) [犯人が] gearresteerd worden; gevat worden; aangehouden worden; ingerekend worden; gesnapt worden; opgepakt worden; (21) [領地;役目が] verbeurdverklaard worden; geconfisqueerd worden; (22) [お灯明が] geofferd worden; gebracht worden; geschonken worden; (23) [貴人の膳が] afgeruimd worden; (24) [天ぷらが] gefrituurd worden; gebakken worden; (25) [hum.] gaan; op bezoek gaan; komen; z'n opwachting maken bij; langsgaan; langskomen; (26) [hon.] eten; drinken; nemen; nuttigen; gebruiken; (27) […~] klaar-; af-; gereed-; (28) […~] hevig …; intens …; compleet …; (29) […~] [krachtterm]
上る noboru (1) opgaan; omhooggaan; stijgen; klimmen; opstijgen; [i.h.b.] stroomopwaarts gaan; [i.h.b.] opvaren; [ten hemel enz.] varen; [de troon] bestijgen; [de troon] beklimmen; opklimmen (tot); omhoogkomen [in de maatschappij]; [de trap enz.] oplopen; [de ladder enz.] opgaan; opstappen; (2) richting centrum gaan; [i.h.b.] naar de hoofdstad trekken; [i.h.b.] naar Tokio opkomen; (3) belopen; bedragen; oplopen (tot); bereiken; (4) [ter sprake;ter tafel;aan de orde enz.] komen
上昇する;上升する jōshōsuru stijgen; omhooggaan; klimmen; rijzen; opgaan; opkomen
倒産する tōsansuru failliet gaan; bankroet gaan; crashen; failleren; springen; zich ruïneren; op de fles gaan; [scherts.] op de flacon gaan; [fig.] een sprong door de ton doen; [fig.] duikelen; [fig.] tuimelen; eronderdoor gaan; (om)vallen; te gronde gaan; naar de kelder gaan; over de kop gaan; [Belg.N.] overkop gaan; [Barg.] pleite gaan; [veroud.] een bankje leggen; [veroud.] door de ton gaan; [veroud.] naar Vianen gaan; [veroud.] naar Kuilenburg gaan; [gew.] opgaan
値上がりする neagarisuru in prijs stijgen; rijzen; verduren; duurder worden; opslaan; opgaan; [beurst.] willigen
出る deru (1) naar buiten gaan; naar buiten komen; zich vertonen; uitbreken; uitgaan; uitkomen; verlaten; vandaan gaan (bij); vertrekken; [m.b.t. boot] afvaren; [i.h.b.] afstuderen (aan); [i.h.b.] aftrek vinden; weggaan; (2) verschijnen; opkomen; voor de dag komen; opduiken; te voorschijn komen; zich voordoen; rijzen; voorkomen; [aan de telefoon enz.] komen; [m.b.t. zon] opgaan; rijzen; doorkomen; [m.b.t. bloemknoppen enz.] uitkomen; uitlopen; [i.h.b.] ontdekt worden; [m.b.t. geesten;spoken] waren; (3) uitsteken; naar buiten steken; opsteken; uitspringen; oprijzen; (4) bijwonen; aanwezig zijn bij; gaan naar; deelnemen aan; meedoen aan; [voor het gerecht enz.] verschijnen; in [zaken;het bedrijfsleven;de politiek enz.] gaan; (5) [m.b.t. wegen] leiden naar; voeren naar; uitkomen op; tegenkomen; bereiken; aantreffen; vinden; stuiten op; (6) te buiten gaan; overschrijden; gaan over; passeren; (7) ontspruiten (aan); komen uit; voortkomen (uit); voortspringen uit; ontstaan uit; beginnen; ontspringen; ontsnappen; [fig.] opwellen; [lit.t.] ontwellen; zijn oorsprong ontlenen aan; zijn oorsprong vinden in; teruggaan op; afstammen van; afkomen van; stammen uit; voortspruiten uit; (8) verschijnen; uitkomen; uitgegeven worden; gepubliceerd worden; [i.h.b. de pers enz.] halen; (9) krijgen; verkrijgen; [arch.] bekomen; [m.b.t. gerecht] opgediend worden; geserveerd worden; [m.b.t. bedrag;premie] uitgekeerd worden; (10) toenemen; rijzen; [m.b.t. wind] opsteken; aanwakkeren; [m.b.t. snelheid] optrekken; (11) zich … gedragen; een … houding nemen; (12) [m.b.t. thee] trekken
受験する jukensuru examen doen; examen afleggen; [pregn.] opgaan
当たる ataru (1) raken; treffen; slaan; botsen tegen; stoten op; [gew.] hitten; itten; (2) [的に〜] raak zijn; doel treffen; aankomen; (3) [光;雨;風が〜] reiken; inwerken; vallen in; invallen; (4) pijn doen aan; deren; schrijnen; [果物は] gekneusd raken; bruine plekken krijgen; (5) [宝くじで〜] prijs hebben; in de prijzen vallen; [ー等に〜] winnen; (6) [予測が〜] uitkomen; kloppen; (7) [批判が〜] terecht zijn; opgaan; (8) [芝居は〜] een succes zijn; (9) [果物が〜] goed vrucht dragen; (10) [フグに〜] vergiftigd raken; (11) [敵に〜] het opnemen tegen; ertegenaan gaan; bevechten; (12) [日曜日に〜] vallen op; overeenkomen met; [百円に〜] overeenstemmen met; corresponderen met; [東に〜] liggen; (13) [難局に〜] aanpakken; bij de hoorns vatten; pakken; (14) uithalen naar; tegen; zich afreageren op; (15) [辞書;出典に〜] raadplegen; naslaan; [本人に〜] aftoetsen; (16) [課題が〜] toegewezen; toebedeeld krijgen; belast worden met; op z'n bord krijgen; opdraaien voor; aan bod komen; aan de beurt komen; (17) [任に〜] zich bezighouden met; waarnemen; op zich nemen; (18) [honkb.] vaak hits of homeruns scoren; (19) [mahjong] promoveren; (20) [胡麻を〜] fijnmalen; fijnstampen; vijzelen; (21) [ひげを〜] scheren; (22) [魚が〜] in het aas bijten; aanbijten
成り立つ naritatsu (1) beslecht worden; tot een conclusie; akkoord komen; (2) bestaan uit; opgebouwd zijn uit; (3) de moeite lonen; lonend zijn; renderen; (4) steek houden; opgaan; houtsnijden; (5) overeind blijven; in stand blijven
成長する seichōsuru (1) groeien; wassen; opgroeien; opschieten; opwassen; [veroud.] opgaan; (2) groeien; zich ontwikkelen; zich ontplooien
払底する futteisuru krap; schaars worden; opraken; opgaan
揚がる agaru (1) [花火が] opgaan; omhooggaan; opstijgen; omhoogstijgen; de lucht in gaan; omhoogvliegen; (2) [天ぷらが] gefrituurd worden; gebakken worden; (3) [声が] zich verheffen; geslaakt worden; [歓声が] weerklinken; (4) [陸に] op het droge komen; aan land gaan; landen
昇る noboru rijzen; opgaan; omhooggaan; opkomen; stijgen; klimmen; [i.h.b.] opvaren
没する bossuru (1) [日が] ondergaan; (2) verdwijnen; opgaan; [船が] verzinken; (3) sterven; heengaan; overlijden; (4) doen verdwijnen; doen opgaan in; verzwelgen; (5) aanslaan; in beslag nemen; confisqueren; (6) negeren; miskennen; verloochenen
満ちる michiru (1) opkomen [van het getijde]; opgaan; rijzen; wassen [van de maan]; (2) volstromen [met mensen;zaken]; vollopen; volschieten; vervuld zijn van; vol staan van; vol zijn van; zich vullen; (3) halen; voldoen aan; aflopen [van termijn]; [時が] rijp zijn; verstrijken; verlopen; aflopen; vervallen; expireren; verschijnen
無くなる nakunaru verdwijnen; zoekraken; verloren gaan; [inform.] foetsie raken; [form.] teloorgaan; blijven; weggaan; wijken; [van lust;zin e.d.] vergaan; [van moed;hoop enz.] ontvallen; tenietgaan; kwijtraken; opraken; zonder (~) komen te zitten; opgaan; ophouden (te bestaan); wegsterven; versterven; ter ziele gaan; overgaan; eindigen; komen te vervallen; [veroud.;lit.t.] verzwinden
生長する seichōsuru groeien; wassen; zich ontwikkelen; [veroud.;m.b.t. vegetatie] opgaan
登る noboru opklimmen; klimmen in; klimmen op; beklimmen; bestijgen; [階段を] opstappen; opgaan; oplopen; nemen
立つ tatsu (1) overeind; rechtop gaan staan; overeind komen; opstaan; oprijzen; zich oprichten; zich opstellen; [scherts.] zich perpendiculariseren; (2) [教壇;歩哨;証言台に] staan; [立場に] zich stellen; [世に] zich vestigen; [i.h.b.] aan de kost komen; [矢;棘が] blijven steken; (3) [候補者に] zich kandidaat stellen (voor); kandidaat staan (voor); [候補に] kandideren (voor); [苦境に] verkeren; zich bevinden; [証人に] optreden; (4) ontstaan; zich vormen; zich ontwikkelen; rijzen; te voorschijn komen; [風が] opsteken; [春;秋が] beginnen; in zicht komen; [予算が] opgemaakt worden; [市が] gehouden worden; [噂;評判が] gaan; [理屈;言い訳;筋道が] opgaan; gelden; hout snijden; [面目;顔が] gered worden; (5) opkomen (voor); in actie komen; (6) [門;(雨)戸;障子が] (zich) sluiten; dichtgaan; (7) vertrekken (uit); verlaten; op weg gaan; zich op weg begeven; afreizen; tijgen; (8) "er" staan; vaardig zijn
走る hashiru (1) rennen; lopen; hollen; snellen; vliegen; stormen; stuiven; [arch.;door het gebeente;de leden enz.] varen; [w.g.;lit.t.] reilen; [Barg.] dinkelen; (2) zich snel voortbewegen; rijden [bv. van voertuigen]; karren; lopen [bv. van vaartuigen]; [Barg.] poken; (3) weglopen; wegrennen; wegvluchten; vluchten; op de loop gaan; op de vlucht gaan; het hazenpad kiezen; (4) overlopen; overgaan; deserteren; (5) [geëmotioneerd enz.] raken; worden; [tot uitersten enz.] vervallen; gaan doen aan; zich overgeven aan; [het dievenpad enz.] opgaan; (6) vlotten; lopen; (7) lopen; zich uitstrekken; gelegen zijn; (8) schieten [bv. pijn]; flitsen
進学する shingakusuru (1) overstappen [naar een hogere school;naar de universiteit]; (2) overgaan [naar een hogere klas;naar een hoger jaar]; tot een hogere klas bevorderd worden; [w.g.] opgaan
Tijd: 1.55 sec. jiten.nl: 4 treffers, warandict: 21 treffers (zoekopdracht: 'opgaan').
2005-2026
