
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (trefwoord)
agaru・上る
(上がる ) i.w. (1) [上昇] stijgen; rijzen; klimmen; naar boven gaan. (2) [木に] in een boom klimmen. ¶ 椅子にあがる op een stoel klimmen. (3) [陸に] aan wal stijgen; aan wal gaan. (4) [日が] opgaan. (5) [旗が] geheschen worden. (6) [騰貴] stijgen. (7) [昇進] promotie maken; bevorderd worden. (8) [進步] vooruitgaan; vorderingen maken. (9) [罷める] ontheven worden van; ontslagen worden als. (10) [收入] ontvangen. (11) [休止] ophouden. ¶ 雨があがった de regen heeft opgehouden. ¶ 天氣が上る het weer is opgeklaard.
yamu・止む
(已む、罷む) i.w. ophouden; stoppen; uitscheiden; eindigen; afgeloopen zijn; stilstaan. ¶ 雨が止んだ de regen is opgehouden. ¶ 風が止んだ de wind is gaan liggen.
tsuzukeru・續ける
(続ける) t.w. voortzetten; volhouden; i.w. voortgaan met; doorgaan met. ¶ 續けて voortdurend; zonder ophouden; achtereenvolgens. ¶ 續け樣に voortdurend; al maar door; aan één stuk door.
SUPPLEMENT (trefwoord)
shi・し
(voegwoord) (1) [tussen twee zinsdelen] en; en ook; tevens; eveneens. ¶ 私は気が短いし、口も軽い男だ。 Watashi wa ki ga mijikai shi, kuchi mo karui otoko da. Ik ben een man met een kort lontje en ik heb ook een losse tong. (TTC) (2) [aan het einde van een zin, een reden markerend maar ook afzwakkend] ¶ モロッコから帰ってきてからどうも調子悪い。咳が止まらないし Morokko kara kaette kite kara, dōmo chōshi ga warui. Seki ga tomaranai shi Sinds ik terug ben gekomen van Marokko voel ik me vreselijk beroerd. Het hoesten houdt maar niet op... (twitter)
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <ophouden>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
お邪魔する ojamasuru (1) storen; onderbreken; ophouden; op iemands tijd beslag leggen; (2) kort op bezoek komen; gaan; even binnenkomen; langsgaan; langskomen; een bezoekje; kort bezoek brengen; even binnenwippen; aanwippen
ストップする sutoppusuru (1) stoppen; tot een eind komen; ophouden; tot stilstand komen; tot staan komen; stilhouden; blijven stilstaan; halt houden; stilvallen; zich inhouden; (2) stopzetten; beëindigen; een eind maken aan; ophouden met; tot stilstand brengen; tot staan brengen; stilleggen; laten stilstaan; staken
下りる oriru (1) afdalen; neerdalen; naar beneden komen; afgaan; zich naar beneden begeven; afklimmen; afklauteren; [馬から] van een paard stijgen; afkomen; afstijgen; afstappen; [幕が] vallen; (2) uit een voertuig stappen; uitstappen; uitstijgen; (3) [鳥が] na een vlucht zich neerzetten; neerstrijken; landen; (4) zich vormen; zich vertonen; [霜が] rijpen; [gew.] rijmen; [露が] dauwen; (5) een miskraam hebben; een abortus hebben; een expulsie hebben; (6) (uit het lichaam) afgescheiden worden; uitgescheiden worden; als excretie het lichaam verlaten; (7) (in het midden van iets) opgeven; ophouden; uitvallen; (8) [許可証が] verleend worden; uitgereikt worden; afgegeven worden; verstrekt worden; [Belg.N.] afgeleverd worden; [年金が] toegekend worden; toegestaan worden
中断 chuudan onderbreking; interruptie; afbreking; verbreking; ophouden; intermissie; pauze; pauzering; opschorting; break; staking; stopzetting; respijt; [veroud.] tussenpozing
仕舞いになる shimaininaru eindigen; aflopen; ten einde lopen; ten einde komen; tot een einde komen; uit zijn; over zijn; ophouden
休む;息む yasumu (1) uitrusten; rusten; pauzeren; pauze houden; uitblazen; uitpuffen; op adem komen; rust houden; pozen; verpozen; er [een uurtje] uit breken; (2) slapen; gaan slapen; naar bed gaan; zich ter ruste begeven; zich te bed begeven; zich te bed leggen; zich ter ruste leggen; onder de wol kruipen; zijn bed opzoeken; het bed in rollen; erin duiken; erin gaan; [veroud.;bijbelt.] zich bedden; (3) wegblijven van; niet aanwezig zijn; niet verschijnen; niet bijwonen; afwezig zijn; absent zijn; niet opdagen; [m.b.t. een les] laten vallen; [m.b.t. een college] missen; [m.b.t. een les] overslaan; ontbreken [op de vergadering]; thuis blijven; vrijaf nemen; vrij nemen; een vrije dag opnemen; er even tussenuit gaan; [gezegd van winkel] gesloten zijn; [学校を] de school verzuimen; van school wegblijven; niet naar school gaan; zijn kat sturen; spijbelen; flansen; [Belg.N.] brossen; (4) [werk] onderbreken; [zijn werk] afbreken; neerleggen; ophouden [met werken]; stoppen; uitscheiden met; (af)nokken met; beëindigen; kappen; [zijn activiteiten tijdelijk] staken; tijdelijk een eind maken aan; (5) tot stilstand komen; ophouden; stilstaan [b.v. machines]; braak liggen; buiten bedrijf zijn; (6) herstellen [van een ziekte]; genezen; er weer bovenop komen; herstellen; weer bijkomen; de oude worden; weer gezond worden; aansterken
保つ tamotsu handhaven; behouden; bewaren; houden; aanhouden; onderhouden; ophouden; in stand houden; intact houden
妨げる samatageru belemmeren; hinderen; storen; bemoeilijken; obstrueren; [form.] impediëren; verstoren; ophouden; tegenhouden; dwarsbomen; dwars zitten; in de weg staan; blokkeren; beletten; verijdelen; verhinderen; [Belg.N.] vermoeilijken; [i.h.b.] vertragen; stuiten; stremmen
妨害する bougaisuru storen; verstoren; hinderen; verhinderen; belemmeren; dwarsbomen; tegenhouden; ophouden; in de weg staan; obstrueren; obstructie voeren; plegen; blokkeren; onderbreken; verijdelen; roet in het eten gooien; [uitdr.] stokken in de wielen steken; [uitdr.] een spaak in het wiel steken; [uitdr.] iem. de voet dwars zetten; [uitdr.] iem. in de wielen rijden; [i.h.b.] saboteren; [i.h.b. muz.] jammen
尽きる;竭きる tsukiru (1) opraken; uitgeput raken; (2) ophouden; aflopen; eindigen; (3) zich beperken tot; niet meer of minder zijn dan
干る;乾る hiru (1) opdrogen; drogen; (2) ebben; afebben; wegebben; drooglopen; (3) aflopen; eindigen; ophouden; ten einde komen
引き止める;引き留める hikitomeru ophouden; beletten (voort) te gaan; tegenhouden; staande houden; [話をしかけて] aanspreken; aanklampen; accosteren; aborderen; [fig.] enteren; [fig.] praaien; [w.g.;inform.] attaqueren; [veroud.;gew.] aanranden
持ち続ける mochitsuzukeru blijven behouden; handhaven; bewaren; aanhouden; onderhouden; ophouden
控える hikaeru (1) paraat zitten; staan; ter beschikking staan; (2) zich gedeisd houden; op de achtergrond blijven; terughoudend zijn; zich bescheiden opstellen; zich inhouden; gematigd zijn; zich matigen; (3) vlakbij zijn; (4) ophanden zijn; binnenkort gaan gebeuren; imminent zijn; op komst zijn; (5) halt houden; (6) tegenhouden; inhouden; terughouden; weerhouden; ophouden; binnen de perken houden; matig zijn in; (7) beletten; zich onthouden van; afzien van; zich weerhouden van; (8) terugtrekken; (9) in z'n nabijheid hebben; in de buurt hebben; (10) binnenkort te verwachten hebben; (11) opschrijven; neerschrijven; noteren; optekenen; (12) [scheepv.] linksom roeien; (13) trekken
晴れる;霽れる hareru (1) opklaren; ophelderen; ophalen; [van mist] optrekken; wegtrekken; ophouden [met regenen enz.]; [gew.;m.b.t. weer] opschonen; verdwijnen; [van gevoelens e.d.] wijken; oplossen; ophouden; (2) opgeruimder worden; bijtrekken; opmonteren; opkikkeren; beter gehumeurd worden; (3) [verdenking;zonden e.d.] kwijtraken; gezuiverd worden van; vrijgepleit worden
果てる hateru (1) eindigen; aflopen; ophouden; (2) sterven; overlijden; doodgaan; heengaan; (3) [aangesloten op de ren'yōkei ] volkomen ~; ten einde toe ~
極まる;窮まる kiwamaru (1) eindigen; zijn einde vinden; ten einde lopen; het slot naderen; een eind; einde nemen; aflopen; ophouden; (2) op de spits gedreven worden; tot het uiterste gebracht worden; tot het uiterste gaan; ten top stijgen; de hoogste graad bereiken; [direct voorafgegaan door een meishi die een toestand uitdrukt] uitermate; uiterst; buitengewoon; hoogst; aarts-; (3) niet weten wat men doen moet; van z'n apropos zijn; om raad verlegen zijn; [i.h.b.] voor een dilemma staan; in een spagaat verkeren
止まる;停まる tomaru (1) stoppen; tot stilstand komen; tot staan komen; stilhouden; blijven stilstaan; halt houden; stilvallen; zich inhouden; ophouden; tot een eind komen; (2) uitvallen; verbroken worden; [m.b.t. motor] afslaan; [m.b.t. motor] stokken; het begeven; het laten afweten; ophouden; (3) [m.b.t. vogels] roesten; pleisteren; zich ophouden; aanleggen; neerstrijken; neerkomen; landen; gaan zitten
止む;已む;罷む yamu ophouden; tot een eind komen; stoppen; ten einde lopen; aflopen; er komt een einde aan ~; het loopt af met ~; [m.b.t. vuur] uitgaan; [m.b.t. wind] luwen; gaan liggen; [m.b.t. klanken] wegsterven; wegvallen; [m.b.t. pijn] overgaan; weggaan; over zijn; een einde vinden
止める todomeru (1) stoppen; tot staan brengen; tegenhouden; onderscheppen; intercepteren; ophouden; beletten verder te gaan; [原級に] doen zittenblijven; (2) laten blijven; laten logeren; verblijf doen houden; (3) achterlaten; nalaten; [記録に] optekenen; vastleggen; registreren; vasthouden; onthouden; bewaren; prenten; (4) handhaven; houden; in stand houden; [原形を] behouden; (5) […に~] beperken; limiteren; binnen de perken houden; in bedwang houden; (6) [心を] concentreren; fixeren; (7) het erbij laten; afbreken; een voortijdig einde maken aan; discontinueren; (8) de genadeslag geven
止める;停める tomeru (1) stoppen; stopzetten; stilleggen; stilhouden; laten stilstaan; stillen; stuiten; tot stilstand brengen; stilzetten; tot staan brengen; parkeren; stallen; [aan de kant enz.] zetten; neerzetten; arrêteren; [de dief enz.] houden; een halt toeroepen; een punt zetten achter ~; een einde maken aan [een ruzie enz.]; ophouden; stremmen; [de aanvoer enz.] staken; afbreken; afsnijden; [een paard enz.] tegenhouden; vasthouden; aanhouden; inhouden; keren; [fig.] afdammen; [m.b.t. geluid;pijn] weren; ophouden; stelpen; (2) [het licht enz.] uitdoen; uitschakelen; [m.b.t. gas;water;radio] uitdraaien; dichtdraaien; afsluiten; uitzetten; afzetten; [de stroom] afbreken; afsnijden; (3) [m.b.t. inflatie enz.] bedwingen; beheersen; afremmen; beteugelen; breidelen; in toom houden; in bedwang houden; intomen; [de groei enz.] belemmeren; (4) beletten; verhinderen; verbieden; voorkomen; ontzeggen; verhoeden
止 shi (a) halt houden; roerloos blijven; (b) activiteit staken; stoppen; ophouden; (c) gedrag; houding
決着がつく ketchakugatsuku aflopen; ten einde lopen; een einde nemen; eindigen; ophouden; z'n beslag krijgen; uitgemaakt worden
済む sumu (1) over zijn; voorbij zijn; uit zijn; gedaan zijn; af zijn; klaar zijn; aflopen; ten einde lopen; eindigen; een einde nemen; erop zitten; tot een einde komen; geëindigd zijn; ophouden; (2) voldoende zijn; genoeg zijn; sufficiënt zijn; toereikend zijn; genoegzaam zijn; toereiken; volstaan (met); door de beugel kunnen; (3) genoeg hebben aan; toekomen (met); uitkomen (met); het kunnen stellen (met); toekunnen met; het kunnen rooien met; het (kunnen) redden met; rondkomen met; zich behelpen met; het kunnen regelen met; het kunnen oplossen (met); er met ~ afkomen; (het) er afbrengen; [voorafgegaan door -nakutemo ~なくても;-zu ni ~ずに enz.] niet hoeven
留める tomeru (1) vastmaken; bevestigen; vastzetten; vastbinden; vastklemmen; vasthechten; vastleggen; fixeren; hechten; op z'n plaats houden; [糸を] afhechten; [編み目を] afkanten; [ろーぷを] vastsjorren; beleggen; seizen; [鋲で] vastkloppen; vastklinken; [釘で] vastnagelen; vastspijkeren; [ぴんで] vastpinnen; [ぼたんで] dichtknopen; toeknopen; vastknopen; [ほっく;かぎで] aanhaken; vasthaken; dichthaken; (2) ophouden; tegenhouden; aanhouden; vasthouden; gevangen houden; in hechtenis houden; in arrest houden; in verzekerde bewaring houden; detineren; [学校で] laten nablijven; laten schoolblijven; (3) [心;気に] denken aan; ernstig overdenken; in acht nemen; acht slaan op; letten op; in gedachten houden; voor ogen houden; rekening houden met; zich aantrekken; aandacht schenken aan; ter harte nemen; indachtig zijn; gedachtig zijn; onthouden; in het hart prenten; in het gemoed prenten; (4) […に目を] de ogen vestigen op
終える oeru (1) eindigen; aflopen; ophouden; stoppen; (2) beëindigen; ten einde brengen; eindigen; afmaken; afdoen; afwerken; voltooien; voleinden; completeren; een einde maken aan; volbrengen
終了する shuuryousuru (1) aflopen; er komt een einde aan ~; ten einde lopen; tot een einde komen; een einde nemen; eindigen; ophouden; over; uit; voorbij; gedaan zijn; [i.h.b.] expireren; (2) afsluiten; een eind maken aan; tot een einde brengen; afmaken; eindigen; besluiten; beëindigen; termineren; voltooien; afwerken; zijn; haar beslag geven
絶える taeru (1) ophouden; tot een eind komen; een einde nemen; stoppen; eindigen; aflaten; [i.h.b.] uitgeput raken; opraken; (2) ophouden te bestaan; z'n bestaan eindigen; uitsterven
維持する ijisuru handhaven; behouden; in stand houden; conserveren; ophouden; bewaren; onderhouden; aan de gang houden; gaande houden; doen voortgaan; doen voortduren
足止めする;足留めする ashidomesuru in z'n bewegingsvrijheid beperken; iem. ergens doet blijven; ophouden; doen stranden; [飛行機を] aan de grond houden
辞 ji (1) woord; woorden; tekst; rede; toespraak; (2) lyrische poëzie; beschrijving; (3) [Hashimoto-gramm.] gebonden woord; bindwoord; (4) [Tokieda-gramm.] moneem; (a) woorden; tekst; (b) weigeren; ophouden; (c) vaarwelzeggen; (d) lyrische poëzie
退社する taishasuru (1) uit dienst treden; de dienst verlaten; het bedrijf vaarwelzeggen; weggaan bij een firma; vertrekken; uittreden; (2) weggaan van kantoor; ophouden; uitscheiden met werken; de dagtaak beëindigen; naar huis gaan; afnokken; (3) terugtrekken uit een genootschap; bedanken als lid
途切れる;跡切れる togireru onderbroken worden; afgebroken worden; eindigen; aflopen; ophouden; uitscheiden; het laten afweten
途絶える;跡絶える todaeru ophouden; tot een eind komen; stoppen; tot stilstand komen; stilvallen
遅らす;後らす okurasu (1) vertragen; retarderen; ophouden; remmen; rekken; [veroud.;lit.t.] tragen; [時計を] achteruitzetten; terugzetten; (2) achterlaten (bij overlijden); (door vooroverlijden) nalaten; (3) uitstellen; opschorten; [fig.] opschuiven; verschuiven; later stellen; temporiseren; [w.g.] verlaten
邪魔する jamasuru (1) storen; voor de voeten lopen; in de weg lopen; staan; [form.] impediëren; belemmeren; hinderen; [moeilijkheden] in de weg leggen; dwarsbomen; doorkruisen; tegenwerken; dwarszitten; iem. de voet dwars zetten; in iems. vaarwater komen; obstrueren; verstoren; ophouden; lastig vallen; bemoeilijken; beslag leggen op; [m.b.t. gesprek] onderbreken; in de rede vallen; interrumperen; (2) bezoek brengen; bezoeken; een bezoek afleggen; op bezoek; visite komen; op bezoek; visite gaan; opzoeken; langsgaan bij; langskomen; langslopen bij
阻害する sogaisuru belemmeren; hinderen; storen; blokkeren; beletten; obstrueren; versperren; ophouden; tegenhouden; tegenwerken; bemoeilijken; remmen; vertragen
静止する seishisuru stilvallen; tot stilstand komen; stoppen; ophouden; stokken; vastlopen; stagneren
Tijd: 1.46 sec. jiten.nl: 12 treffers, warandict: 38 treffers (zoekopdracht: 'ophouden').
2005-2026
