
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (titelwoord)
hi・日
zn. (1) [太陽] zon v. (2) [一日] dag m. (3) [日付] datum m. (4) [時] tijd m. (5) [場合] geval o. ¶ 日が昇る de zon gaat op. ¶ 日が入る de zon gaat onder. ¶ 日にあたる in de zon zijn. ¶ 日に燒ける door de zon verbrand zijn. ¶ 日が暮れる het loopt tegen den avond. ¶ 日を暮らす den dag doorbrengen. ¶ 日に增し van dag tot dag; elken dag. ¶ 日一日 met den dag. ¶ 日に per dag. ¶ 有事の日には in geval van nood.
日蘭辭典 (trefwoord)
agaru・上る
(上がる ) i.w. (1) [上昇] stijgen; rijzen; klimmen; naar boven gaan. (2) [木に] in een boom klimmen. ¶ 椅子にあがる op een stoel klimmen. (3) [陸に] aan wal stijgen; aan wal gaan. (4) [日が] opgaan. (5) [旗が] geheschen worden. (6) [騰貴] stijgen. (7) [昇進] promotie maken; bevorderd worden. (8) [進步] vooruitgaan; vorderingen maken. (9) [罷める] ontheven worden van; ontslagen worden als. (10) [收入] ontvangen. (11) [休止] ophouden. ¶ 雨があがった de regen heeft opgehouden. ¶ 天氣が上る het weer is opgeklaard.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <日>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
入り iri (1) binnenkomst; intrede; entree; betreding; intocht; inkomst; [Belg.N.] inkom; (2) inhoud; het aanwezig zijn van; aanwezigheid; opkomst; (3) [日;月の] ondergang; (4) begin; aanvang; start; eerste dag; (5) inkomen; inkomsten; oogst; opbrengst; winst; recette; (6) kost; kosten; onkosten; lasten; uitgaven; (7) "aan"-stand; aan; ingeschakeld; (8) met … erin
日 ka [maatwoord voor dagen van de maand]
日 jitsu (a) zon; (b) etmaal; dag
日 nichi (1) zondag; [afk.] zo.; (2) Japan; [afk.] Jap.; [afk.] J.; Japans-; Japano-; (3) [maatwoord voor dagen (van de maand)]
日;陽 hi (1) zon; daglicht; zonlicht; zonneschijn; zonnetje; [Barg.] lichterik; [uitdr.] vorstin des hemels; [uitdr.] vorstin van het licht; [veroud.] de grote toorts; (2) dag [i.t.t. nacht]; (3) etmaal; dag; dies; dagje; [veroud.] pond; (4) tijdstip; gelegenheid; dag; (5) datum
Tijd: 0.93 sec. jiten.nl: 6 treffers, warandict: 5 treffers (zoekopdracht: '日').
2005-2026
