日蘭辭典+

17 resultaten voor ‘afwezigheid’
日蘭辭典 (trefwoord)
kesseki缺席
(欠席) zn. afwezigheid v.; verzuim om te verschijnen; absentie v. ¶ 缺席判決 vonnis bij verstek. ¶ 缺席する afwezig zijn; absent zijn; verzuimen; niet verschijnen.
kekkin缺勤
(欠勤) zn. afwezigheid v.; verzuim o. ¶ 缺勤する niet op het werk zijn; kantoor (school) verzuimen.
kūkei空閨

zn. eenzame slaapkamer v.; afwezigheid van den echtgenoot.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <afwezigheid>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
ぼんやり bonyari (1) afwezigheid; absentie; afgetrokkenheid; verstrooidheid; sufheid; dommel; dommeling; dommeligheid; (2) sufferd; sufkop; slaapkop; dommelaar; dromer; warhoofd; stommerd; stomkop; domoor; uilskuiken; ezel; oen; (3) wazig; schemerig; vaag; dof; onduidelijk; onklaar; gevoileerd; onhelder; troebel; doezelig; mistig; fuzzy; wollig; flou; nevelig; nebuleus; zweverig; (4) flets; suf; suffig; lusteloos; futloos; slaperig; lodderig; dommelig; (5) afwezig; afgetrokken; verstrooid; met zijn gedachten er niet bij; warrig; wezenloos; geesteloos; ongeconcentreerd; gedachteloos; onoplettend; achteloos; [i.h.b.] werkeloos; nietsdoend; passief; [Lat.] praesens absens; (6) stom; dof (van geest); bot; dom; stompzinnig; afgestompt; onbevattelijk; (7) [van markt;beurs enz.] gedrukt; flauw; slap; zwak
不在 fuzai afwezigheid; absentie
休み yasumi (1) rust; pauze; onderbreking; verpozing; verzetje; stop [bv. een stop maken]; halt [houden]; rustpauze; rustpoos; rustperiode; schaft; schoft; [i.h.b.] schofttijd; [m.b.t. akker] rustbraak; break; respijt; (2) vakantie; schoolvakantie; reces; vrijaf; vrij; vakantiedag; vrije dag; dag vrij; rustdag; vrije tijd; rusttijd; verlof; verloftijd; (3) afwezigheid; absentie; (4) nachtrust; bedrust; slaap; (5) slaap van zijderupsen; voorafgaande aan hun vervelling; (6) eufemisme voor "ziekte"; gebezigd door Ise-priesteressen
放心 houshin (1) verstrooidheid; afwezigheid; afgetrokkenheid; absentie; abstractie; (2) gerustheid
放心状態 houshinjoutai verstrooidheid; afwezigheid; afgetrokkenheid; verstrooide toestand; afwezige toestand; absentie
欠勤 kekkin afwezigheid; absentie; wegblijven; verzuim
欠場 ketsujou afwezigheid; verstek; niet-optreden; no-show
欠如 ketsujo gebrek; tekort; gemis; afwezigheid; manco; ontstentenis; ontbering; behoefte
欠席 kesseki afwezigheid; absentie; verstek; het niet aanwezig zijn; verzuim om te verschijnen
欠落 ketsuraku gebrek; afwezigheid; gemis; ontstentenis
ketsu (1) gebrek; tekort; (2) absentie; afwezigheid; no-show; (a) missen; ontbreken; schorten; (b) absentie; afwezigheid; lege; opengevallen plaats
無有 muu (1) het zijn en niet-zijn; het af- en aanwezige; (2) het niet-bestaan; non-existentie; afwezigheid
無有 muyuu (1) het niet-bestaan; non-existentie; afwezigheid; (2) het zijn en niet-zijn; het af- en aanwezige
留守 rusu (1) het op iemands huis passen; huiswacht; (2) huisbewaarder; oppas; custos; bewaarder; conciërge; (3) afwezigheid; absentie; uitzijn; het weg zijn; het van huis zijn; (4) het minder aandacht krijgen; veronachtzaming
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.43 sec. jiten.nl: 3 treffers, warandict: 14 treffers (zoekopdracht: 'afwezigheid'). 
2005-2026