日蘭辭典+

22 resultaten voor ‘echtgenoot’
日蘭辭典 (trefwoord)
kōkō孝行
zn. kinderplicht v.; eerbied voor de ouders. ¶ 女房孝行の夫 man, die verzot is op zijn vrouw.
danna旦那
zn. (1) [主人] heer m.; meester m. (2) [良人] echtgenoot m.; man m. (3) [敬稱] mijnheer m.; meneer m. ¶ 旦那顏をする den baas spelen. ¶ 旦那取りする gemainteneerd worden.
fuken夫權

(夫権) zn. recht van den echtgenoot.

kūkei空閨

zn. eenzame slaapkamer v.; afwezigheid van den echtgenoot.

zenpu前夫
uwaki浮氣

(浮気) zn. luchthartigheid v.; lichtzinnigheid v.; zedeloosheid v.; ontrouw v. ¶ 浮氣をする zich misdragen; echtgenoot bedriegen. ¶ 浮氣つぽい lichtzinnig; zedeloos; ontrouw; onkuisch. ¶ 浮氣者 lichtmis (男); (女) vrouw van slechte zeden; scharreltje; snol.

urakata裏方

zn. echtgenoote van hooggeplaatst persoon.

tsureai連合

(連れ合い) zn. echtgenoot m.; man m.; echtgenoote v.; vrouw v.; echtpaar (夫婦) o.

tsuma

z. man m.; echtgenoot m.

tsuma

zn. vrouw v.; echtgenoote v. ¶ 妻を取る getrouwd zijn. ¶ 妻を迎へる trouwen; een vrouw nemen.

SUPPLEMENT (trefwoord)
vrouw

(znw, de)
(1) onna no hito 女の人; josei 女性 (algemene benamingen); onna 女 (vrouw; geliefde; echtgenote; meid; prostituee); fujin 婦人 (mevrouw; dame(s)); onna no kata 女の方 (dame(s)); joshi (vrouw; mevrouw; meisje; jongedame; dochter). ¶ Er was een vrouw de was aan het ophangen. Onna no hito ga sentakubutsu wo roopu ni hoshite iru tokoro datta. 女の人が洗濯物をロープに干しているところだった。 (TA) ¶ De werkende vrouw. Hataraku josei [fujin]. 働く女性[婦女]。 ¶ De vrouwenbeweging. Josei [fujin] undou. 女性[婦人]運動。 ¶ Mevrouw Bruce was de eerste vrouwelijke piloot die de tussen Engeland en Japan vloog. Buruusu fujin wa Ei-Nichi-kan wo tonda saisho no josei pairotto de atta. ブルース婦人は英日間を飛んだ最初の女性パイロットであった。 (TA)
(2) tsuma (echtgenote); kanai 家内 (mijn vrouw); nyoubou 女房; waifu ワイフ(([mijn,zijn]) vrouw [echtgenote]). ¶ Mijn echtgenote is Chinees. Watashi no tsuma wa Chuugokujin desu. 私のは中国人です。 ¶ Mijn vrouw is dokter. Kanai wa isha desu. 家内は医師です。 ¶ Zijn vrouw heeft het thuis voor het zeggen. Kare wa nyoubou no shiri ni shikarete iru. 女房の尻にしかれている。 (TA)

onna no hitootoko no hito
joseidansei
onnaotoko
joshidanshi
tsumaotto
waifuhazu

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <echtgenoot>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
主人 shujin (1) heer (des huizes); huisheer; pater familias; gezinshoofd; (2) baas; meester; mijnheer; meneer; [m.b.t. zaak] patroon; chef; principaal; [i.h.b.] waard; [i.h.b.] hospes; (3) echtgenoot; man; (4) gastheer
亭主 teishu (1) eigenaar; waard; (2) man; echtgenoot; (3) gastheer
uchi (1) binnenkant; [の~に] binnen; in; (2) [の~に] tijdens; terwijl; gedurende; [その~に] onderwijl; (3) [の~] onder; te midden van; (4) [~に] inwendig; vanbinnen; in het hart; in het gemoed; innerlijk; intern; (5) keizerlijk paleis; hof; (6) keizer; tenno; mikado; (7) echtgenote; echtgenoot; wederhelft; (8) [boeddh.] ons geloof; het boeddhisme; (9) ik; wij; [~の] mijn; ons
otto man; echtgenoot; huwelijkspartner; levensgezel; levenspartner; wederhelft; eega
fu (a) volwassen man; (b) werker ; (c) partner; echtgenoot
tsuma (1) echtgenote; vrouw; gade; gemalin; eega; wederhelft; (2) wolfeind; driehoekig zijvlak van een Japans zadeldak (kirizuma-yane 切妻屋根) of wolfdak (irimoya-yane 入母屋屋根); (3) garneersel (bestaande uit rauwkost of zeewier); garnering; garnituur; versiering; [i.h.b.] ~ van het tweede garnituur; bijzaak [alternatieve kanji: 具]; (4) echtgenoot; man; gade; gemaal; eega; wederhelft [epistolaire term waarmee een briefschrijfster haar man aanduidt;spelling: 夫]
御主人;ご主人 goshujin (1) echtgenoot; man; huwelijkspartner; (2) gezinshoofd; het hoofd van een huishouden; huisvader; pater familias ; (3) gastheer; gastvrouw; heer des huizes; vrouw des huizes; (4) werkgever; persoon die werkkrachten in dienst heeft; baas; chef; meerdere; (5) uitbater; eigenaar; winkelier; winkelhouder; hotelhouder; waard; kastelein
旦那さん dannasan (1) meester; heer; baas; mijnheer; meneer; (2) echtgenoot; man; (3) mainteneur; beschermheer; patroon; (4) mijnheer; meneer
旦那様 dannasama (1) meester; heer; baas; mijnheer; meneer; (2) echtgenoot; man; (3) mainteneur; beschermheer; patroon; (4) mijnheer; meneer
配偶者 haiguusha (1) echtgenoot; wederhelft; gemaal; huwelijkspartner; man; [scherts.;deftig] eega; [scherts.;deftig] eegade; [arch.] gade; [gew.] soos; (2) echtgenote; wederhelft; betere helft; gemalin; huwelijkspartner; vrouw; [scherts.;deftig] eega; [scherts.;deftig] eegade; [arch.] gade; [gew.] soos
馴染み najimi (1) vertrouwdheid; vertrouwde omgang; sterke vriendschapsband; vriendschappelijkheid; (2) oude bekende; goeie vriend; kameraad; maatje; (3) vaste klant; stamgast; habitué; trouwe bezoeker; [prostitutiejargon] vast meisje; favoriete; (4) echtgenoot; echtgenote met wie men jarenlang getrouwd is
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.39 sec. jiten.nl: 11 treffers, warandict: 11 treffers (zoekopdracht: 'echtgenoot'). 
2005-2026