
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (trefwoord)
kan・管
zn. buis v.; pijp.
kuda・管
zn. pijp v.; buis v.; slang (蛇管) v. ¶ 醉うて管を卷く in dronkenschap wartaal uitslaan.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <buis>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
チューブ chuubu (1) tube; buis; buisje; (2) binnenband
テレビ terebi (1) televisie; [inform.] tv; teevee; [meton.] beeldbuis; kijkbuis; buis; scherm; (2) televisietoestel; televisieapparaat; televisieontvanger; tv-toestel; teeveetoestel; [meton.] toestel; [inform.] kijkkast; kastje; kassie; kijkdoos; [scherts.] kwelbuis; verrekijk; [sarcastisch] treurbuis
テレビジョン terebijon (1) televisie; [inform.] tv; teevee; [meton.] beeldbuis; kijkbuis; buis; scherm; (2) televisietoestel; televisieapparaat; televisieontvanger; tv-toestel; teeveetoestel; [meton.] toestel; [inform.] kijkkast; kastje; kassie; kijkdoos; [scherts.] kwelbuis; verrekijk; [sarcastisch] treurbuis
パイプ paipu (1) pijp; buis; leiding; (2) tabakspijp; sigarettenpijpje; sigarenpijpje; pijp; (3) bemiddelaar; tussenpersoon; vertrouwensman; middelaar; mediateur; intermediair; mediator; intercedent; trait-d'union; bruggenbouwer
信管 shinkan [mil.] buis; ontsteker; detonator
筒 tsutsu (1) pijp; buis; leiding; leidingbuis; (2) cilindrisch voorwerp; cilinder; koker; bus; huls; [刃物の] schede; (3) geweerloop; kanonloop; loop; schietbuis; (4) schietgeweer; geweer; vuurwapen; buks; [veroud.] bus
筒 tou (1) [maatwoord voor cylindrische voorwerpen;zoals injectiespuiten e.d.m.]; (a) buis; koker
管 kan (1) pijp; buis; leiding; leidingbuis; (2) [muz.] blaasinstrument; [verzameln.] blazers
管 kuda (1) buis; pijp; slang; (2) dronkemanspraat; incoherent geleuter van iemand die dronken is
酔っている yotteiru dronken zijn; beneveld zijn; beschonken zijn; bezopen zijn; groggy zijn; afgeknoedeld zijn; buis; buizig zijn; niet capabel zijn; niet normaal zijn; buiten westen zijn; weg zijn; van de wereld zijn; topzwaar zijn; kachel zijn; mabok zijn; oremus zijn; boven zijn theewater zijn; tweemaal halfvol zijn; in de jenever; kroot; kroten zijn; van de kist zijn; behoorlijk op de hoogte zijn; in de derde hemel zijn; z'n tramontane kwijt zijn; dubbel zien; er een voor twee zien; z'n broeder gesproken hebben; een stuk in z'n kas; kraag; raap hebben; een bobbel; brommer; glaasje ophebben; de kachel aan hebben; een kas aan hebben; Schiedam in ’t oog hebben; een bom; bonk; brom inhebben; de vracht inhebben; ’m om hebben; het vast hebben; de rest hebben; de hondenziekte hebben; kalverknieën hebben; de hoogte hebben; de prins gesproken hebben; een snee in het; z'n oor hebben; een snee in de; z'n neus hebben; een snip in het oor hebben; een snip in de neus hebben; een snip aanhebben; ophebben; een snor weghebben; aanhebben; beethebben; hem staan hebben; natte voeten hebben; z'n zak vol hebben; z'n hoed staat op halfzeven; z'n kop is zwaarder dan z'n benen; het kompas is van de pen; met een dikke tong spreken; [euf.] geestelijk verheugd zijn; [euf.] in kennelijke staat (van dronkenschap) zijn; verkeren; [scherts.] in de Heer; Here zijn; [scherts.] zalig zijn; [volkst.] bekeeuwd zijn; [volkst.] blauw zijn; [volkst.] onder de keil zijn; [volkst.] keil zijn; [volkst.] lens zijn; [volkst.] in de neut zijn; [volkst.] voor pampus liggen; [inform.] zat zijn; [inform.] doorgezakt zijn; [inform.] in de lorum zijn; [inform.] in de olie zijn; [inform.] met een nat zeil lopen; thuiskomen; [inform.] tiereliere zijn; [inform.] te veel vergunning gebruikt hebben; [soldatent.] door de pagger gaan; [Belg.N.;spreekt.] patat zijn; [[Belg.N.] een pint te veel uit hebben; [w.g.] bepimpeld zijn; [w.g.] het hooi binnen hebben; [w.g.] een laars aan hebben; [w.g.] z'n laars vol hebben; [w.g.] een stuk in z'n laars hebben; [gew.] aangedraaid zijn; [gew.] bekaaid zijn; [gew.] berooid zijn; [gew.] jarig zijn; [gew.] keizer zijn; [gew.] de keizer; koning; paus; prins; reus gezien hebben; [gew.] de bocht hebben; [gew.] de bok (aan het touw) hebben; [gew.] een krul aan hebben; [gew.] een laag ophebben; [gew.] van de bruine weten; [gew.] glazen benen hebben; [gew.] (goed) gekleed zijn; [gew.] goed; zwaar geladen zijn; [gew.] het voor zijn kriek hebben; [gew.] over de neb stappen; [gew.] een reep aan; in 't oor hebben; [gew.] een schreef aan hebben; [gew.] een snee door de neus hebben; [gew.] soldaat zijn; [gew.] het; ze staan hebben; [gew.] het voor z'n ster hebben; [gew.] een streep ophebben; [gew.] teut zijn; [gew.] vis zijn; [gew.] door de vang zijn; [gew.] een veeg weg hebben; [Barg.] afgebrand zijn; [Barg.] kanis zijn; [Barg.] krom zijn; [Barg.] de brand hebben; [Barg.] de pruif hebben; [Barg.] sela zijn; [Barg.] sikker zijn; [Barg.] sop zijn; [Barg.] vet zijn
鉛管 enkan loden pijp; buis
Tijd: 1.68 sec. jiten.nl: 4 treffers, warandict: 11 treffers (zoekopdracht: 'buis').
2005-2026
