日蘭辭典+

14 resultaten voor ‘uitslaan’
日蘭辭典 (trefwoord)
kuchi
zn. (1) [] mond m. (2) [言語] taal v. ; woord v. (3) [味感] smaak m. (4) [入] deur v.; ingang m. (5) [吸] mondstuk o. (6) [] opening v.; gat o. (7) [空位] vacature v.; vacante plaats v.; betrekking v. (8) [人數] aantal personen m. (9) [割前] aandeel o.; portie v.; (10) [部類] soort v.; artikel o.; merk o. ¶ 開く den mond opendoen. ¶ をきく spreken met. ¶ 出す zich mengen in; zich bemoeien met. ¶ がすべる zich verspreken. ¶ 惡い gemeene taal uitslaan. ¶ と腹とは違ふ niet meenen wat men zegt. ¶ 合ふ naar den smaak zijn. ¶ を探す een baantje zoeken. ¶ 此のは品切れになりました dit artikel is uitverkocht; deze soort hebben wij niet meer. ¶ にて mondeling.
kuda

zn. pijp v.; buis v.; slang (蛇管) v. ¶ 醉うて管を卷く in dronkenschap wartaal uitslaan.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <uitslaan>
口走る kuchibashiru verklappen; eruit flappen; zich laten ontvallen; uitslaan
吐く tsuku (1) [へどを] braken; overgeven; kotsen; (2) slaken; [ため息を] zuchten; (3) [息を] ademen; ademhalen; (4) [悪態を] uitslaan; uitkramen
ten (1) -tentoonstelling; -expositie; (a) uitslaan; openvouwen; (b) uitstallen; tentoonspreiden; (c) zich ontwikkelen; (d) uitkijken over; (e) tentoonstelling; (f) omrollen
広げる;拡げる hirogeru (1) openspreiden; openvouwen; openslaan; openleggen; ontvouwen; ontplooien; uiteenvouwen; uitslaan; uitvouwen; [i.h.b.] uitpakken; [i.h.b.] ontrollen; (2) uitspreiden; uitbreiden; expanderen; uitstrekken; extenderen; (3) verwijden; verbreden; verruimen; vergroten; wijder maken; breder maken; ruimer maken; groter maken; (4) uiteenspreiden; uiteenbreiden; uiteenleggen; verspreiden (over); spreiden
張り出す haridasu (1) uitsteken; uitpuilen; vooruitspringen; (2) uitsteken; uitslaan; uitspreiden; (3) afficheren; aanplakken; ophangen
張る haru (1) spannen; aanspannen; opspannen; strekken; [m.b.t. touw;lijn enz.] scheren; [gordijnen enz.] ophangen; [zijn takken enz.] uitspreiden; [テントを] opslaan; opzetten; [de vleugels] uitslaan; [de zeilen] zetten; rekken; (2) bespannen (met); aanbrengen; [壁紙を] behangen; [met stof enz.] overtrekken; bekleden (met); voorzien van; (3) [met water enz.] vullen; (4) [stelling enz.] nemen; [een zaak] opzetten; drijven; [een banket] aanrichten; [zijn macht;recht enz.] doen gelden; [geld enz.] zetten (op); verwedden; [zijn zin] doordrijven; (5) op de uitkijk staan; [naar een verdachte enz.] uitkijken; opwachten; (6) [zijn schouders enz.] rechten; [de ellebogen enz.] uitsteken; [de borst enz.] vooruit steken; (7) een klap geven; een draai om de oren geven; meppen; [sumō-jargon] harite 張り手 toebrengen; (8) zich opzetten; opzwellen; uitzetten; (9) verstrammen; verstijven; verstrakken; (10) uitsteken; hoekig worden; (11) zich uitstrekken (over het hele oppervlak); zich uitspreiden over; zich vormen; (12) gespannen worden; nerveus worden; (13) zich schrap zetten; trotseren; rivaliseren; (14) prijzig zijn; duur zijn; nogal wegen; [i.h.b.] overtrokken zijn
振れる;偏れる fureru (1) slingeren; zwaaien; schommelen; oscilleren; (2) overhellen; uitwijken; uitslaan; inclineren
撲滅する bokumetsusuru (1) door slaan blussen; uitslaan; (2) volkomen vernietigen; uitroeien; extirperen; verdelgen; [veroud.] uitdelgen
汗をかく aseokaku (1) zweten; transpireren; perspireren; (2) in angstzweet uitbreken; benauwd raken; (3) zelf actie ondernemen; (4) [冷えたビール瓶が] van buiten vochtig worden; vochtuitslag krijgen; druppeltjes aan de oppervlakte vormen; (5) [食物が] uitslaan; bedekt worden met aanslag
波及する hakyūsuru zich verbreiden; zich uitbreiden; uitdeinen; uitgolven; uitslaan; invloed hebben; uitoefenen op; treffen; weerslag hebben op; [Belg.N.] uitbreiding nemen naar
涌く;湧く waku (1) opspuiten; gutsen; gulpen; (2) te voorschijn komen; uitkomen; schieten; [m.b.t. loten] uitslaan; uitlopen; zich ontwikkelen; voortkomen; voortspruiten; (3) opwellen; ontstaan; rijzen
脱穀する dakkokusuru dorsen; uitslaan; stampen
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.33 sec. jiten.nl: 2 treffers, warandict: 12 treffers (zoekopdracht: 'uitslaan'). 
2005-2026