日蘭辭典+

52 resultaten voor ‘loop’
日蘭辭典 (trefwoord)
ashidori足取り
zn. gang m.; stap m.; loop m. ¶ 相場の足取り de loop van de markt.
ayumi
(歩み) zn. (1) [進行] loop m. (2) [速力] snelheid v. (3) [步み板] loopplank v. (4) [相場の] loop van den prijs.
kōten公轉

(公転) zn. omwenteling v.; omloop m. ¶ 公轉する wentelen om; loopen om. ¶ 地球は公轉と自轉とをなす de aarde loopt om de zon en wentelt om haar eigen as.

kudakeru碎ける

(砕ける) i.w. (1) [破碎] breken; kapot gaan; uit elkaar vallen; instorten. (2) [さばける] beminnelijk zijn; minzaam zijn. ¶ 碎けて出る minzaam spreken. ¶ 碎けて言へば ronduit gezegd. ¶ 當つて碎けろ wagen; het gevaar loopen.

kumoyuki雲行

zn. (1) [雲の流れ] richting der wolken. (2) [形勢] loop der gebeurtenissen; geest des tijds (時勢).

kureru暮れる

i.w. (1) [夜になる] donker worden; beginnen te schemeren. (2) [終る] ten einde loopen; eindigen; afloopen. ¶ 泪に暮れる in tranen zijn. ¶ 全く途方に暮れる niet meer weten, wat te doen; geen uitweg meer zien.

kuruwa

zn. (1) [かこつた區域] afgepaalde wijk v.; omheinde buurt v. (2) [遊廓] hoerenbuurt v.; bordeelwijk v. ¶ 廓通ひをする naar de hoeren loopen.

kuttsukuくつつく

i.w. blijven plakken; vastzitten; kleven. ¶ 人にくつついて行く naast iemand loopen.

kuwaseru食せる

i.w. (1) [食物を] te eten geven; voeren met; voeden met. (2) [扶養する] in het onderhoud voorzien van; zorgen voor. t.w. (3) [欺く] bedriegen; erin laten loopen. ¶ 笠聲を食せる een vuistslag geven.

zonbun存分

bw. naar hartelust; zonder zich te beperken. ¶ 存分に泣く tranen den vrijen loop laten. ¶ 思ふ存分つた次 zooveel als ik maar kon.

zashio坐礁

zn. stranding v. ¶ 坐礁する stranden; aan den grond loopen; op een klip stooten.

yuku行く

i.w. (1) [赴く] gaan; zich begeven naar. (2) [逝く] sterven. (3) [步く] wandelen; loopen. ¶ 外國に行く naar het buitenland gaan. ¶ 行け ga weg! ¶ と一緒に行く vergezellen; meegaan met. ¶ 本通を行く de hoofdstraat volgen. ¶ 同じ道を行く denzelfden weg gaan.

yotsubai ni naru四這になる

i.w. op handen en voeten loopen.

yononarai世の習

zn. 's werelds loop m.

yonotsune世の常

zn. 's werelds loop m.; gewoon verschijnsel o.

yobiuri呼賣

(呼売) zn. venten o.; venter (人) m. ¶ 呼賣する venten; verkoopen; loopen met.

wari

zn. (1) [割合] verhouding v.; koers m. (2) [利益] voordeel o.; winst v. (3) [比較] vergelijking v. (4) [割當] aandeel o. (5) [比率] percentage v. ¶ 俸給割で naar verhouding van het salaris. ¶ 年一割の利息 tien percent rente per jaar. ¶ 割に合はぬ niet winstgevend zijn; geen voordeel opleveren; niet betalen. ¶ 五割引 50% reductie. ¶ 年の割に丈夫 kras voor zijn leeftijd. ¶ 一時間九哩の割で走る negen mijl per uur loopen. ¶ 割に betrekkelijk; in aanmerking nemend, dat…… ¶ 雨が降つた割には可なりの聽衆でした voor zulk regenweer was de zaal goed bezet.

wana

zn. valstrik m.; val v.; knip v. ¶ 罠に落ちる in de val loopen; erin loopen. ¶ 罠をかける strikken zetten; een strik spannen; in de val lokken. ¶ 投罠 lasso.

wakare

zn. (1) [分離] scheiding v. (2) [離別] afscheid o. (3) [分出] tak m. (4) [分岐] vertakking v.; arm m. (5) [區分] verdeeling v. ¶ 別れを告げる vaarwel zeggen; afscheid nemen. ¶ 別れの盃 afscheidsdronk. ¶ 別路 splitsing; zijweg. ¶ 此處で別路です hier loopen onze wegen uiteen; hier scheiden wij.

unten運轉

(運転) zn. werking v.; beweging v.; loopen o.; circulatie v.; gang m. ¶ 運轉資本 kapitaal in circulatie; vlottend kapitaal. ¶ 運轉して居る aan den gang zijn; in beweging zijn; loopen. ¶ 運轉を止める stopzetten; stoppen. ¶ 運轉する drijven; laten loopen; behandelen; loopen; in beweging zijn. ¶ 資本を運轉する kapitaal gebruiken. ¶ 運轉臺 voordalcon van de tram. ¶ 電車運轉系統 tramdienst; loop der trams. ¶ 運轉力 beweegkracht. ¶ 運轉士 stuurman. ¶ 一等運轉士 eerste officier. ¶ 運轉手 chauffeur; motordrijver; bestuurder van de tram; motorist.

uchiage打上げ

(打ち上げ) zn. (1) [花火] vuurpijl m. (2) [興行を仕舞ふこと] sluiting der voorstelling. ¶ 打上げる oplaten; opbreken (酒宴を); (終へる) sluiten; eindigen; (波が物を) op het strand werpen; aanspoelen; (擱坐) stranden; op het strand loopen; (波が) beuken; klotsen tegen; opspatten.

tsutsu

zn. buis v.; pijp v.; loop (銃身) m.; geweer (小銃) o.; kanon (大砲) o. ¶ 竹筒 koker van bamboe. ¶ 茶筒 theebus.

tsumasaki爪先

zn. teenen m.mv. ¶ 頭から爪先まで van het hoofd tot de teenen toe. ¶ 爪先で步く op de teenen loopen. ¶ 爪先上り stijgend pad.

tsukiatari突當

(突き当たり) sn. eind van een straat; botsing (衝突). ¶ 突當る botsen tegen (衝突); aan het eind komen van (行詰る). ¶ 電信柱に突當る tegen een telegraafpaal aan loopen. ¶ 突當つて左へ曲る aan het eind van de straat links afslaan.

tsuite就いて

vz. (1) [關して] met betrekking tot; aangaande; wat betreft; omtrent; van; over; voor. (2) [每に] per. (3) [沿うて] langs. (4) [共に] met. ¶ 是に就いて wat dit betreft; hieromtrent. ¶ 一斤について五十錢 vijftig sen per kin. ¶ 川について行く langs de rivier loopen; de rivier volgen. ¶ 兄について行く met zijn broer meegaan.

tsuide

(序で) zn. (1) [順序] volgorde v. (2) [折] gelegenheid v. ¶ 序ながら apropos (佛語). ¶ 序に naar aanleiding van; bij gelegenheid van. ¶ お序の節に als het u gelegen komt; als het u schikt. ¶ 足の序に onderweg; in het voorbijgaan. ¶ 話の序に in den loop van het gesprek.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <loop>
アイル airu (1) zijbeuk; beuk; (2) gang; gangpad; loop; looppad; doorgang; doorloop
ループ rūpu (1) lus; [gew.] lis; (2) [m.b.t. trein;tram] ringlijn; (3) [luchtv.] loop; looping
下痢 geri diarree; buikloop; loop; loslijvigheid; [spreekt.] dunne afgang; [volkst.] poeperij; [volkst.] schijterij; [vulg.] kakkerij; [vulg.] racekak; [vulg.] slingerschijt; [vulg.] spuit; [vulg.] spuitpoep; [gew.] treite
前身 maemi (1) [衣服の] voorpand; voorstuk; voorslip; voorstuk; voorzijde; (2) [砲の] loop
客足 kyakuashi klantenaantal; klandizie; beklanting; clientèle; toeloop; loop
展開 tenkai (1) ontwikkeling; ontvouwing; (2) verloop; ontwikkeling; evolutie; loop; (3) ontwikkeling; uitwerking; explicitering; uiteenzetting; (4) [wisk.] desintegratie; ontwikkeling; verdere uitwerking; (5) [muziek;m.b.t. thema] uitwerking; [dramaturgie] epitasis; (6) [m.b.t. troepen] het inzetten; deployering; opstelling
悪戯小僧 itazurakozō kwajongen; deugniet; plaaggeest; vlegel; rakker; bengel; snaak; boefje; snotjongen; lastpost; aap van een jongen; blaag; gamin; goof; strank; loop-in-'t-lijntje; mamzer; [inform.] apenkop; [gew.] beersem; [gew.] brak; [gew.] knechtenbrak; [gew.] kwapits; kwapert; kwapoets; [gew.] pagadder; [gew.] schabbernak
成行き nariyuki (1) loop; gang; verloop; beloop; ontwikkelingen; (2) [beurst.] markt
推移 suī (1) het verstrijken (van de tijd); tijdsverloop; verloop; loop; ontwikkeling; gang; beloop; (2) overgang; verandering; verschuiving; kentering; transitie
方向 hōkō (1) richting; oriëntatie; koers; loop; (2) weg; koers; [i.h.b.] loopbaan
歩き振り arukiburi manier van lopen; gang; pas; loop; stap; tred; schrede
歩き方 arukikata manier van lopen; gang; pas; loop; stap; tred; schrede
歩み ayumi (1) het wandelen; het gaan; gang; (2) tempo; tred; pace; ritme; (3) ontwikkelingsgang; loop; verloop; [i.h.b.] geschiedenis; [Belg.N.] historiek
歩行 hokō het wandelen; wandel; het gaan; gang; gaans; het lopen; loop
ho (1) stap; pas; schrede; [lit.t.] schred; tred; trede; (2) gang; loop; wandel; [i.h.b.] vooruitgang; stap vooruit; vordering; (3) infanterie; voetvolk [afkorting van hohei 歩兵]; (4) [kwantor om het aantal stappen;passen;schreden enz. te tellen]
砲身 hōshin kanonloop; schietbuis; loop
tsutsu (1) pijp; buis; leiding; leidingbuis; (2) cilindrisch voorwerp; cilinder; koker; bus; huls; [刃物の] schede; (3) geweerloop; kanonloop; loop; schietbuis; (4) schietgeweer; geweer; vuurwapen; buks; [veroud.] bus
経過 keika (1) het voorbijgaan; verloop; verstrijking; (2) verloop; ontwikkeling; voortgang; ontwikkelingsgang; evolutie; beloop; loop
行き;往き;行;往 yuki (1) vertrek; afvaart; afreis; heenreis; heenrit; heenvlucht; heenweg; (2) reis; tocht; trek; trip; koers; vaart; gang; loop; beloop; het stevenen; het tijgen; het zich begeven; het heengaan; (3) heenreisbiljet; kaartje enkele reis; enkeltje; (4) met bestemming ~; naar ~
走り hashiri (1) het lopen; loop; het rijden; rit; [ペンの] het schrijven; [障子の] het schuiven; (2) eersteling; eerste vrucht; primeur; (3) voorbode; voorteken; voorloper; loper
(1) -race; -loop; (a) rennen; (b) vluchten; (c) bodedienst; bezorgdienst
ashi (1) [anat.] been; poot; [inform.] stelt; [烏賊;蛸の] arm; tentakel; (2) [anat.] voet; (3) mannelijk geslachtsdeel; derde been; (4) [fig.] poot; onderstel; stut; [山の] voet; [旗の] vlucht; (5) [wisk.] voet; voetpunt; (6) onderste gedeelte van een Chinees karakter; (7) ashikanamono [= metalen ringen aan een zwaardschede ter bevestiging van rijgsnoeren]; (8) stap; tred; schrede; pas; gang; loop; tempo; (9) [paardensport] [馬の] gang; snelheid; (10) [scheepv.] vaart; snelheid; (11) [scheepv.] levend werk [= deel van een schip dat zich in het water bevindt]; diepgang; (12) [scheepv.] stabiliteit; stijfheid; (13) [客の] bezoek; aanloop; opkomst; klandizie; (14) [犯人の] gangen; spoor; [i.h.b.] vluchtroute; (15) aanwijzing; spoor; aanknopingspunt; (16) [雨;雲;風の] drift; gesteldheid; (17) vervoer; transport; vervoermiddel; transportmiddel; [meton.] gelegenheid; (18) transportkosten; vervoerkosten; vervoerprijs; reiskosten; (19) geld; geldmiddelen; middelen; (20) [武士の] dotatie; apanage; toelage; (21) rente; interest; intrest; (22) verlies; derving; tekort; gebrek; [i.h.b.] schuld; (23) [beurst.] koers; marktbeweging; trend; tendens; (24) [食べ物の] houdbaarheid; (25) [餅の] kleverigheid; plakkerigheid; (26) [酒の] kwaliteit; karakter; (27) [網目の] maaswijdte; (28) [柿葺きで] overstek [= afstand waarmee de ene dakspaan over de andere uitsteekt]; (29) poppenspeler die het voetenwerk van een marionet bedient; (30) prostituee; liefje; (31) circa …; ongeveer …
通路 tsūro passage; doorgang; weg; pad; verbindingsgang; gang; corridor; doorloop; loop; looppad; [i.h.b.] gangpad; [bouwkunst] beuk
運行 unkō (1) [惑星;衛星;彗星の] loop; beweging; omloop; (2) [電車;バスの] dienst; verkeer; (3) voortgang; vordering
道;路;途;径 michi (1) weg; baan; route; straat; (2) reis; reisroute; koers; tocht; (3) zeden; juist gedrag; ware pad; pad der deugd; plicht; gerechtigheid; (4) leer; juiste weg [van het boeddhistische geloof enz.]; (5) methode; middel; stap; uitweg; manier; kunst; (6) onderwerp; materie; terrein; branche; vakgebied; (7) loop; gang; proces
駆け足 kakeashi (1) looppas; versnelde pas; loop; het rennen; ren; (2) galop; [fig.] holletje; [fig.] haastje-repje
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.23 sec. jiten.nl: 26 treffers, warandict: 26 treffers (zoekopdracht: 'loop'). 
2005-2026