RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <loop>
アイル airu (1) zijbeuk; beuk; (2) gang; gangpad; loop; looppad; doorgang; doorloop
ループ rūpu (1) lus; [gew.] lis; (2) [m.b.t. trein;tram] ringlijn; (3) [luchtv.] loop; looping
下痢 geri diarree; buikloop; loop; loslijvigheid; [spreekt.] dunne afgang; [volkst.] poeperij; [volkst.] schijterij; [vulg.] kakkerij; [vulg.] racekak; [vulg.] slingerschijt; [vulg.] spuit; [vulg.] spuitpoep; [gew.] treite
前身 maemi (1) [衣服の] voorpand; voorstuk; voorslip; voorstuk; voorzijde; (2) [砲の] loop
客足 kyakuashi klantenaantal; klandizie; beklanting; clientèle; toeloop; loop
展開 tenkai (1) ontwikkeling; ontvouwing; (2) verloop; ontwikkeling; evolutie; loop; (3) ontwikkeling; uitwerking; explicitering; uiteenzetting; (4) [wisk.] desintegratie; ontwikkeling; verdere uitwerking; (5) [muziek;m.b.t. thema] uitwerking; [dramaturgie] epitasis; (6) [m.b.t. troepen] het inzetten; deployering; opstelling
悪戯小僧 itazurakozō kwajongen; deugniet; plaaggeest; vlegel; rakker; bengel; snaak; boefje; snotjongen; lastpost; aap van een jongen; blaag; gamin; goof; strank; loop-in-'t-lijntje; mamzer; [inform.] apenkop; [gew.] beersem; [gew.] brak; [gew.] knechtenbrak; [gew.] kwapits; kwapert; kwapoets; [gew.] pagadder; [gew.] schabbernak
成行き nariyuki (1) loop; gang; verloop; beloop; ontwikkelingen; (2) [beurst.] markt
推移 suī (1) het verstrijken (van de tijd); tijdsverloop; verloop; loop; ontwikkeling; gang; beloop; (2) overgang; verandering; verschuiving; kentering; transitie
方向 hōkō (1) richting; oriëntatie; koers; loop; (2) weg; koers; [i.h.b.] loopbaan
歩き振り arukiburi manier van lopen; gang; pas; loop; stap; tred; schrede
歩き方 arukikata manier van lopen; gang; pas; loop; stap; tred; schrede
歩み ayumi (1) het wandelen; het gaan; gang; (2) tempo; tred; pace; ritme; (3) ontwikkelingsgang; loop; verloop; [i.h.b.] geschiedenis; [Belg.N.] historiek
歩行 hokō het wandelen; wandel; het gaan; gang; gaans; het lopen; loop
歩 ho (1) stap; pas; schrede; [lit.t.] schred; tred; trede; (2) gang; loop; wandel; [i.h.b.] vooruitgang; stap vooruit; vordering; (3) infanterie; voetvolk [afkorting van hohei 歩兵]; (4) [kwantor om het aantal stappen;passen;schreden enz. te tellen]
砲身 hōshin kanonloop; schietbuis; loop
筒 tsutsu (1) pijp; buis; leiding; leidingbuis; (2) cilindrisch voorwerp; cilinder; koker; bus; huls; [刃物の] schede; (3) geweerloop; kanonloop; loop; schietbuis; (4) schietgeweer; geweer; vuurwapen; buks; [veroud.] bus
経過 keika (1) het voorbijgaan; verloop; verstrijking; (2) verloop; ontwikkeling; voortgang; ontwikkelingsgang; evolutie; beloop; loop
行き;往き;行;往 yuki (1) vertrek; afvaart; afreis; heenreis; heenrit; heenvlucht; heenweg; (2) reis; tocht; trek; trip; koers; vaart; gang; loop; beloop; het stevenen; het tijgen; het zich begeven; het heengaan; (3) heenreisbiljet; kaartje enkele reis; enkeltje; (4) met bestemming ~; naar ~
走り hashiri (1) het lopen; loop; het rijden; rit; [ペンの] het schrijven; [障子の] het schuiven; (2) eersteling; eerste vrucht; primeur; (3) voorbode; voorteken; voorloper; loper
走 sō (1) -race; -loop; (a) rennen; (b) vluchten; (c) bodedienst; bezorgdienst
足 ashi (1) [anat.] been; poot; [inform.] stelt; [烏賊;蛸の] arm; tentakel; (2) [anat.] voet; (3) mannelijk geslachtsdeel; derde been; (4) [fig.] poot; onderstel; stut; [山の] voet; [旗の] vlucht; (5) [wisk.] voet; voetpunt; (6) onderste gedeelte van een Chinees karakter; (7) ashikanamono [= metalen ringen aan een zwaardschede ter bevestiging van rijgsnoeren]; (8) stap; tred; schrede; pas; gang; loop; tempo; (9) [paardensport] [馬の] gang; snelheid; (10) [scheepv.] vaart; snelheid; (11) [scheepv.] levend werk [= deel van een schip dat zich in het water bevindt]; diepgang; (12) [scheepv.] stabiliteit; stijfheid; (13) [客の] bezoek; aanloop; opkomst; klandizie; (14) [犯人の] gangen; spoor; [i.h.b.] vluchtroute; (15) aanwijzing; spoor; aanknopingspunt; (16) [雨;雲;風の] drift; gesteldheid; (17) vervoer; transport; vervoermiddel; transportmiddel; [meton.] gelegenheid; (18) transportkosten; vervoerkosten; vervoerprijs; reiskosten; (19) geld; geldmiddelen; middelen; (20) [武士の] dotatie; apanage; toelage; (21) rente; interest; intrest; (22) verlies; derving; tekort; gebrek; [i.h.b.] schuld; (23) [beurst.] koers; marktbeweging; trend; tendens; (24) [食べ物の] houdbaarheid; (25) [餅の] kleverigheid; plakkerigheid; (26) [酒の] kwaliteit; karakter; (27) [網目の] maaswijdte; (28) [柿葺きで] overstek [= afstand waarmee de ene dakspaan over de andere uitsteekt]; (29) poppenspeler die het voetenwerk van een marionet bedient; (30) prostituee; liefje; (31) circa …; ongeveer …
通路 tsūro passage; doorgang; weg; pad; verbindingsgang; gang; corridor; doorloop; loop; looppad; [i.h.b.] gangpad; [bouwkunst] beuk
運行 unkō (1) [惑星;衛星;彗星の] loop; beweging; omloop; (2) [電車;バスの] dienst; verkeer; (3) voortgang; vordering
道;路;途;径 michi (1) weg; baan; route; straat; (2) reis; reisroute; koers; tocht; (3) zeden; juist gedrag; ware pad; pad der deugd; plicht; gerechtigheid; (4) leer; juiste weg [van het boeddhistische geloof enz.]; (5) methode; middel; stap; uitweg; manier; kunst; (6) onderwerp; materie; terrein; branche; vakgebied; (7) loop; gang; proces
駆け足 kakeashi (1) looppas; versnelde pas; loop; het rennen; ren; (2) galop; [fig.] holletje; [fig.] haastje-repje