
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (titelwoord)
ken・件
ken・券
zn. bewijs o.; kaartje o.; coupon v.; certificaat o.
ken・圈
(圏) zn. sfeer v.; circel v. ¶ 極圈 poolstreek
ken・權
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <ken>
けん ken (1) [flexiemorfeem dat speculatie uitdrukt omtrent een feit uit het verleden]; (2) [flexiemorfeem dat speculeert omtrent de oorzaak;reden van een feit uit het verleden]; (3) [~体言] [flexiemorfeem dat aangeeft dat een feit uit het verleden via via vernomen werd]
ケン ken (1) [Chin.cul.] gēng [= gebonden soep]; (2) Ken; Kenn
乾 ken (1) het trigram hemel ☰; (a) hemel
件 ken (1) zaak; geval; aangelegenheid; affaire; kwestie; materie; casus; (2) [maatwoord voor gevallen van misdaad;ongevallen]; (3) [maatwoord voor faillissementen;schandalen;kwesties]; (4) [maatwoord voor aanvragen;bevragingen;aangiftes;petities]; (5) [maatwoord voor transacties]; (6) [maatwoord voor bezoeken aan een internetsite;treffers]; (7) [maatwoord voor agendapunten;onderwerpen]; (8) [maatwoord voor ingesproken boodschappen of ingestuurde berichten]
健 ken (a) gezond; kloek; (b) hevig; enorm
兼 ken (1) zowel als; tevens; en gelijktijdig; tegelijkertijd; (a) gelijktijdig uitoefenen; bezitten; cumuleren; (b) vooraf; van tevoren
券 ken (1) kaartje; biljet; toegangskaartje; [Belg.N.] ticket; (2) coupon; (3) obligatie; (4) certificaat; bewijs; (5) eigendomsbewijs van onroerend goed; grondbrief; (a) eigendomsbewijs; effect; waardepapier; zegel
剣 ken zwaard; degen
圏 ken (1) sfeer; kring; domein; gebied; terrein; veld; zone; bereik; blok; (a) kring; gebied; (b) bolletje; kringetje
堅 ken Ken
建 ken (a) oprichten; beginnen; vestigen; (b) formuleren; melden
憲 ken (a) wet; voorschrift; (b) grondwet; (c) ambtenaar
検 ken (a) onderzoeken; (b) controleren; (c) test; (d) bureau van het Openbaar Ministerie
権 ken (1) bevoegdheid; macht; (2) recht
犬 ken (a) hond; (b) niemendal; iets onbeduidends
県 ken (1) prefectuur; (2) district
研 ken (a) polijsten; slijpen; (b) uitvorsen; (c) inktsteen
腱 ken [anat.] pees; spierpees
見 ken (1) visie; kijk; beschouwing; zienswijze; opvatting; opinie; (2) het cruisen in de rosse buurt; meisjeskeuring; (3) hoogtepunt; highlight; (4) [boeddh.] darśana [= perceptie]; (a) bekijken; (b) nadenken; beschouwing; (c) ontmoeten; (d) verschijnen
謙 ken zich vernederen; zich inhouden
賢 ken (1) wijsheid; slimheid; pienterheid; schranderheid; verstand; (2) wijze; verstandig; slim; pienter; schrander mens; (3) troebele; blinde; ondoorzichtige; droeve; niet geklaarde; wolkige sake; (4) wijs; schrander; verstandig; slim; pienter; (5) uw ~
軒 ken (1) x huizen; x deuren [kwantor om huizen te tellen]; (2) [na de naam van een restaurant] restaurant ~
鍵 ken (1) sleutel; (2) [ピアノ;オルガン;タイプライターの] toets; (3) [管楽器の] klep; ventiel; (4) [maatwoord voor toetsen]; (a) sleutel; (b) toets
鹸 ken (a) loog; potasloog; (b) zeepstof
Tijd: 1.26 sec. jiten.nl: 6 treffers, warandict: 24 treffers (zoekopdracht: 'ken').
2005-2026
