RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <zaak>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
De weergave van het Japans van de resultaten hieronder is gespeld in een vorm van
waapuro-spelling. De spelling komt overeen met de originele spelling in
hiragana in het Japans. De verschillen met de
Hepburn-spelling van de overige resultaten zijn eenvoudig:
| spelling |
uitspraak |
| uu |
lang aangehouden /oe/ (Hepburn spelling: ū) |
| ou |
lang aangehouden /o/ (Hepburn spelling: ō) |
| (soms, als in 酔う you "dronken zijn") uitspraak: /o/ + /oe/ |
| ei |
lang aangehouden /ee/ (dit is identiek in Hepburn spelling) |
| ha |
/ha/ (identiek aan Nederlands en Hepburn spelling) |
| alleen voor het partikel は: uitspraak /wa/ |
| he |
/he/ (identiek aan Nederlands en Hepburn spelling |
| alleen voor het partikel へ: uitspraak /e/ |
[verberg]
アフェアー afeaa (1) zaak; aangelegenheid; (2) verhouding; liefdesverhouding; liefdesgeschiedenis; liaison; amourette
ショップ shoppu winkel; zaak; handel; shop
ストア sutoa (1) winkel; zaak; (2) [bouwk.] stoa
一件 ikken aangelegenheid; kwestie; zaak; geval; affaire
事柄 kotogara aangelegenheid; zaak; kwestie; affaire; omstandigheden
事案 jian geval; kwestie; zaak; casus
事業 jigyou (1) werk; onderneming; project; (2) onderneming; bedrijf; zaak
事 koto (1) ding; voorwerp; zaak; (2) zaak; aangelegenheid; affaire; omstandigheid; belang; (3) probleem; vraagstuk; kwestie; vraag; (4) feit; feitelijkheid; (5) omstandigheid; omstandigheden; toestand van een zaak; staat van zaken; toestand; situatie; (6) geval; (7) voorval; incident; onverwachte gebeurtenis; ongewone gebeurtenis; (8) ongeluk; ongeval; tegenspoed; pech; onheil; moeilijkheid; verwikkeling; (9) werk; werkzaamheid; ambtelijke werkzaamheid; functie; taak; opdracht; plicht; wat van iemand geëist wordt; (10) oorzaak; motief; reden; beweeggrond; (11) ervaring; ondervinding
事 ji (1) zaak; geval; werk; (2) [boeddh.] artha [= fenomeen;praktijk]; (a) ding; zaak; geval; (b) daad; handeling; werk; (c) dienen; ten dienste staan
仕事 shigoto (1) werk; arbeid; karwei; klus; taak; affaire; zaak; opgave; bezigheid; werkzaamheid; (2) werk; baan; job; beroep; betrekking; emplooi; (3) [nat.;techn.] arbeid
件 ken (1) zaak; geval; aangelegenheid; affaire; kwestie; materie; casus; (2) [maatwoord voor gevallen van misdaad;ongevallen]; (3) [maatwoord voor faillissementen;schandalen;kwesties]; (4) [maatwoord voor aanvragen;bevragingen;aangiftes;petities]; (5) [maatwoord voor transacties]; (6) [maatwoord voor bezoeken aan een internetsite;treffers]; (7) [maatwoord voor agendapunten;onderwerpen]; (8) [maatwoord voor ingesproken boodschappen of ingestuurde berichten]
会社 kaisha bedrijf; onderneming; zaak; firma; vennootschap; maatschappij; maatschap; associatie; kantoor; [meton.] werk; [afk.] Mij.
八百長 yaochou doorgestoken kaart; complot; van tevoren afgesproken spel; werk; zaak; voorgekookte bedoening; opgelegd pandoer; [Belg.N.] opgezet spel; [veroud.] gemaakte mouw; [w.g.] bestoken werk; [gew.] noten met gaatjes; [gew.] opgemaakt spel
商売 shoubai (1) handel; zaak; nering; bedrijf; commercie; zaken; het zakenleven; het zakendoen; koophandel; koopmanschap; business; affaire; (2) beroep; werk; vak; branche; [Belg.N.] stiel
商店 shouten winkel; zaak; handelszaak; handel; shop
商 shou (1) handel; zaak; winkel; (2) handelaar; koopman; handelsman; (3) [wisk.] quotiënt; uitkomst van een deling; (4) Shāng [Chinese dynastie;1766-1122 v.Chr.;genoemd naar de hoofdstad van de Yīn 殷]
問題 mondai (1) vraag; vraagstuk; probleem; opgave; kwestie; zaak; aangelegenheid; perikelen; (2) onderwerp; (discussie)punt; geschilpunt; (3) controverse; moeilijkheden; problemen; kritiek
売り場 uriba (1) winkel; zaak; warenhuis; (2) winkeltafel; toonbank; uitstalbank; balie in een winkel; zaak; afdeling; counter; (3) kans om te verkopen; goede gelegenheid om te verkopen; geschikt moment om te verkopen
奴 yatsu (1) kerel; vent; gast; knul; man; baas; knaap; gozer; heerschap; snuiter; vriend; jongen; [inform.] klant; creatuur; sujet; (2) ding; zaak; exemplaar; geval; (3) [denigrerend of sympathiserend] hij; zij
子 shi (1) kind; [i.h.b.] jongen; (2) deugdzame man; meester; [i.h.b.] Confucius; (3) zǐ [± traktaat;één van de vier categorieën boeken in het Klassiek Chinees]; (4) burggraaf; (5) rente; interest; (6) [go-spel] schijf waarmee men go speelt; (7) jij; je; (8) -er; -or; -aar; -eur [maakt van een zelfst. naamw. een nomen agentis]; (9) [Nara;Heian-gesch.] [achtervoegsel bij namen van edelvrouwen]; (10) [honoratief achtervoegsel bij persoonsnamen]; (11) [achtervoegsel na de eigen naam ten teken van bescheidenheid]; (a) kind; zoon; dochter; telg; (b) ei; vrucht; (c) deeltje; (d) heer; leraar; meester; (e) man; mens; (f) vrouwe …; (g) ding; zaak; iets; (h) burggraaf; (i) [astrol.] rat
局 kyoku (1) bureau; departement; afdeling; (2) (telefoon)centrale; (3) postkantoor; (4) televisiestation; radiostation; (5) spelletje go; (6) situatie; zaak; geval
店屋;見世屋 miseya winkel; zaak; handel; handelszaak; winkelzaak; bazaar; magazijn
店舗 tenpo (1) winkel; winkelzaak; handelszaak; zaak; handel; shop; (2) [maatwoord voor winkels;handelszaken]
店 mise winkel; zaak; handel; bazaar; magazijn; firma; huis
御用 goyou (1) [hoff.] iemands zaken; zaak; het benodigde; bestelling; wat iemand nodig heeft; (2) officiële zaken; opdracht; overheidsopdracht; [Jap.gesch.] hofzaken; (3) [Edo-periode] arrestatie; arrest; [als uitroep] u staat onder arrest!; halt in de naam der wet!; (4) dienst; het ten dienste staan van het regime; de overheid; (5) [hand.] loopjongen (die bij klanten bestellingen opneemt); loopknecht; bezorger; commis-voyageur
暖簾 noren (1) gesplit gordijntje aan een winkelingang met de naam van de zaak erop; winkelgordijn; (2) gesplit gordijntje aan de ingang van een vertrek; (3) reputatie van een winkel; zaak; aanzien; goede naam; vermaardheid; krediet
案件 anken (1) kwestie; zaak; geding; voorwerp van bespreking; (2) vraagpunt; discussiepunt; punt
洋行 youkou (1) tocht; overtocht; gang; reis naar het Westen; (2) [in China] door buitenlanders gerunde winkel; zaak
物件 bukken voorwerp; object; zaak
物 motsu zaak; ding; waar; goed; spul
物 mono (1) ding; voorwerp; zaak; goed; stuk; artikel; waar; iets; object; brok; spul; materiaal; (2) aangelegenheid; kwestie; historie; affaire; materie; onderwerp; punt; (3) eigendom; bezit; have; goed; (4) kwaliteit; (5) rede; wat redelijk is; (6) -werk; -stuk; (7) -wekkend; -aanjagend; -barend; -gevend; wat ~ veroorzaakt
用事 youji zaak; aangelegenheid; werk; affaire
用件 youken zaak; aangelegenheid
社 sha (1) bedrijf; onderneming; zaak; firma; vennootschap; maatschappij; kantoor; [meton.] werk [verkorting van kaisha 会社]; (2) krantenuitgeverij; krantenbedrijf; krantenbureau; [pregn.] krant [verkorting van shinbunsha 新聞社]; (3) shintoïstisch heiligdom; shintotempel; godenschrijn; [angl.] schrijn; (4) genootschap; vereniging; organisatie; maatschappij; bond; club; [veroud.] sociëteit [verkorting van kessha 結社]; (5) [kwantor voor ondernemingen;heiligdommen en genootschappen]
訴え uttae (1) [jur.] proces; rechtsgeding; geding; rechtszaak; zaak; (gerechtelijke) actie; rechtshandeling; gerechtelijke stappen; rechtsvordering; (2) [jur.] appel; klacht; aanklacht; beschuldiging; accusatie; tenlastelegging; telastlegging; (3) [jur.] eis; aanvraag; aanvrage; (4) klacht; grief; ontevredenheidsbetuiging; verzuchting; bezwaar; (5) beroep; verzoek; oproep; bede
訴訟 soshou [jur.] proces; rechtsgeding; rechtszaak; procedure; geding; twistgeding; zaak; actie; rechtshandeling; rechtsdaad; rechtsvordering; eis
販売店 hanbaiten winkel; zaak
遺失物 ishitsubutsu verloren voorwerp; zaak; gevonden voorwerp
遺留品 iryuuhin achtergelaten goed; zaak; dingen; spullen
開業 kaigyou opening van een praktijk; zaak; het beginnen; opzetten van een zaak; oprichting van een zaak; vestiging van een praktijk; bedrijf; aanvang van z'n werkzaamheden [als arts;advocaat enz.]; installatie