日蘭辭典+

71 resultaten voor ‘zaak’
日蘭辭典 (trefwoord)
anken案件
zn. zaak v.; aangelegenheid v.; proces o.
akinai
(商い) zn. (1) [商賣] handel m.; zaak v. (2) [職業] beroep o.; bedrijf o.
ken
zn. zaak v. ¶ の件に附いて wat betreft; in zake ...... ¶ あの件はどうなりましたか hoe is het daarmee afgeloopen?
shigoto仕事
zn. werk o.; arbeid (勞働) m.; taak () v. ¶ 仕事をする werken. ¶ 仕事日 werkdag. ¶ 仕事賃 werkloon; arbeidsloon. ¶ 仕事著 werkpak. ¶ 仕事嫌ひ arbeidschuw. ¶ 仕事werker. ¶ 針仕事 naaiwerk.
shōgyō商業
zn. handel m. ¶ 商業の commercieel. ¶ 商業界 handelswereld. ¶ 商業會議所 kamer van koophandel. ¶ 職業取引所 de beurs. ¶ 商業組合 gilde. ¶ 職業語 handelsterm; zakenterm. ¶ 職業證券 handelspapieren; documenten.
yōji用事
zn. zaken. v.mv ¶ 用事ある zaken hebben; bezig zijn; wat te doen hebben.
shutchō出張
zn. dienstreis v. ¶ 出張する op dienstreis gaan. ¶ 出張所 agentschap; branche. ¶ 出張中である voor dienst op reis zijn; voor zaken op reis zijn.
shōbai商賣
(商売) zn. (1) [商業] handel m. (2) [取引] transactie v. (3) [職業] bedrijf o.; beroep o. ¶ 商賣始める een zaak opzetten. ¶ 商賣をして居る zaken doen; in zaken zijn. ¶ 酒商賣をする handelen in spiritualiën. ¶ 商賣止める zich uit de zaken terugtrekken. ¶ 商賣する handel drijven; zaken doen; in den handel zijn. ¶ 商賣concurrent. 商賣handelaar; koopman. ¶ 商賣振 wijze van zaken-doen.
meiyo名譽
(名誉) zn. goede naam m.; eer v.; reputatie v. ¶ 名譽心 eerzucht. ¶ 名譽職 erebaantje. ¶ 名譽ある man van eer. ¶ 名譽關する問題 zaak van eer. ¶ 名譽賞牌 eeremedaille. ¶ 名譽快復 eerherstel; rehabilitatie. ¶ 名譽にかけての woord van eer. ¶ 名譽失う zijn reputatie verliezen. ¶ 名譽學位 eeregraad. ¶ 名譽博士 doctor honoris causa; eere-doctor.
ikisatsu經緯
(經緯) zn. omstandigheden v.mv.; bijzonderheden v.mv. ¶ のいきさつを明かにする de zaak in bijzonderheden uitleggen; omstandigen uitleg geven.
kaigyō開業

zn. opening van een zaak; begin van een bedrijf. ¶ 開業する zaak openen; bedrijf beginnen.

koto

zn. (1) [事物] ding o.; voorwerp o. (2) [事件] zaak v.; aangelegenheid v. (3) [事實] feit o. (4) [出来事, 事變] voorval o.; gebeurtenis o. (5) [仕事] taak v. (6) [事情] omstandigheden v.mv. (7) [經驗] ondervinding v. ¶ の事 wat betreft..... ¶ 事なく zónder moeilijkheden. ¶ 事處に行った事があるか ben je daar wel eens geweest? ¶ 私の事ですか bedoel je mij?; moet je mij hebben? ¶ 一分の事で汽車に乘り遲れた ik was net één minuut te laat voor den trein. ¶ 事を缺く gebrek hebben aan.

kotogara事故
kuchikiri口切

zn. (1) [著手] begin o.; opening v. (2) [鑵切] blik-opener. ¶ 口切をやる een zaak op het tapijt brengen.

zentai全體

(全体) zn. (1) [全部] geheel o.; al o.; totaal o. bw. (2) [元來] van nature; uit den aard der zaak; uiteraard. (3) [概して] over het algemeen; in algemeenen zin. ¶ 全體の volledig; totaal; al; geheel. ¶ 歐洲全體に in geheel Europa; overal in Europa. ¶ これで全體です dat is alles. ¶ 全體何が欲しいのだらう wat wil hij toch? ¶ 全體誰の許を受けてそんなことをした wie heeft je in godsnaam vergunning gegeven zoo iets te doen?

zenji善事

zn. goede daad v.; goede zaak v.

yosogoto餘所事

(余所事) zn. zaak, waarmede men niets te maken heeft; een ander z’n zaak v.

yōmu要務

zn. gewichtige zaak v.

yōmu用務

zn. zaak v.; taak v. ¶ 用務を果す zaken afdoen.

yōmuki用向

zn. zaak v.; aangelegenheid o.

yokuyokuよくよく

bw. zorgvuldig; nauwkeurig. ¶ よくよくの onvermijdelijk; uiterst. ¶ よくよくの事 onafwendbare zaak.

yoketsu豫決

(予決) zn. voorafgaande beslissing v.; vooraf uitgemaakte zaak v.

yōken要件

zn. gewichtige zaak v.; dat, waar het op aan komt; hoofdpunt o.; hoofdzaak v.

yōken用件

zn. zaak v.

yodan豫斷

(予断) zn. voorafgaande beslissing v.; vooraf uitgemaakte zaak v. ¶ 豫斷する vooraf beslissen.

(1) [用事] zaken v.mv. (2) [役] dienst m.; nut o. (3) [入費] kosten m.mv. ¶ 用を達する zaak afdoen. ¶ 何御用なのですか wat is er van uw dienst? ¶ お前は用がないのか heb je niets te doen? ¶ 用に立てる gebruik maken van. ¶ 用に立つ bruikbaar zijn; nuttig zijn. ¶ 家庭用 huishoudelijk gebruik. ¶ 用を足す zijn behoeften doen. ¶ 用なき (仕事の無い) niets te doen; vrij; (不用な) onnoodig; nutteloos.

wazuka

zn. kleine hoeveelheid v.; weinig o.; beetje o.; geringe graad m. ¶ 僅の weinig; onbeduidend; gering. ¶ 僅に slechts; alleen maar; niet meer dan. ¶ 僅な傷 lichte wond. ¶ 僅な事 onbeduidende zaak. ¶ 僅三年の內に in den korten tijd van drie jaar; in slechts drie jaren tijds. ¶ 僅に免る ternauwernood ontsnappen. ¶ 僅十箇しかない er zijn er maar tien. ¶ 僅だが君に上げよう hier is een kleinigheid voor je.

uwanuri上塗

zn. laatste laag verf (of pleister); verergering (惡しき事の) v. ¶ 上塗する bovenlaag aanbrengen; deklaag verven; glazuur aanbrengen (陶器に); de zaak verergeren (惡い事の). ¶ 恥の上塗をする de schande nog vergrooten.

uchiuchi no內々の

(内々の) bn. intiem; informeel. ¶ 内々の事 een zaak, die alleen de naaste familie aangaat.

SUPPLEMENT (trefwoord)
kyū
(na-adj) (1) plotseling; plots; opeens; onverwacht. ¶ 急にがブレーキをかけたので、フロントガラスにをぶつけた。 Kyū ni kare ga burēki wo kaketa no de, furontogurasu ni atama wo butsuketa. Omdat hij plotseling op de rem trapte stootte ik mijn hoofd tegen het voorraam. ¶ 急な客が来たので、そのテレビ番組が見れなかった。 Kyū na kyaku ga kita no de, sono terebi bangumi ga mirenakatta. Omdat ik onverwacht bezoek had kon ik dat programma niet kijken. (2) urgent; dringend. ¶ 急な用事〔急用〕が出来て、パーティに行けなくなった。ごめんなさい。 Kyū na yōji [kyūyō] ga dekite, pāti ni ikenaku natta. Omdat zich een urgente zaak voordeed kon ik niet naar het feestje gaan. ¶ この事態は急を要する Kono jitai wa kyū wo yōsuru De situatie is urgent. ¶ これは急を要する事態だ。 Kore wa kyū wo yōsuru jitai da. Dit is een urgente situatie. (3) snel; woest (water). ¶ 急なで泳ぐのは大変危険だ。 Kyū na kawa de oyogu no wa taihen kiken da. Het is enorm gevaarlijk om in een snelstromende rivier te zwemmen. ¶ 彼女は急に老け込んできた。 Kanojo wa kyū ni fukekonde kita. Ze werd snel oud. (4) steil (helling); scherp (bocht). ¶ 急な坂 Kyū na saka. Een steile helling; Een plotse daling. ¶ 道路はそこで急な右カーブになっている。 Dōro wa soko de kyū na migi kābu ni natte iru. De weg maakt daar een scherpe bocht naar rechts. (TTC) (yamasv)
teishō提唱
(zn., suru-ww) (1) Het bepleiten [voorstellen; voorstaan; voorstellen; verdedigen; presenteren] van een zaak; voorstel; verdediging; presentatie. ¶ 提唱する teishōsuru [een zaak; iets] bepleiten; voorstaan; voorstellen; verdedigen; presenteren. ¶ 提唱者 teishōsha voorsteller; pleiter; verdediger; presentator. ¶ 彼の学説が初めて提唱されたは、それを信じなかった。 Kare no gakusetsu ga hajimete teishōsareta toki wa, dare mo sore wo shinjinakatta. Toen zijn theorie voor het eerst werd gepresenteerd vond die geen enkele steun. ¶ 電力不足対策のスーパークールビズとして、ポロシャツやアロハシャツの着用が提唱された。Denryokubusoku taisaku no sūpākūrubizu to shite, poroshatsu ya arohashatsu no chakuyō ga teishōsarete. In het kader van de Super Cool Biz maatregel voor het bestrijden van energietekorten werd het dragen van poloshirts en alohashirts [hawaïshirts] bepleit. [NB Cool Biz en later Super Cool Biz waren initiatieven van de Japanse overheid om bedrijven te stimuleren het mogelijk te maken om de airco op een lagere temperatuur zetten door werknemers zich luchtiger te laten kleden] (2) (a) Het uitleggen [verklaren; uiteenzetten; behandelen] van iets; uitleg; verklaring; uiteenzetting; lezing. (b) specifiek het uitleggen van de doctrines in Zenboeddhisme. ¶ 提唱する teishōsuru uitleggen; verklaren; behandelen; uiteenzetten. ¶ 禅家の提唱 Zenke no teishō Catechetische vraag voor meditatie in Zen.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <zaak>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
アフェアー afeaa (1) zaak; aangelegenheid; (2) verhouding; liefdesverhouding; liefdesgeschiedenis; liaison; amourette
ショップ shoppu winkel; zaak; handel; shop
ストア sutoa (1) winkel; zaak; (2) [bouwk.] stoa
一件 ikken aangelegenheid; kwestie; zaak; geval; affaire
事柄 kotogara aangelegenheid; zaak; kwestie; affaire; omstandigheden
事案 jian geval; kwestie; zaak; casus
事業 jigyou (1) werk; onderneming; project; (2) onderneming; bedrijf; zaak
koto (1) ding; voorwerp; zaak; (2) zaak; aangelegenheid; affaire; omstandigheid; belang; (3) probleem; vraagstuk; kwestie; vraag; (4) feit; feitelijkheid; (5) omstandigheid; omstandigheden; toestand van een zaak; staat van zaken; toestand; situatie; (6) geval; (7) voorval; incident; onverwachte gebeurtenis; ongewone gebeurtenis; (8) ongeluk; ongeval; tegenspoed; pech; onheil; moeilijkheid; verwikkeling; (9) werk; werkzaamheid; ambtelijke werkzaamheid; functie; taak; opdracht; plicht; wat van iemand geëist wordt; (10) oorzaak; motief; reden; beweeggrond; (11) ervaring; ondervinding
ji (1) zaak; geval; werk; (2) [boeddh.] artha [= fenomeen;praktijk]; (a) ding; zaak; geval; (b) daad; handeling; werk; (c) dienen; ten dienste staan
仕事 shigoto (1) werk; arbeid; karwei; klus; taak; affaire; zaak; opgave; bezigheid; werkzaamheid; (2) werk; baan; job; beroep; betrekking; emplooi; (3) [nat.;techn.] arbeid
ken (1) zaak; geval; aangelegenheid; affaire; kwestie; materie; casus; (2) [maatwoord voor gevallen van misdaad;ongevallen]; (3) [maatwoord voor faillissementen;schandalen;kwesties]; (4) [maatwoord voor aanvragen;bevragingen;aangiftes;petities]; (5) [maatwoord voor transacties]; (6) [maatwoord voor bezoeken aan een internetsite;treffers]; (7) [maatwoord voor agendapunten;onderwerpen]; (8) [maatwoord voor ingesproken boodschappen of ingestuurde berichten]
会社 kaisha bedrijf; onderneming; zaak; firma; vennootschap; maatschappij; maatschap; associatie; kantoor; [meton.] werk; [afk.] Mij.
八百長 yaochou doorgestoken kaart; complot; van tevoren afgesproken spel; werk; zaak; voorgekookte bedoening; opgelegd pandoer; [Belg.N.] opgezet spel; [veroud.] gemaakte mouw; [w.g.] bestoken werk; [gew.] noten met gaatjes; [gew.] opgemaakt spel
商売 shoubai (1) handel; zaak; nering; bedrijf; commercie; zaken; het zakenleven; het zakendoen; koophandel; koopmanschap; business; affaire; (2) beroep; werk; vak; branche; [Belg.N.] stiel
商店 shouten winkel; zaak; handelszaak; handel; shop
shou (1) handel; zaak; winkel; (2) handelaar; koopman; handelsman; (3) [wisk.] quotiënt; uitkomst van een deling; (4) Shāng [Chinese dynastie;1766-1122 v.Chr.;genoemd naar de hoofdstad van de Yīn 殷]
問題 mondai (1) vraag; vraagstuk; probleem; opgave; kwestie; zaak; aangelegenheid; perikelen; (2) onderwerp; (discussie)punt; geschilpunt; (3) controverse; moeilijkheden; problemen; kritiek
売り場 uriba (1) winkel; zaak; warenhuis; (2) winkeltafel; toonbank; uitstalbank; balie in een winkel; zaak; afdeling; counter; (3) kans om te verkopen; goede gelegenheid om te verkopen; geschikt moment om te verkopen
yatsu (1) kerel; vent; gast; knul; man; baas; knaap; gozer; heerschap; snuiter; vriend; jongen; [inform.] klant; creatuur; sujet; (2) ding; zaak; exemplaar; geval; (3) [denigrerend of sympathiserend] hij; zij
shi (1) kind; [i.h.b.] jongen; (2) deugdzame man; meester; [i.h.b.] Confucius; (3) zǐ [± traktaat;één van de vier categorieën boeken in het Klassiek Chinees]; (4) burggraaf; (5) rente; interest; (6) [go-spel] schijf waarmee men go speelt; (7) jij; je; (8) -er; -or; -aar; -eur [maakt van een zelfst. naamw. een nomen agentis]; (9) [Nara;Heian-gesch.] [achtervoegsel bij namen van edelvrouwen]; (10) [honoratief achtervoegsel bij persoonsnamen]; (11) [achtervoegsel na de eigen naam ten teken van bescheidenheid]; (a) kind; zoon; dochter; telg; (b) ei; vrucht; (c) deeltje; (d) heer; leraar; meester; (e) man; mens; (f) vrouwe …; (g) ding; zaak; iets; (h) burggraaf; (i) [astrol.] rat
kyoku (1) bureau; departement; afdeling; (2) (telefoon)centrale; (3) postkantoor; (4) televisiestation; radiostation; (5) spelletje go; (6) situatie; zaak; geval
店屋;見世屋 miseya winkel; zaak; handel; handelszaak; winkelzaak; bazaar; magazijn
店舗 tenpo (1) winkel; winkelzaak; handelszaak; zaak; handel; shop; (2) [maatwoord voor winkels;handelszaken]
mise winkel; zaak; handel; bazaar; magazijn; firma; huis
御用 goyou (1) [hoff.] iemands zaken; zaak; het benodigde; bestelling; wat iemand nodig heeft; (2) officiële zaken; opdracht; overheidsopdracht; [Jap.gesch.] hofzaken; (3) [Edo-periode] arrestatie; arrest; [als uitroep] u staat onder arrest!; halt in de naam der wet!; (4) dienst; het ten dienste staan van het regime; de overheid; (5) [hand.] loopjongen (die bij klanten bestellingen opneemt); loopknecht; bezorger; commis-voyageur
暖簾 noren (1) gesplit gordijntje aan een winkelingang met de naam van de zaak erop; winkelgordijn; (2) gesplit gordijntje aan de ingang van een vertrek; (3) reputatie van een winkel; zaak; aanzien; goede naam; vermaardheid; krediet
案件 anken (1) kwestie; zaak; geding; voorwerp van bespreking; (2) vraagpunt; discussiepunt; punt
洋行 youkou (1) tocht; overtocht; gang; reis naar het Westen; (2) [in China] door buitenlanders gerunde winkel; zaak
物件 bukken voorwerp; object; zaak
motsu zaak; ding; waar; goed; spul
mono (1) ding; voorwerp; zaak; goed; stuk; artikel; waar; iets; object; brok; spul; materiaal; (2) aangelegenheid; kwestie; historie; affaire; materie; onderwerp; punt; (3) eigendom; bezit; have; goed; (4) kwaliteit; (5) rede; wat redelijk is; (6) -werk; -stuk; (7) -wekkend; -aanjagend; -barend; -gevend; wat ~ veroorzaakt
用事 youji zaak; aangelegenheid; werk; affaire
用件 youken zaak; aangelegenheid
sha (1) bedrijf; onderneming; zaak; firma; vennootschap; maatschappij; kantoor; [meton.] werk [verkorting van kaisha 会社]; (2) krantenuitgeverij; krantenbedrijf; krantenbureau; [pregn.] krant [verkorting van shinbunsha 新聞社]; (3) shintoïstisch heiligdom; shintotempel; godenschrijn; [angl.] schrijn; (4) genootschap; vereniging; organisatie; maatschappij; bond; club; [veroud.] sociëteit [verkorting van kessha 結社]; (5) [kwantor voor ondernemingen;heiligdommen en genootschappen]
訴え uttae (1) [jur.] proces; rechtsgeding; geding; rechtszaak; zaak; (gerechtelijke) actie; rechtshandeling; gerechtelijke stappen; rechtsvordering; (2) [jur.] appel; klacht; aanklacht; beschuldiging; accusatie; tenlastelegging; telastlegging; (3) [jur.] eis; aanvraag; aanvrage; (4) klacht; grief; ontevredenheidsbetuiging; verzuchting; bezwaar; (5) beroep; verzoek; oproep; bede
訴訟 soshou [jur.] proces; rechtsgeding; rechtszaak; procedure; geding; twistgeding; zaak; actie; rechtshandeling; rechtsdaad; rechtsvordering; eis
販売店 hanbaiten winkel; zaak
遺失物 ishitsubutsu verloren voorwerp; zaak; gevonden voorwerp
遺留品 iryuuhin achtergelaten goed; zaak; dingen; spullen
開業 kaigyou opening van een praktijk; zaak; het beginnen; opzetten van een zaak; oprichting van een zaak; vestiging van een praktijk; bedrijf; aanvang van z'n werkzaamheden [als arts;advocaat enz.]; installatie
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.36 sec. jiten.nl: 31 treffers, warandict: 40 treffers (zoekopdracht: 'zaak'). 
2005-2026