日蘭辭典+

15 resultaten voor ‘klimmen’
日蘭辭典 (trefwoord)
agaru上る
(上がる ) i.w. (1) [上昇] stijgen; rijzen; klimmen; naar boven gaan. (2) [に] in een boom klimmen. ¶ 椅子にあがる op een stoel klimmen. (3) [陸に] aan wal stijgen; aan wal gaan. (4) [が] opgaan. (5) [が] geheschen worden. (6) [騰貴] stijgen. (7) [昇進] promotie maken; bevorderd worden. (8) [進步] vooruitgaan; vorderingen maken. (9) [罷める] ontheven worden van; ontslagen worden als. (10) [收入] ontvangen. (11) [休止] ophouden. ¶ があがった de regen heeft opgehouden. ¶ 天氣上る het weer is opgeklaard.
yōjinoboru攀る

i.w. klauteren; klimmen.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <klimmen>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
上がる agaru (1) [段を] opgaan; oplopen; opkomen; [坂を] opklimmen; beklimmen; [二階に] naar boven gaan; komen; (2) [幕が] opgaan; [遮断機が] omhooggaan; [狼煙;花火が] opstijgen; omhoogstijgen; de lucht in gaan; omhoogvliegen; [煙が] optrekken; [火の手が] oplaaien; [旗が] in top gaan; gehesen worden; [表彰の額が] opgehangen worden; [馬が] steigeren; [髪が] recht overeind gaan staan; te berge rijzen; [神が] opvaren; verrijzen; ten hemel klimmen; [声が] zich verheffen; geslaakt worden; [歓声が] weerklinken; [名が] beroemd worden; (3) [草が] uit de grond komen; uitkomen; opgroeien; opschieten; oprijzen; omhoogrijzen; opwassen; kiemen; (4) [水から] uit het water komen; [風呂;湯から] uit (het) bad komen; [陸に] op het droge komen; aan land gaan; landen; (5) [事実が] aan het licht komen; aan de dag komen; aan de oppervlakte komen; bovenkomen; gevonden worden; blijken; zich voordoen; zich manifesteren; optreden; [証拠が] voorhanden komen; [成果が] resultaat opleveren; [効果が] effect sorteren; uitwerking hebben; (6) [物価;血圧;気温が] stijgen; oplopen; opslaan; klimmen; toenemen; hoger worden; [econ.] aantrekken; [程度が] aan kracht winnen; verhevigen; groter worden; groeien; aangroeien; vermeerderen; [右肩が] hoger uitkomen; (7) [初舞台で] flippen; panikeren; de kluts kwijtraken; van de wijs raken; [Belg.N.] de trac in z'n lijf krijgen; (8) [利益が] opbrengen; opleveren; afwerpen; geven; afkomen; voortkomen; (9) [地位が] promotie maken; promoveren; klimmen; opklimmen; bevorderd worden; zich opwerken; (10) [成績;腕前が] verbeteren; vooruitgang boeken; [男ぶりが] er knapper op worden; opknappen; [意気が] opleven; opkikkeren; opgemonterd raken; opfleuren; [調子が] op dreef komen; op gang komen; in de stemming raken; (11) [大学に] aan de universiteit komen; [学校に] voor het eerst naar school gaan; beginnen; overgaan; (12) [座敷に] binnengaan; binnenkomen; binnentreden; ingaan; [舞台に] op het toneel komen; ten tonele komen; op het toneel verschijnen; opgaan; optreden; [妓楼に] bezoeken; naar de hoeren gaan; [お屋敷に] in dienst gaan; (13) [京都で] naar het noorden gaan; noordwaarts reizen; noordelijk trekken; [田舎から] naar het stedelijk gebied gaan; naar de grote stad; hoofdstad overkomen; [大阪で] naar het kasteel gaan; (14) teruggaan in tijd; opklimmen; dateren van; uit; (15) [仕事が] ten einde komen; afkomen; klaarkomen; gereedkomen; voltooid worden; afraken; (16) [双六;とらんぷ;まーじゃんで] winnen; uit zijn; (17) [雨が] ophouden; optrekken; [夕立が] wegtrekken; overgaan; [脈;月経;つわりが] stoppen; aflopen; [乳が] minder melk beginnen geven; aflaten; [ばってりーが] het laten afweten; leeglopen; (18) [魚;貝;虫が] sterven; [草木が] afsterven; verdorren; verwelken; [蚕が] zich verpoppen; beginnen te spinnen; (19) [商売が] kwakkelen; sukkelen; (20) [犯人が] gearresteerd worden; gevat worden; aangehouden worden; ingerekend worden; gesnapt worden; opgepakt worden; (21) [領地;役目が] verbeurdverklaard worden; geconfisqueerd worden; (22) [お灯明が] geofferd worden; gebracht worden; geschonken worden; (23) [貴人の膳が] afgeruimd worden; (24) [天ぷらが] gefrituurd worden; gebakken worden; (25) [hum.] gaan; op bezoek gaan; komen; z'n opwachting maken bij; langsgaan; langskomen; (26) [hon.] eten; drinken; nemen; nuttigen; gebruiken; (27) […~] klaar-; af-; gereed-; (28) […~] hevig …; intens …; compleet …; (29) […~] [krachtterm]
上る noboru (1) opgaan; omhooggaan; stijgen; klimmen; opstijgen; [i.h.b.] stroomopwaarts gaan; [i.h.b.] opvaren; [ten hemel enz.] varen; [de troon] bestijgen; [de troon] beklimmen; opklimmen (tot); omhoogkomen [in de maatschappij]; [de trap enz.] oplopen; [de ladder enz.] opgaan; opstappen; (2) richting centrum gaan; [i.h.b.] naar de hoofdstad trekken; [i.h.b.] naar Tokio opkomen; (3) belopen; bedragen; oplopen (tot); bereiken; (4) [ter sprake;ter tafel;aan de orde enz.] komen
上昇する;上升する joushousuru stijgen; omhooggaan; klimmen; rijzen; opgaan; opkomen
乗り越える;のり越える norikoeru (1) klimmen; komen over; erover(heen) geraken; klimmen; komen; overtrekken; oversteken; passeren; (2) overwinnen; te boven komen; zich eroverheen zetten; de baas worden; doorkomen; doorstaan; overleven; (3) overtreffen; voorbijstreven
乗り越す norikosu (1) [verkeers.] je bestemming voorbijrijden; te ver reizen; (2) klimmen; komen over; eroverheen geraken; klimmen; komen; overtrekken; oversteken; passeren; (3) met een voertuig inhalen; passeren; (4) voorbijsteken; voorbijstreven; overtreffen; achter zich laten; de loef afsteken
増える fueru toenemen; aangroeien; groter worden; sterker worden; aanwassen; aanzwellen; [w.g.] aanzetten; aanwakkeren; meerderen; groeien; klimmen; stijgen; zich vermenigvuldigen; zich vermeerderen; zich opstapelen; zich uitbreiden; zich verheffen; oplopen; aantikken; incurreren; aantellen
増加する zoukasuru toenemen; groeien; aangroeien; aanwassen; stijgen; klimmen; oplopen; aantikken; (zich) vermeerderen; groter worden
増大する zoudaisuru (1) toenemen; groeien; aangroeien; aanzwellen; aanwassen; stijgen; klimmen; oplopen; vermeerderen; groter worden; (2) doen toenemen; vergroten; groter maken; doen aangroeien; uitbreiden; vermeerderen; opvoeren
昇る noboru rijzen; opgaan; omhooggaan; opkomen; stijgen; klimmen; [i.h.b.] opvaren
昇天する shoutensuru (1) ten hemel stijgen; rijzen; varen; klimmen; opstijgen; opvaren; (2) naar de hemel gaan; sterven; hemelen
殖える fueru (1) toenemen; aangroeien; groter worden; aanwassen; aanzwellen; meerderen; groeien; klimmen; stijgen; zich vermenigvuldigen; zich vermeerderen; zich opstapelen; oplopen; (2) zich voortplanten; zich vermenigvuldigen; zich reproduceren
man (a) kruipend gewas; kruiper; klimplant; klimmer; (b) wild groeien; woekeren; kruipen; klimmen
高まる takamaru hoger worden; omhooggaan; omhooglopen; klimmen; opklimmen; stijgen; rijzen; toenemen
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 2.02 sec. jiten.nl: 2 treffers, warandict: 13 treffers (zoekopdracht: 'klimmen'). 
2005-2026