
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <punten>
事項 jikō (1) aangelegenheden; zaken; (2) feiten; gegevens; data; (3) punten; artikels; bijzonderheden; items
出来 deki (1) uitvoering; afwerking; makelij; fabricaat; vakmanschap; (2) oogst; opbrengst; beschot; (3) [onderw.] rapportcijfers; cijfers; punten; resultaten
削ぐ sogu (1) afpunten; punten; toppen; aftoppen; tippen; trimmen; aftippen; afknippen; bijknippen; afkappen; afsnijden; besnoeien; inkorten; [耳;鼻を] couperen; (2) [ゴボウを] schuins raspen; (3) [竹を] puntig maken; aanpunten; scherpen; spitsen; (4) [興を] temperen; drukken; bederven; vergallen; doen bekoelen; afzwakken; afstompen; smoren; [意欲を] benemen; [期待を] een domper zetten op; [気勢を] ontmoedigen; neerdrukken; (5) afkorten; bekorten; vereenvoudigen; (6) scherpen; scherp van lijn worden; (7) afwijken; afdwalen; ontaarden
委任事項 ininjikō agenda; punten; stukken die moeten worden behandeld; besproken
性交する seikōsuru geslachtsgemeenschap hebben; geslachtelijke; echtelijke; [arch.] vleselijke; seksuele gemeenschap hebben; lijfsgemeenschap hebben; huwelijksgemeenschap hebben; geslachtelijke; echtelijke; [arch.] vleselijke; seksuele; intieme omgang hebben; geslachtsverkeer hebben; seksueel verkeer hebben; seks hebben; bedrijven; seksen; seksueel contact hebben; copuleren; de liefde bedrijven; paren; de geslachtsdaad verrichten; bedrijven; de liefdesdaad verrichten; bedrijven; de paringsdaad verrichten; bedrijven; de huwelijksdaad verrichten; bedrijven; de echtelijke; huwelijkse plicht(en) vervullen; vrijen; coïteren; cohabiteren; naar bed gaan; kroelen; krollen; uitwonen; [euf.] slapen; [euf.] de daad verrichten; bedrijven; [euf.;scherts.] voetjes warmen (met); [euf.] trouwen; [euf.;veroud.] naderen; [pregn.] aanraken; [pregn.] aanliggen; [form.] coïre; [form.] zonam solvere; [form.] samenkomen; [bijb.] bekennen; [bijb.;♂] (in)komen tot; [w.g.] bijslapen; [w.g.] bijwonen; [veroud.] zich te vleze begeven; [veroud.] elkaar gerieven; [arch.] (zich) verenigen; [arch.] zich vleselijk vermengen; [inform.] neuken; [inform.] rampetampen; [inform.] bonken; [inform.] vozen; [inform.] pezen; [inform.] platgaan; [inform.;♂] punten; [inform.;♂] rammen; [inform.] pielen; [inform.] afschroeven; [inform.] krikken; [inform.] wielen; [inform.] strijken; [inform.;Ind.N.] fieken; [inform.] doppen; [inform.] een dopje; doppie maken; [inform.] de koffer in duiken; kruipen; [inform.] voor Kaap Kont liggen; [inform.] een kind maken; [inform.] binnenbeens spelen; [inform.] een kransje breien; [inform.] de hongersnood verdrijven; [inform.;Belg.N.] het beest met de twee ruggen maken; [inform.;scherts.] het plafond witten; [inform.;scherts.;niet alg.] de koffie opschenken; [volkst.] een kunstje; wip(je); wippertje; nummertje maken; [volkst.;♂] een punt zetten; [volkst.;♂] op de veter nemen; [volkst.] wippen; [volkst.] van Wippenstein gaan; [volkst.] nummeren; [volkst.] pompen; [volkst.] schroeven; [volkst.] palen; [volkst.] palen laaien; [volkst.] potloden; [volkst.] tampen; [volkst.;♂] z'n platte tampie uitgooien; [volkst.] pennen; [volkst.] prikken; [volkst.] stiften; [volkst.] hompiekurken; [volkst.] sodemieteren; [volkst.] raggen; [volkst.] afraggen; [volkst.] kezen; [volkst.] kienen; [volkst.] jenzen; [volkst.] votsen; [volkst.] joekelen; joekeren; [volkst.] dreutelen; [volkst.] flensen; [volkst.] fleppen; [volkst.] piepjanknor gaan; [volkst.] de pijp uitkloppen; [gew.;inform.] strietsen; [gew.;inform.] vossen; [gew.;inform.] ketsen; [gew.;inform.;♂] vogelen; [gew.;inform.;♂] bedvogelen; [gew.;volkst.] kleunen; [gew.] meteen gaan; [gew.] vazelen; [gew.] haspelen; [vulg.] naaien; [vulg.;Belg.N.] poepen; [vulg.] emmeren; [vulg.] geilpompen; [vulg.] soppen; [vulg.] poken; [vulg.] kieren; [vulg.] afhakken; [vulg.] eiers in de pan slaan; [vulg.] op de muts; dot; stoffer; schroef gaan; [vulg.] van preut trekken; [vulg.;♂] een veeg geven; [vulg.;♂] vegen; [vulg.;♂] eroverheen gaan; [vulg.;♂] op z'n staart gaan staan; [Barg.] van bil gaan; [Barg.] op de kruk gaan; [Barg.] stoten; [Barg.] fikken; [Barg.] fietsen; [Barg.] piepelen; [Barg.] bibberen; [Barg.] latten; [Barg.] fluiten; [Barg.;volkst.] peunen; [Barg.;volkst.] pandoeren; [Barg.;volkst.] tokkelen
点数 tensū (1) punten; cijfer; score; waarderingscijfer; [m.b.t. cricket;honkbal] runs; (2) aantal stukken; aantal stuks; aantal artikelen
点 ten (1) punt; stip; stippel; [als decimaalteken] komma; [Lat.] punctum; (2) puntje; stipje; tittel; [op letterteken;veroud.] tip; (3) punctuatie; interpunctie; interpunctieteken; [taalk.;veroud.] sluitteken; (4) punt; waarderingspunt; waarderingscijfer; cijfer; [m.b.t. een Japans dichtwerk] waarderingsteken; (5) punten; score; [voetbal] doelpunt; treffer; [cricket;honkbal] run; (6) punt; kwestie; opzicht; standpunt; gezichtspunt; oogpunt; (7) [maatwoord voor punten;runs]; (8) [maatwoord voor stuks;artikelen]
重点 jūten (1) belangrijk punt; hoofdpunt; voornaamste punt; punten; (2) belang; gewicht; nadruk; accent; klemtoon; zwaartepunt; prioriteit; (3) herhalingsteken; verdubbelingsteken; (4) dubbelepunt; colon
Tijd: 1.29 sec. jiten.nl: 2 treffers, warandict: 8 treffers (zoekopdracht: 'punten').
2005-2026
