
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (trefwoord)
arasoi・爭
(争い) zn. (1) [喧嘩] twist m.; strijd m.; kwestie v.; herrie v. (2) [論爭] dispuut o.; woordenwisseling v. (3) [爭訟] proces o.; rechtszaak v. (4) [競爭] wedstrijd m. (5) [不和] oneenigheid v. ¶ 競爭者 tegenstander; mededinger; concurrent.
sensō・戰爭
(戦争) zn. (1) [戰亂] oorlog m.; strijd m. (2) [戰鬪] slag m.; gevecht o. ¶ 戰爭する oorlog voeren; strijden; vechten; slag leveren. ¶ 戰爭中に in den oorlog; gedurende den strijd; al vechtende. ¶ 戰爭準備 toerusting tot den strijd; bewapening; voorbereiding tot den oorlog. ¶ 戰爭利益 oorlogswinst. ¶ 戰爭に出る ten strijde trekken. ¶ 戰爭狂 oorlogspsychose. ¶ 戰爭好き oorlogszuchtig; krijgslustig.
kuichigai・喰違
zn. (1) [矛盾] tegenstrijdigheid v.; inconsequentie v. (2) [道の] wegkruising v. ¶ 喰違ふ in strijd zijn met; niet overeenkomen met; dwars gaan tegen; kruisen.
yūshō・優勝
zn. overwinning v.; superioriteit v.; overheersching v. ¶ 優勝劣敗 overwinning van de sterksten; het overblijven der meest geschikten in den strijd om het bestaan.
SUPPLEMENT (trefwoord)
tachiuchi・太刀打ち
(1) de zwaarden kruisen; vechten met zwaarden; elkaar met zwaarden bevechten. ¶ 太刀打ちする tachiuchi suru te zwaard de strijd aangaan (met iemand). ¶ 太刀打ちの技 tachiuchi no waza de kunst van het zwaardvechten. (2) (fig.) oppositie; tegenstand. ¶ 太刀打ちする tachiuchi suru tegenstand bieden; wedijveren met; mededingen; de krachten meten; pareren. ¶ 太刀打できる tachiuchi dekiru opgewassen zijn (tegen); iemand de baas zijn. ¶ 太刀打できない tachiuchi dekinai niet opgewassen zijn (tegen); niet kunnen evenaren; het onderspit delven. ¶ 警察はそういう暴力と太刀打ち出来なかった。 Keisatsu wa sō yū bōryoku to tachiuchidekinakatta. De politie was niet in staat om dergelijk geweld het hoofd te bieden. (TTC) ¶ 来週から中間テストだ。一夜漬けじゃ、太刀打ちできない問題ばかりだぞ。今日から始めろよ。♂ Raishū kara chūkan tesuto da. Ichiya tsuke ja, tachiuchidekinai mondai bakari da zo. Kyō kara hajimeru yo. Vanaf volgende week zijn er tussentijdse examens. Die hebben alleen maar vragen die je echt niet de baas kunt met een enkel nachtje blokken! Je moet nu beginnen! (TTC) ¶ 良質のぶどう酒ではフランスに太刀打ちできる国はない。 Ryōshitsu no budō sake de wa Furansu ni tachi uchidekiru kuni wa nai. Waar het kwaliteitswijn betreft is er geen land dat Frankrijk kan evenaren. (TTC) (3) een benaming voor het deel van een lans of een speer onder de punt; specifiek het bovendeel tussen de onderzijde van de punt (口金 kuchigane) en het iets lager gelegen deel, in het Japans aangeduidt als 血溜まり chidamari - ‘het verzamelpunt van het bloed’. Niet zelden is dit deel bekleed met stof.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <strijd>
バトル batoru (1) slag; veldslag; strijd; gevecht; treffen; (2) Battle
ファイト faito (1) gevecht; strijd; [veroud.] kamp; [i.h.b.] boksgevecht; bokswedstrijd; (2) strijdlust; vechtlust; weerbaarheid; moreel; (3) [bokssp.] doorvechten!; (4) [als aanmoedigingskreet] hup!; zet 'm op!; aanvalluh!
一戦 issen (1) [mil.] een slag; veldslag; strijd; gevecht; treffen; krachtmeting; (2) [sportt.] een wedstrijd; match; game; partij; ontmoeting; kamp
争い arasoi (1) wedijver; competitie; rivaliteit; strijd; concurrentie; mededinging; wedloop; worsteling; (2) ruzie; onenigheid; twist; geschil; conflict; tweedracht; vete; [inform.] bonje; onmin; controverse; dispuut; kibbelarij; schermutseling; polemiek
争奪 sōdatsu strijd; gevecht; worsteling; competitie; concurrentie; wedijver
争奪戦 sōdatsusen strijd; gevecht; worsteling; wedkamp; wedstrijd; concours; competitie; [i.h.b.] biedstrijd
会戦 kaisen slag; strijd; gevecht; treffen; vijandelijke ontmoeting; rencontre; vijandelijkheden; schermutseling
内紛 naifun interne twisten; onenigheid; strijd; broederstrijd; infighting
勝負 shōbu (1) overwinning of nederlaag; zege of nederlaag; winst of verlies; (2) wedstrijd; partij; spel; kamp; match; strijd; wedkamp
取り組み torikumi (1) [sportt.] wedstrijd; match; kamp; partij; strijd; gevecht; inspanning; (2) aanpak; benadering; insteek; (3) [hand.] koop en verkoop op markt; beurs; omzet; (4) [hand.] wisseltrekking
喧嘩 kenka (1) ruzie; twist; onenigheid; gehakketak; gekibbel; gekrakeel; geharrewar; gebekvecht; (2) redetwist; dispuut; kwestie; onenigheid; woordenstrijd; woordentwist; woordenwisseling; (3) handgemeen; gevecht; strijd; worsteling; kamp
弓矢 yumiya (1) pijl en boog; (2) wapens; (3) krijgsman; samurai; [meton.] krijgskunst; (4) oorlog; strijd; krijg
戦い;闘い;戦;闘 tatakai (1) strijd; gevecht; vechtpartij; kamp; oorlog; treffen; worsteling; bestrijding; (2) slag; veldslag; (3) competitie; wedstrijd; match; partij; [i.h.b.] duel
戦争 sensō (1) oorlog; gewapende strijd; vijandelijkheden; [lit.t.] krijg; [euf.] conflict; (2) [fig.] strijd
戦争する sensōsuru strijd; oorlog voeren; oorlogen; strijden; [lit.t.] krijg voeren; [lit.t.;w.g.] krijgen
戦闘 sentō slag; veldslag; strijd; gevecht; vijandelijkheden; actie; [veroud.] kamp
戦 ikusa (1) oorlog; slag; strijd; treffen; gevecht; gevechtsactie; actie; gevechtshandeling; vijandelijkheid; [arch.] krijg; (2) soldaat; krijgsman; krijger; [verzameln.] leger; troepen; (3) het boogschieten; boogschieterij
戦 sen (1) -gevecht; -oorlog; -oorlogvoering; -strijd; (2) -competitie; -wedstrijd; (3) -campagne
抗争 kōsō (1) strijd; gevecht; geschil; conflict; rivaliteit; (2) [psych.] innerlijk conflict
格闘 kakutō gevecht; strijd; worsteling
決戦 kessen (1) beslissende slag; strijd; beslissend treffen; (2) [sportt.] beslissende wedstrijd; match; race; ronde; beslissingswedstrijd; (3) [mil.] beslissend tijdstip; uur nul; uur U
競合 kyōgō (1) rivaliteit; wedijver; competitie; concurrentie; mededinging; strijd; (2) samenloop van omstandigheden; combinatie van factoren; (3) [jur.] concursus; samenloop van strafbare feiten
紛争 funsō geschil; conflict; twist; strijd; onenigheid
試合;仕合 shiai (1) wedstrijd; partij; match; spel; potje; [sportt.] nummer; treffen; [i.h.b.] concours; toernooi; (2) [fig.] strijd; worsteling; gevecht; (3) [maatwoord voor wedstrijden]
足掻き agaki (1) [馬の] getrappel; gestampvoet; [w.g.] trappeling; (2) beweging met handen en voeten; sparteling; gespartel; gewriemel; gekronkel; (3) gewoel; drukte; (4) worsteling; gevecht; strijd
軍 gun (1) leger; legermacht; gewapende macht; landmacht; troepen; troepenmacht; (2) oorlog; krijg; veldslag; strijd; (3) militaire autoriteiten; militaire overheid; militaire apparaat; landsverdediging; defensie; (4) (sport)ploeg; team; equipe; groep sportlieden; groep spelers
闘争 tōsō strijd; gevecht; worsteling; kamp
Tijd: 1.06 sec. jiten.nl: 17 treffers, warandict: 27 treffers (zoekopdracht: 'strijd').
2005-2026
