日蘭辭典+

24 resultaten voor ‘aangrijpen’
日蘭辭典 (trefwoord)
jōzuru乘ずる
(乘じる、乗じる、乗ずる) t.w. (1) [かける] vermenigvuldigen. i.w. (2) [つけこむ] gebruik maken van; zich bedienen van; gelegenheid aangrijpen. ¶ に乘じて bij gelegenheid van; onder den invloed van. ¶ 六に六を乘ずると三十六となる zes-maal zes is zes en dertig; 6×6=36.
nejiau捩合ふ

(捩じ合う, 捻じ合う) i.w. elkaar aangrijpen; worstelen.

kumitsuku組附く

t.w. aangrijpen; i.w. worstelen met.

kumu組む

t.w. (1) [編む] ineenvlechten. (2) [組立てる] in elkaar zetten; voegen; monteeren. (3) [交叉する] kruisen. (4) [活字を] zetten. (5) [取組み合ふ] aangrijpen; omvatten; i.w. worstelen met. i.w. (6) [共同] zich voegen bij; zich vereenigen met; samengaan met. (7) [共謀] samenspannen met; heulen met.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <aangrijpen>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
ほろりとさせる hororitosaseru (1) ontroeren; roeren; raken; aangrijpen; op het gemoed werken; treffen; (2) aandoenlijk; ontroerend; roerend; treffend; touchant; aangrijpend
乗じる joujiru (1) te baat nemen; gebruiken; aangrijpen; profiteren van; benutten; ingaan op; inspelen op; gebruik maken van; munt slaan uit; een slaatje slaan uit; z'n slag slaan; voordeel halen uit; z'n voordeel doen met; [失策に] uitbuiten; (2) vermenigvuldigen; (3) instappen; instijgen; aan boord gaan; [馬に] bestijgen
乗ずる jouzuru (1) instappen; instijgen; aan boord gaan; [馬に] bestijgen; (2) te baat nemen; gebruiken; aangrijpen; profiteren van; benutten; ingaan op; inspelen op; springen op; inpikken; gebruik maken van; munt slaan uit; verzilveren; een slaatje slaan uit; z'n slag slaan; voordeel halen uit; z'n voordeel doen met; [失策に] uitbuiten; (3) vermenigvuldigen; multipliceren; multipliëren
動かす ugokasu (1) in beweging brengen; doen bewegen; bewegen; aandrijven; drijven; (2) verplaatsen; verzetten; de positie van iets veranderen; elders; anders zetten; (3) doen schommelen; schommelen; schudden; (4) rijden; [een voertuig] besturen; [een machine;toestel] doen functioneren; bedienen; laten draaien; laten werken; aan de gang brengen; aan de praat brengen; (5) [een leger;troepen;mankracht] mobiliseren; inzetbaar maken; voor actie klaarmaken; (6) veranderen; wijzigen; [binnen een bedrijf personeel] herschikken; (7) ontkennen; (8) [心を] roeren; ontroeren; treffen; in beroering brengen; in het gemoed treffen; aangrijpen; aanpakken; tot het gemoed spreken; invloed hebben op; aandoen; beïnvloeden; prikkelen
感動させる kandousaseru aandoen; emotioneren; ontroeren; aangrijpen
感銘する kanmeisuru (1) sterk onder de indruk zijn; geïmponeerd zijn; zeer aangegrepen zijn; diep ontroerd; bewogen; getroffen zijn; [w.g.] geïmpressioneerd zijn; (2) grote; diepe indruk maken; imponeren; aangrijpen
手に取る tenitoru nemen; ter hand nemen; in handen nemen; aangrijpen
投ずる touzuru (1) [敵軍に] zich overgeven; capituleren; zwichten; (2) [時流に] meegaan; meedoen; te baat nemen; gebruik maken van; aangrijpen; inspelen op; benutten; (3) [意気相~] passen; overeenkomen; overeenstemmen; op één lijn zitten; klikken; (4) [旅宿に] logeren; verblijven; doorbrengen; z'n intrek nemen; (5) [直球を] werpen; gooien; smijten; keilen; (6) [白票を] uitbrengen; deponeren; [獄に] ingooien; inwerpen; (7) [身を] zich werpen op; zich storten in; zich inzetten voor; zich wijden aan; [Belg.N.] zich smijten; (8) [影;光を] tot ver vooruit werpen; (9) [資金を] verstrekken; investeren; besteden; beleggen; steken in; (10) [薬餌を] toedienen
捕らえる toraeru (1) vatten; pakken; grijpen; vangen; snappen; klissen; (2) te pakken krijgen; weten te vangen; [de kans] krijgen; [een idee] aangrijpen; bemachtigen; de hand leggen op; beetpakken; beetkrijgen; beetnemen; weten vast te leggen; [fig.] captiveren; (3) gevangennemen; arresteren; aanhouden; oppakken; inrekenen; [uitdr.] in de kraag vatten; [m.b.t. een bende] oprollen; [Barg.] schutten; (4) snappen; verstaan; komen achter [de waarheid enz.]; (kunnen) volgen; beethebben; begrijpen; bevatten; inzien; omvatten; (5) opvangen; zien; bemerken; gewaarworden; (6) aangrijpen; aanpakken; aandoen; roeren; ontroeren; treffen; raken; een diepe indruk maken op
握る nigiru (1) grijpen; vastgrijpen; pakken; vastpakken; aanpakken; vatten; aanvatten; aangrijpen; beetpakken; beetgrijpen; in de hand klemmen; ter hand nemen; (2) verwerven; de hand leggen op; bemachtigen; in handen nemen; verkrijgen; komen aan; te pakken krijgen; winnen; in het bezit komen van; naar zich toe halen; (3) [握り飯;握鮨を] maken; kneden
損なう;害う sokonau (1) schaden; aantasten; [楽しみを] bederven; vergallen; [感情を] kwetsen; aangrijpen; aanpakken; (2) er niet in slagen te ~; (3) verkeerd ~; mis-; (4) op een haar na ~; bijna ~
攻める semeru aanvallen; attaqueren; een aanval doen op; bestoken; aanpakken; aangrijpen; aantasten
攻撃する kougekisuru (1) aanvallen; een aanval doen; attaqueren; ten aanval trekken; een inval doen; bestormen; aanvliegen; naar de keel vliegen; aangrijpen; (2) bekritiseren; afkeuren; een kritische noot plaatsen bij; aanschoppen tegen; de vloer aanvegen met; verwijten; euvel duiden; (3) [honkbalterm;baseballterm] een batting uitvoeren
染みる;沁みる;浸みる shimiru (1) doordringen; doortrekken; doordrenken; (2) [m.b.t. wind;kou] steken; scherp zijn; bijten; prikken; pieken; snerpen; pijn doen; (3) indruk maken op; ontroeren; treffen; pakken; aangrijpen; (4) [悪習に〜] gestijfd worden in; onder invloed komen van; (5) [身に〜] in gedachten verzinken
染む shimu (1) doordringen; doortrekken; doordrenken; (2) [m.b.t. wind;kou] steken; bijten; prikken; pijn doen; (3) indruk maken op; ontroeren; treffen; pakken; aangrijpen; (4) [悪習に] gestijfd worden in; onder invloed komen van
琴線 kinsen (1) kotosnaar; snaar van een Japanse harp; citer; (2) [fig.] snaar; gevoelssnaar; iems. gevoel; gemoed; (3) [~に触れる] weerklank vinden; ontroeren; aangrijpen; treffen; emotioneren; op het gevoel; gemoed werken; aan de gevoelens appelleren
答える;応える;報える kotaeru (1) antwoorden; beantwoorden; een antwoord geven op; ten antwoord geven; repliceren; een repliek geven; (2) reageren op; reactie vertonen op; weerwerk geven; (3) oplossen; een oplossing vinden voor; eruit komen; berekenen; (4) belonen; vergelden; vergoeden; als loon geven voor; voldoening geven voor; een wederdienst bewijzen; (5) effect hebben; effect ressorteren; invloed hebben op; beïnvloeden; aangrijpen; aanpakken; treffen; een sterke indruk op het gevoel nalaten; een sterke indruk op het gestel maken; moeilijk zijn; hard zijn
組む kumu (1) ineenvlechten; in elkaar vlechten; vlechten; (2) ineenzetten; in elkaar zetten; in elkaar voegen; monteren; assembleren; opbouwen; (3) (de benen of de armen) kruisen; (iemands arm) beetpakken; arm in arm gaan lopen; aanklampen; aangrijpen; (4) [boekdr.] zetten; letterzetten; letterstaafjes naast elkaar zetten; (5) samengaan met; de krachten verenigen; gaan samenwerken met; zich voegen bij; zich verenigen met; partner worden van; (6) samenspannen met; heulen met; samenheulen met; collaboreren met; samenzweren met; complotteren met; onder een hoedje spelen met
訴える uttaeru (1) [jur.] iem. voor de rechter dagen; iem. voor de rechtbank slepen; een proces; geding tegen iem. aanspannen; een zaak tegen iem. aanhangig maken; een zaak aan de rechter voorleggen; een zaak in de handen van justitie geven; er een zaak van maken; een procedure tegen iem. aanspannen; iem. een proces aandoen; tegen iem. een proces beginnen; iem. voor het gerecht brengen; dagen; iem. in rechte vervolgen; aanspreken; in rechte optreden tegen; gerechtelijke stappen ondernemen; naar de rechter gaan; stappen; gaan procederen; litigeren; zich partij stellen; een eis; (rechts)vervolging; (rechts)vordering instellen tegen; ageren tegen; (2) [jur.] een klacht; aanklacht indienen tegen; aanklagen; beschuldigen; een beschuldiging uitspreken; reclameren; zich beklagen over; zijn beklag doen; indienen over; [ook m.b.t. pijn] klagen over; een zaak aankaarten; ter tafel brengen; te berde brengen bij; onder de aandacht brengen van; (3) een beroep doen op; een appel doen aan; appelleren aan; bepleiten; eisen; vragen; verzoeken; oproepen tot; (4) zijn toevlucht nemen tot; overgaan tot; inroepen; aanwenden; een beroep doen op; (5) werken op; aangrijpen; appelleren aan; roeren; treffen; een gevoelige snaar raken
飛び付く tobitsuku (1) aanvliegen; bevliegen; afvliegen op; toevliegen op; (2) bespringen; opspringen naar; aangrijpen; grijpen naar; zich werpen op; springen op
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.36 sec. jiten.nl: 4 treffers, warandict: 20 treffers (zoekopdracht: 'aangrijpen'). 
2005-2026