
蘭
典
日蘭辭典+
(捩じ合う, 捻じ合う) i.w. elkaar aangrijpen; worstelen.
zn. (1) [結び] vastbinden o. (2) [束] bundel m. (3) [總括] opsommen o. ¶ 括る vastbinden; samenbinden; bundelen; bij elkaar voegen. ¶ 絞る wurgen.
zn. bouw m.; samenstelling v. ¶ 組立てる bouwen; samenstellen; monteeren; in elkaar zetten.
(続出する) i.w. na elkaar verschijnen; op elkaar volgen.
(続続) bw. snel achter elkaar; achtereenvolgens.
zn. kwaliteit v.; hoedanigheid v. ¶ 優劣を爭ふ zich met elkaar meten. ¶ 優劣なき van gelijke verdiensten; even goed; onbeslist.
t.w. (1) [片寄せる] op zijde zetten. (2) [加へる] totaliseeren. (3) [集める] verzamelen; samenroepen. (4) [攻める] aanvallen. (5) [書を] zenden; inzenden. ¶ 身を寄せる vertrouwen op; zich onder bescherming stellen van. ¶ 思を寄せる zijn hart verliezen aan. ¶ 皺を寄せる rimpels trekken. ¶ 眉を寄せる wenkbrauwen fronsen. ¶ 皆よせていくら hoeveel is het bij elkaar?
t.w. vergaren; verzamelen; bijeenvoegen; samenvoegen. ¶ 寄集め物 bij elkaar geraapt zoodje; rommelzoo.
zn. (1) [疑ぐり] achterdocht v.; argwaan m. (2) [恨] wrok v. (3) [誤解] misverstand o. (4) [隔意] voorbehoud o. ¶ 心中に蟠がある iets op het hart hebben; verborgen bedoelingen hebben. ¶ 蟠る gekronkeld liggen (蛇が); gekoesterd worden (考が). ¶ 兩者の間に惡感情が蟠って居る zij koesteren wrok tegen elkaar.
(釣り合い) zn. evenwicht o.; balans v. ¶ 釣合のよい evenwichtig; goed gebalanceerd. ¶ 安定釣合 stabiel evenwicht. ¶ 不安定釣合 labiel evenwicht. ¶ 釣合惡しき onevenwichtig; slecht geproportionneerd. ¶ 釣合ふ tegen elkaar opwegen (平均する); in evenwicht zijn (均等を保つ); (恰好よし) in goede verhouding staan; overeenstemmen; goed passen bij elkaar; (對當する) zich met elkaar kunnen meten; aan elkaar gewaagd zijn.
zn. verbinding v.; verband o.; band m. ¶ 時間繫ぎに om den tusschentijd te vullen. ¶ 繫合はす verbinden; aan elkaar binden. ¶ 繫柱 meerpaal; paal om een dier aan te binden. ¶ 繫船 vastgemeerde boot. ¶ 繫犬 hond aan den ketting. ¶ 繫ぐ vastbinden; vastmeren (船を). ¶ 獄に繫ぐ gevangen houden. ¶ 犬を繫ぐ hond aan den ketting leggen. ¶ 二十六番へ繫で下さい wil u mij verbinden met no. 26 (電話).
t.w. (1) [閉塞する] versperren; afsluiten; blokkeeren. (2) [詰塞ぐ] opvullen; volstoppen; dichtstoppen. i.w. (3) [間を] opschikken; dichter opeen gaan zitten; (4) [押入る] dringen. t.w. (5) [短縮] inkrimpen; verkorten; verminderen. i.w. (6) [將棋] schaakmat zetten. ¶ 耳に綿を詰める watten in de ooren stoppen. ¶ 詰めて書く dicht op elkaar schrijven. ¶ 著物を詰める jas innemen. ¶ どうぞ今少しお詰め下さい wil u als het u belieft wat opschuiven; verzoeke wat op te schikken.
(突き合わせる) t.w. tegenover elkaar stellen; met elkaar vergelijken; collationneeren; verifieeren; (顔を) confronteeren; ontmoeten.
t.w. hechten; lasschen; voegen; aan elkaar bevestigen; enten (接木する).
Tijd: 1.45 sec. jiten.nl: 52 treffers, warandict: 3 treffers (zoekopdracht: 'elkaar').
