
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (trefwoord)
hai-suru・廢する
(廃する) t.w. (1) [王を] afzetten; onttroonen. (2) [制度など] afschaffen. (3) [法律を] intrekken; herroepen. (4) [仕事を] opheffen.
damashitoru・騙取る
t.w. afzetten; ontfutselen.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <afzetten>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
ふんだくる fundakuru (1) wegrukken; weggrijpen; wegpakken; ontrukken; afpakken; grissen; grijpen; pakken; gappen; vlug nemen; graaien; wegkapen; wegpikken; snaaien; ontnemen; ervandoor gaan met; (2) afzetten; iem. te veel berekenen; rekenen; iem. overdreven veel laten betalen; [gew.] het vel afstropen; scheren; plukken; pluimen; snijden; aderlaten; uitpersen; uitknijpen; uitschudden; het vel over de oren halen; trekken
ぼる boru te veel laten betalen; te veel vragen; overvragen; afzetten; flessen; plukken; uitzuigen
倒す taosu (1) doen (om)vallen; omslaan; tuimelen; kantelen; vellen; omstoten; omverstoten; omverduwen; neerleggen; omhalen; omwerpen; omduwen; omgooien; omwippen; omslaan; omstorten; omsmijten; neerslaan; neerduwen; neervellen; neerhalen; neertrekken; kiepen; tegen de grond werken; gooien; slaan; omkippen; [inform.] omkiep(er)en; [inform.;scherts.] omkukelen; [i.h.b.] omverlopen; [i.h.b.] omverrennen; [i.h.b.] omverrijden; [m.b.t. kegelspel] omverkegelen; [i.c.m. 稲を] doen legeren; (2) omverwerpen; omvergooien; omverhalen; ten val brengen; wippen; te gronde richten; uit het zadel werpen; (3) verslaan; slaan; kloppen; onderuithalen; overwinnen; neerwerpen; [fig.] vloeren; [uitdr.] in het zand; stof doen bijten; (5) [m.b.t. schulden] niet delgen; terugbetalen; (financieel) aderlaten; oplichten; afzetten
免官する menkansuru ontslaan; ontheffen uit een ambt; afzetten
切断する setsudansuru afsnijden; [geneesk.] amputeren; afzetten
包囲する houisuru omsluiten; omvatten; omringen; omcirkelen; [mil.] belegeren; het beleg slaan van; omsingelen; insluiten; blokkeren; een kordon leggen; trekken om; afzetten
囲う kakou (1) omheinen; insluiten; omringen; omgeven; omsluiten; afzetten; omgorden; (2) [妾を] stiekem eropna houden; als maintenee onderhouden; mainteneren; (3) [野菜;果実を] kweken; telen; (4) beschermen; behoeden; hoeden; beschutten; vrijwaren; (5) bewaren; opslaan
売りに出す urinidasu te koop aanbieden; in de verkoop brengen; ten verkoop bieden; op de markt brengen; in de markt zetten; uitbrengen; opbrengen; verkopen; afzetten; van de hand doen; veil bieden
売り込む urikomu (1) verkopen; slijten; afzetten; aan de man brengen; (2) zichzelf promoten; zichzelf weten te verkopen; (3) pluggen; reclame maken voor; aanbevelen; (4) zwaar verkopen
売却する baikyakusuru verkopen; verhandelen; van de hand doen; zetten; afzetten
巻き上げる makiageru (1) opwinden; oprollen; (2) [ほこりを] opjagen; (3) afpakken; ontnemen; afroven; afhandig maken; afzetten; aftroggelen; afpersen; afdieven
引き下ろす hikiorosu (1) naar beneden trekken; neerhalen; neertrekken; [m.b.t. vlag] strijken; neerhalen; [m.b.t. gestrand schip] vlot trekken; brengen; (2) [m.b.t. hooggeplaatste personen] onderuithalen; wippen; ten val brengen; uit het zadel werpen; lichten; afzetten; verwijderen
張り巡らす harimegurasu (met touwen; draad) omspannen; omsluiten; afzetten; omheinen; met een gespannen voorwerp omgeven
截つ tatsu snijden; doorsnijden; uitsnijden; afsnijden; afzetten; amputeren
放伐する houbatsusuru verdrijven; afzetten; onttronen
断つ tatsu (1) breken; snijden; afsnijden; afbreken; afhakken; doorsnijden; doorhakken; (2) staken; uitscheiden met; stoppen met; ophouden met; verbreken; laten; niet langer doen; opgeven; [悪習;麻薬を] afkicken; (3) [電流を] uitschakelen; uitdraaien; afzetten; [接続を] afkoppelen
板囲いする itagakoisuru met planken afschutten; afzetten; omgeven; beplanken
止める;停める tomeru (1) stoppen; stopzetten; stilleggen; stilhouden; laten stilstaan; stillen; stuiten; tot stilstand brengen; stilzetten; tot staan brengen; parkeren; stallen; [aan de kant enz.] zetten; neerzetten; arrêteren; [de dief enz.] houden; een halt toeroepen; een punt zetten achter ~; een einde maken aan [een ruzie enz.]; ophouden; stremmen; [de aanvoer enz.] staken; afbreken; afsnijden; [een paard enz.] tegenhouden; vasthouden; aanhouden; inhouden; keren; [fig.] afdammen; [m.b.t. geluid;pijn] weren; ophouden; stelpen; (2) [het licht enz.] uitdoen; uitschakelen; [m.b.t. gas;water;radio] uitdraaien; dichtdraaien; afsluiten; uitzetten; afzetten; [de stroom] afbreken; afsnijden; (3) [m.b.t. inflatie enz.] bedwingen; beheersen; afremmen; beteugelen; breidelen; in toom houden; in bedwang houden; intomen; [de groei enz.] belemmeren; (4) beletten; verhinderen; verbieden; voorkomen; ontzeggen; verhoeden
消す kesu (1) (van vuur) uitdoven; (van vuur) blussen; (van vuur) doven; (van vuur) doen ophouden; (van vuur) uitdoen; (van een kaars) uitblazen; (2) (van licht; van radio; van televisie; een elektrisch toestel; etc.) uitschakelen; (van licht; van radio; van televisie; een elektrisch toestel; etc.) afzetten; (van licht; van radio; van televisie; een elektrisch toestel; etc.) buiten werking stellen; (van licht; van radio; van televisie; een elektrisch toestel; etc.) doven; (van licht; van radio; van televisie; een elektrisch toestel; etc.) uitdoen; (3) [がすを] het gas uitdraaien; uitzetten; afsluiten; de gaskraan dichtdraaien; (4) wegvegen; uitvegen; wegvagen (met een vlakgom); uitwissen (van voetsporen); wissen (uit zijn geheugen); uitvlakken; (5) (een letter; een woord; een passage; etc.) doorhalen; (een letter; een woord; een passage; etc.) doorstrepen; (een letter; een woord; een passage; etc.) schrappen; (een letter; een woord; een passage; etc.) doorschrappen; (6) (van geluid) dempen; (van geluid) smoren; (van geluid) absorberen; (van geluid) niet weerkaatsen; (van geluid) krachteloos maken; (7) (een geur) verdrijven; (een geur) doen verdwijnen; (een geur) verjagen; (een geur) neutraliseren; (8) (een zuur; een vergif; de werking van een medicijn; etc.) neutraliseren; (een zuur; een vergif; de werking van een medicijn; etc.) een tegengif geven tegen ...; (een zuur; een vergif; de werking van een medicijn; etc.) een antidotum geven tegen ...; (een zuur; een vergif; de werking van een medicijn; etc.) onschadelijk maken; (9) vermoorden; ombrengen; liquideren; doden; koud maken; afmaken; om zeep helpen; voorgoed tot zwijgen brengen; onschadelijk maken; (10) [姿を] verdwijnen; uit het zicht verdwijnen; van de scène verdwijnen; in rook opgaan; het toneel verlaten; van het toneel verdwijnen
絞る;搾る shiboru (1) persen; pijnen; pressen; uitpersen; uitknijpen; wringen; uitwringen; [牛乳;乳を] melken; [涙を] trekken; (2) inspannen; forceren; [智恵を] afpijnigen; pijnigen; [弓を] opspannen; spannen; [従業員を] zwaar drillen; zwaar trainen; (3) afdwingen; afzetten; afpersen; uitzuigen; knevelen; plukken; uitbuiten; exploiteren; (4) berispen; een uitbrander; schrobbering; standje geven; onder handen nemen; ernstig onderhouden; duchtig doorhalen; flink aanpakken; ervan langs geven; uitfoeteren; scherp terechtwijzen; [uitdr.] de mantel uitvegen; [uitdr.] de oren wassen; [uitdr.] het vuur na aan de schenen leggen; [uitdr.] door de wringer halen; (5) (alleen 絞る) samentrekken; dichtrijgen; [れんずを] sluiten; diafragmeren; (6) (alleen 絞る) lager; zachter zetten; minderen; verminderen; reduceren; doen afnemen; [えんじんを] smoren; knijpen; (7) (alleen 絞る) beperken; limiteren; terugbrengen; verengen; verfijnen; (8) (alleen 絞る) [sumō-jargon] in bedwang houden; eronder houden; inklemmen; zijn bewegingsvrijheid ontnemen
縄張り nawabari (1) het spannen van een touw; koord; afspanning; het omheinen; afzetten; omringen met touwen of koorden; (2) het leggen van een kordon; (3) terrein; domein; gebied; (4) invloedssfeer; krachtveld; machtsgebied; machtssfeer; (5) [biol.] territorium; (6) [bouwk.] aanleg van de omwalling; omgrachting
脱 datsu (1) ont-; de-; (a) uittrekken; afzetten; afwerpen; (b) verwijderen; wegnemen; (c) vergeten; bij verzuim weglaten; (d) missen; afdwalen; (e) ontkomen; vrij raken
脱ぐ nugu uittrekken; uitdoen; [z'n hoed enz.] afnemen; afzetten; afdoen; lichten; (zich) ontdoen (van); van het lijf doen; afleggen; [het harnas] afgorden
誤魔化す gomakasu bedriegen; bedotten; te slim af zijn; oplichten; foppen; misleiden; om de tuin leiden; afzetten; afhandig maken; [inform.] beduvelen; smokkelen; [返事を] omzeilen
販売する hanbaisuru verkopen; verhandelen; afzetten; debiteren; aan de man brengen; slijten; doen in; handelen in
退ける;斥ける shirizokeru (1) wegsturen; terugsturen; wegzenden; terugtrekken; verdrijven; verjagen; wegjagen; (2) [敵を] terugslaan; terugdrijven; terugwerpen; afslaan; afweren; weren; afhouden; [誘惑を] weerstaan; (3) [勧告を] afwijzen; afslaan; afketsen; van de hand wijzen; terugwijzen; weigeren; wegwuiven; [控訴を] verwerpen; (4) de laan uit sturen; de deur wijzen; verwijderen; ontslaan; afzetten; ontheffen
預ける azukeru (1) toevertrouwen; deponeren; in bewaring geven; inchecken; consigneren; afgeven ter bewaring; afzetten; [銀行に金を] op de bank zetten; (2) overlaten; overdragen; overgeven; overleveren; uitbesteden; outsourcen; (3) [椅子に体を] vlijen; laten rusten; plaatsen; (4) [勝負を] door een derde laten beslissen; (5) [theeceremonie] [茶道具を] klaarzetten; gereedzetten; (6) [土地を] in leen geven; belenen; met een leen begiftigen; verpachten; (7) in pand geven; stellen; te pand zetten; panden; verpanden; (8) aan prostitutie overgeven; prostitueren; (9) [酒を] afslaan; zich onthouden van
Tijd: 1.4 sec. jiten.nl: 6 treffers, warandict: 27 treffers (zoekopdracht: 'afzetten').
2005-2026
