日蘭辭典+

34 resultaten voor ‘besluiten’
日蘭辭典 (trefwoord)
shimau仕舞ふ
(仕舞う、終う、了う、藏ふ、蔵う) t.w. [終る] eindigen; ten einde brengen; i.w. een eind maken aan. t.w. (2) [藏する] wegbergen; opbergen. ¶ を讀んで了ふ een boek uitlezen. ¶ 試驗を仕舞ひました het examen is afgeloopen.
shi
zn. dood m.; overlijden o. ¶ に就く den dood ingaan. ¶ を決する besluiten om te sterven.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <besluiten>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
けりを付ける keriwotsukeru ergens een punt achter zetten; er een einde aan maken; tot een eind brengen; ten einde brengen; beëindigen; besluiten; afsluiten; afronden; afmaken; [Belg.N.] gedaan maken met; settelen; afhandelen; regelen; afdoen
仕舞いにする shimainisuru beëindigen; besluiten; een einde maken aan; doen ophouden; afsluiten; afronden; een punt zetten achter
収まりをつける osamariwotsukeru (1) beslechten; tot een einde brengen; afmaken; afhandelen; settelen; z'n beslag geven; (2) tot een einde brengen; beëindigen; afdoen; besluiten
収める osameru (1) oogsten; de oogst binnenhalen; de vruchten plukken; maaien; (2) verwerven; verkrijgen; krijgen; in het bezit komen van; realiseren; verwezenlijken; de vruchten plukken van; (3) opdragen aan; toewijden aan; [神社へ] offeren aan; aanbieden; consacreren; (4) betalen; afrekenen; met geld over de brug komen; dokken; (5) leveren; verschaffen; voorzien; een leverancier zijn van; (6) opslaan; stockeren; een voorraad vormen van; (7) verzamelen; vergaren; bundelen; groeperen; hergroeperen; (8) tot een einde brengen; beëindigen; eindigen; besluiten; afsluiten; schikken; slechten; beslechten; afhandelen; (9) op zijn oorspronkelijke plaats terugstoppen; terugplaatsen; opbergen; wegbergen; [鳥が羽を] z'n vleugels vouwen; (10) aannemen; accepteren; aanvaarden
kan (1) einde; slot [bij eind van een boek of film]; (a) compleet; volledig; (b) voltooien; afmaken; besluiten
完結させる kanketsusaseru beëindigen; afronden; besluiten; afmaken; voltooien; afwerken; afsluiten; completeren; volbrengen
完結する kanketsusuru (1) eindigen; sluiten; ten einde komen; (2) besluiten; afsluiten; beëindigen; ten einde brengen; eindigen; sluiten
布告する fukokusuru (1) verklaren; afkondigen; proclameren; officieel bekendmaken; aankondigen; (2) verordenen; decreteren; verordonneren; besluiten
思い込む;思いこむ omoikomu (1) in zijn hoofd halen dat; ten onrechte denken dat; vast overtuigd zijn dat; tot een verkeerde conclusie komen; geobsedeerd zijn door [een idee]; bezeten zijn door [een idee]; (2) zijn zinnen zetten op; besluiten; vastbesloten zijn; volledig gericht zijn op; (3) heel erg houden van; zich sterk aangetrokken voelen tot; tot over zijn oren verliefd zijn op
打ち切る uchikiru (1) afsnijden; (2) beëindigen; tot een eind brengen; een eind maken aan; stoppen met; afbreken; besluiten; afsluiten; afronden; ophouden met; nokken met; uitscheiden met; [Belg.N.] gedaan maken met; kappen met; verbreken
打ち止める uchitomeru (1) vastslaan; door slaan bevestigen; vastklinken; (2) besluiten; beëindigen; afsluiten
据える;居える sueru (1) plaatsen; installeren; zetten; leggen; stellen; (2) bevestigen; monteren; vastzetten; (3) een functie doen innemen; plaats doen nemen; installeren; bevestigen; aanstellen als; benoemen tot; (4) [目を] vestigen op; fixeren op; concentreren op; [度胸を] vatten; verzamelen; scheppen; [腰を] toeleggen; [腹を] bepalen; besluiten
推量する suiryousuru (1) vermoeden; veronderstellen; [veroud.] onderstellen; gissen; raden; speculeren; als conjectuur opperen; (2) concluderen; besluiten; afleiden; aannemen; eruit opmaken; infereren; zich voorstellen
断じる danjiru (1) besluiten; concluderen; tot de slotsom komen (dat); beslissen; decideren; uitmaken; vaststellen; (2) oordelen; beoordelen; een oordeel vellen over; (3) resoluut uitvoeren; doorvoeren; uitvoering geven aan; ten uitvoer brengen; (4) doorhakken
断定する danteisuru (1) affirmeren; bevestigen; verzekeren; (2) besluiten; vaststellen; concluderen; tot de slotsom komen (dat); beslissen; decideren; uitmaken
決める;極める kimeru beslissen; bepalen; besluiten; vaststellen
決心する kesshinsuru besluiten; beslissen
決断する ketsudansuru definitief beslissen; een beslissing nemen; decideren; besluiten; resolveren; determineren
決着をつける ketchakuwotsukeru beëindigen; beslissen; besluiten; decideren; een eind; einde maken aan; afmaken; uitmaken; de doorslag geven; z'n beslag geven; beklinken
決議する ketsugisuru [pol.] zich uitspreken; een uitspraak doen; zich verklaren; beslissen; besluiten; zich voornemen; [m.b.t. geld] voteren; toestaan; toewijzen
納める osameru (1) opdragen aan; toewijden aan; offeren aan [een godheid]; aanbieden [aan een godheid]; consacreren; (2) oogsten; de oogst binnenhalen; de vruchten plukken; maaien; (3) verwerven; verkrijgen; krijgen; in het bezit komen van; realiseren; verwezenlijken; de vruchten plukken van; (4) betalen; afrekenen; met geld over de brug komen; dokken; (5) leveren; verschaffen; voorzien; een leverancier zijn van; (6) opslaan; stockeren; een voorraad vormen van; (7) verzamelen; vergaren; bundelen; groeperen; hergroeperen; (8) tot een einde brengen; beëindigen; eindigen; besluiten; afsluiten; (9) op zijn oorspronkelijke plaats terugstoppen; terugplaatsen; opbergen; wegbergen; [m.b.t. een vogel] zijn veren vouwen; (10) aannemen; accepteren; aanvaarden
終了する shuuryousuru (1) aflopen; er komt een einde aan ~; ten einde lopen; tot een einde komen; een einde nemen; eindigen; ophouden; over; uit; voorbij; gedaan zijn; [i.h.b.] expireren; (2) afsluiten; een eind maken aan; tot een einde brengen; afmaken; eindigen; besluiten; beëindigen; termineren; voltooien; afwerken; zijn; haar beslag geven
終結させる shuuketsusaseru beëindigen; besluiten; afronden; afsluiten; een eind maken aan; tot een eind brengen; termineren
結ぶ;掬ぶ musubu (1) binden; verbinden; vastbinden; dichtbinden; [紐を〜]knopen; dichtknopen; vastknopen; vastleggen; vastmaken; samenbrengen; voegen; samenvoegen; verenigen; aanbinden; aaneenvoegen; aaneensluiten; aansluiten; aaneenschakelen; koppelen; samenkoppelen; in verband brengen; relateren; (2) vormen; maken; [vrucht] dragen; [vriendschap enz.] sluiten; [betrekkingen enz.] aanknopen; [een coalitie enz.] aangaan; [de handen enz.] ineenslaan; [een contract enz.] afsluiten; (3) beëindigen; besluiten; afsluiten; (4) (掬ぶ) met de handen [water enz.] scheppen; met de handen opscheppen; (5) [実を〜] vruchten dragen
結末をつける ketsumatsuwotsukeru afmaken; een eind maken aan; z'n beslag geven; afsluiten; besluiten; beëindigen; ten einde brengen; tot een eind brengen; settelen; afhandelen; regelen; afdoen; [Belg.N.] gedaan maken met
結論する ketsuronsuru concluderen; besluiten; tot een conclusie komen; tot een besluit komen; tot de slotsom komen
ketsu (1) besluit; einde; eind; (2) slotvers; laatste vers; versregel; (3) [boeddh.] bandhana; samyojana; gehechtheid; (4) [maatwoord voor aaneengeregen munten;munteenheid ter waarde van 1.000 mon 文]; (a) rijgen; samenbinden; (b) monteren; organiseren; (c) bundelen; samenvatten; (d) consolideren; stremmen; (e) besluiten; aflopen; (f) verstoppen
締め切る;閉め切る shimekiru (1) sluiten; dichtdoen; toedoen; (2) afsluiten; beëindigen; besluiten; [meton.] uiterlijk; niet later dan; op zijn laatst ~ aanvaarden
締め括る shimekukuru (1) besluiten; afronden; beëindigen; een eind maken aan; (2) dichtsnoeren; vastbinden; (3) toezien op; controleren; superviseren
you (1) hoofdzaak; essentie; kern; kernpunt; hoofdpunt; spil (waar alles om draait); hoofddoel; hoofdbedoeling; (2) nood; noodzaak; vereiste; must; (3) noodzakelijk; vereist; nodig; (a) eisen; vorderen; vergen; (b) onontbeerlijk; nodig; noodzakelijk zijn; (c) besluiten; samenvatten; (d) kern; hoofdzaak; spil; (e) wachten; opwachten
閉会する heikaisuru (1) [een vergadering;bijeenkomst enz.] sluiten; beëindigen; besluiten; een eind maken aan; [een zitting enz.] opheffen; (2) eindigen; sluiten; aflopen; over zijn; ten einde lopen
hei (a) sluiten; afsluiten; (b) besluiten; stopzetten
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.5 sec. jiten.nl: 2 treffers, warandict: 32 treffers (zoekopdracht: 'besluiten'). 
2005-2026