日蘭辭典+

50 resultaten voor ‘sterven’
日蘭辭典 (trefwoord)
shinu死ぬ
i.w. sterven; doodgaan; overlijden. ¶ 死んで居る dood; levenloos. ¶ 死ぬ tot den dood. ¶ 死ぬ覺悟で ten koste van zijn leven. ¶ 死んでも zelfs al moest het leven kosten. ¶ 死んだ風をする zich dood houden. ¶ 死んだ者諦める de hoop opgeven, dat iemand nog in leven is. ¶ 燒け死ぬ levend verbranden. ¶ 凍え死ぬ doodvriezen. ¶ 怪我で死ぬ aan zijn wonden sterven. ¶ 死んだ overleden; wijlen; -zaliger. ¶ 死ぬかと思ふ het gevoel hebben, dat zijn laatste uur geslagen is; denken, dat men gaat sterven.
naru成る
(なる) i.w. worden; tot stand komen; ontstaan. ¶ 大きくなる groot worden. ¶ 病氣になる ziek worden. ¶ 辯護士になる advocaat worden. ¶ 六十となる het komt op zestig cent. ¶ は酸素と素とより成る water bestaat uit zuurstof en waterstof. ¶ あの人が死んでからもう五年になります het is al vijf jaar geleden, dat hij stierf.
nani
vnw. wat; eenig; tw. wat! hoe! ¶ を隠さう ronduit gezegd. ¶ を言っても wat men ook mag zeggen. ¶ はさて措き in de eerste plaats. ¶ が要るか wat wou je?; wat moet je? ¶ にせよ hoe het ook zij. ¶ なに、あの人が死んだって wat!; is hij dood?
tatami
(畳) zn. mat v. ¶ 疊を敷く matten leggen. ¶ 疊の上で死ぬ in zijn bed sterven. ¶ 疊をさす matten maken. ¶ 疊の上では死ねぬ男 vent met een misdadigerstronie.
kokka國家
(国家) zn. staat m.; rijk o.; natie v. ¶ 國家經濟 staathuishoudkunde; politieke economie. ¶ 國家系論策 staatkunde; staatsmanswijsheid. ¶ 國家の爲に死ぬ voor het vaderland sterven. ¶ 國家nationaal; staats-. ¶ 國家の事業 staatsbedrijven; gouvernementsbedrijven. ¶ 國家主義 nationalisme.
yo
zn. (1) [世間] wereld v. (2) [時代] tijdperk o.; tijd m.; eeuw v. (3) [生涯] leven o. (4) [公衆] het publiek o. ¶ 此 deze aardsche wereld. ¶ あの世 het hiernamaals. ¶ 渡る vooruitkomen in de wereld. ¶ 厭ふ levensmoede zijn. ¶ に知られぬ onbekend. ¶ に後れる bij zijn tijd ten achter zijn; niet met den tijd meegaan. ¶ を早くする jong sterven. ¶ 惡い de tijden zijn slecht. ¶ 德川のに onder de regeering der Tokugawa’s ¶ を驚かす de wereld verstomd doen staan. ¶ 合ふ in de smaak vallen van het publiek.
kiseki鬼籍
zn. register der dooden. ¶ 鬼籍に入る sterven.
shi
zn. dood m.; overlijden o. ¶ に就く den dood ingaan. ¶ を決する besluiten om te sterven.
jaku-suru寂する

i.w. ontslapen; sterven.

kotokireru事切れる
zetsumei絶命

zn. dood m. ¶ 絶命する sterven; overlijden; den laatsten adem uitblazen.

zanshi慚死

zn. dood van schaamte. ¶ 慚死する van schaamte sterven.

yuku行く

i.w. (1) [赴く] gaan; zich begeven naar. (2) [逝く] sterven. (3) [步く] wandelen; loopen. ¶ 外國に行く naar het buitenland gaan. ¶ 行け ga weg! ¶ と一緒に行く vergezellen; meegaan met. ¶ 本通を行く de hoofdstraat volgen. ¶ 同じ道を行く denzelfden weg gaan.

yōsetsu天折

zn. vroege dood m. ¶ 天折する jong sterven.

yomiji黃泉

(黄泉) zn. de andere wereld v. ¶ 黃泉の障り beletsel om rustig te sterven.

yo

zn. (1) [世間] wereld v. (2) [時代] tijdperk o.; tijd m.; eeuw v. (3) [生涯] leven o. (4) [公衆] het publiek o. ¶ 此世 deze aardsche wereld. ¶ あの世 het hiernamaals. ¶ 世を渡る vooruitkomen in de wereld. ¶ 世に厭ふ levensmoede zijn. ¶ 世に知られぬ onbekend. ¶ 世に後れる bij zijn tijd ten achter zijn; niet met den tijd meegaan. ¶ 世を早くする jong sterven. ¶ 世が惡い de tijden zijn slecht. ¶ 德川の世に onder de regeering der Tokugawa's. ¶ 世を驚かす de wereld verstomd doen staan. ¶ 世に合ふ in de smaak vallen van het publiek.

yakikorosu燒殺す

(焼殺す) t.w. levend doen verbranden; den vuurdood doen sterven.

yaiba

zn. lemmer o.; zwaard o. ¶ 刃にかゝつて死ぬ door het zwaard sterven.

wakajini若死

zn. vroege dood m. ¶ 若死する jong sterven.

uejini餓死

zn. hongerdood m. ¶ 餓死する doodhongeren; van honger sterven.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <sterven>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
お陀仏 odabutsu (1) [~になる] sterven; het hoekje omgaan; de pijp uitgaan; naar het pierenland gaan; het loodje leggen; de pijp aan Maarten geven; het afleggen; naar de barbiesjes gaan; kassiewijle gaan; (2) kapotgaan; reddeloos verloren gaan
亡くなる nakunaru overlijden; sterven; blijven; [veroud.] aflijvig worden; doodgaan; heengaan; eraan gaan; [euf.] overgaan; ontvallen; ontslapen; het leven laten; [i.h.b.] sneuvelen; [fig.;euf.] insluimeren; [fig.;euf.] inslapen; [arch.] verscheiden; [uitdr.] ad patres gaan; [uitdr.] tol aan de natuur betalen; [volkst.] peigeren; [scherts.] het laten afweten; [Barg.;uitdr.] poep zeggen
他界する takaisuru overlijden; sterven; ter ziele gaan; heengaan; uit dit leven scheiden
斃れる;殪れる;仆れる taoreru bezwijken; vallen; omkomen; overlijden; sterven; doodvallen; eraan gaan; de dood vinden; aan zijn einde komen; om het leven komen; [form.;w.g.] succumberen; [i.h.b.] sneuvelen; in het stof; zand bijten
sotsu (1) gewoon soldaat; (2) [Jap.gesch.] voetsoldaat; (3) het afstuderen; afgestudeerde; (4) overlijden van een notabele; (a) gewoon soldaat; lagere medewerker; (b) sterven; (c) afronden; (d) plotseling; abrupt
参る mairu (1) komen; gaan; (2) ter kerke gaan; naar [de tempel;het heiligdom;een graf] gaan; een eredienst bijwonen; (3) zich gewonnen geven; zich overgeven; het afleggen; zich verloren geven; kamp geven; zwichten; het opgeven; toegeven; [pregn.] inleveren; verslagen zijn; de handdoek in de ring gooien; de handdoek in de ring gooien; aan het kortste eind trekken; onder het juk door gaan; [Barg.] het laten afknappen; (4) [m.b.t. probleem] er niet met zijn pet bijkunnen; niet op kunnen tegen; er geen raad mee weten; niet de baas kunnen; niet opgewassen zijn tegen; ergens niet van terug hebben; ergens niet tegen kunnen; niet uit de voeten kunnen met; (5) weg zijn van; [uitdr.] plat gaan voor; smoor zijn op; gek zijn op; aan iemands voeten liggen; zich laten inpakken; weglopen met; vallen voor; verkikkerd raken op; verkocht zijn; (6) verzwakken; achteruitgaan; [i.h.b.] uitgeput zijn; uitgeteld zijn; afgemat zijn; het loodje leggen; in het voetzand geraken; de pijp aan Maarten geven; sterven; (7) [beleefdheidsvorm in het adres van een brief]; (8) gaan …; komen …
寂滅する jakumetsusuru (1) [boeddh.] nirwana; nirvāṇa verwezenlijken; de verlichting bereiken; (2) overlijden; heengaan; sterven; ontslapen
崩御する hougyosuru [天皇;皇后;皇太后;太皇太后;上皇;法皇;帝王が] overlijden; sterven; heengaan
息が切れる ikigakireru (1) buiten adem raken; stikken; (2) niet langer voortgezet worden; (3) stoppen met ademhalen; z'n laatste adem uitblazen; de laatste ademtocht uitblazen; de doodssnik geven; de laatste snik geven; de geest geven; overlijden; sterven
息が絶える ikigataeru z'n laatste adem uitblazen; de laatste ademtocht uitblazen; de doodssnik geven; de laatste snik geven; de geest geven; overlijden; sterven
息を引き取る ikiwohikitoru z'n laatste adem uitblazen; de laatste ademtocht uitblazen; de doodssnik geven; de laatste snik geven; de geest geven; overlijden; sterven
成仏 joubutsu (1) [boeddh.] verwerving van het boeddhaschap; verlichting; ontwaking; nirwana; (2) [boeddh.] overlijden; heengaan; ontslapen; sterven
成仏する joubutsusuru (1) het boeddhaschap verwerven; een boeddha worden; het nirwana binnengaan; (2) vredig heengaan; sterven; uit dit leven scheiden; in de eeuwige vrede opgenomen worden
昇天する shoutensuru (1) ten hemel stijgen; rijzen; varen; klimmen; opstijgen; opvaren; (2) naar de hemel gaan; sterven; hemelen
果てる hateru (1) eindigen; aflopen; ophouden; (2) sterven; overlijden; doodgaan; heengaan; (3) [aangesloten op de ren'yōkei ] volkomen ~; ten einde toe ~
死ぬ shinu (1) sterven; doodgaan; overlijden; [euf.] heengaan; [fig.;euf.] inslapen; [euf.] ontslapen; [form.] expireren; [arch.] verscheiden; [i.h.b.] omkomen; vergaan; [euf.] het leven laten; [uitdr.] de wereld verlaten; [i.h.b.] de dood vinden; [i.h.b.] om het leven komen; [inform.] kapotgaan; [inform.] opkrassen; [vulg.] verrekken; [m.b.t. dieren;volkst.] creperen; [m.b.t. dieren;volkst.] peigeren; [uitdr.;euf.] uit dit leven scheiden; [uitdr.;euf.] de geest geven; [uitdr.;euf.] de laatste adem(tocht) uitblazen; [uitdr.;euf.] de doodssnik geven; [uitdr.;euf.] de laatste snik geven; [uitdr.;euf.] tot een beter leven overgaan; [uitdr.] de grote reis aanvaarden; [uitdr.] ad patres gaan; [uitdr.] de weg van alle vlees gaan; [uitdr.] de eeuwigheid in gaan; [uitdr.] voor Gods rechterstoel verschijnen; [uitdr.;euf.] het (moede) hoofd neerleggen; [uitdr.] het tijdelijke met het eeuwige verwisselen; [uitdr.;euf.] naar betere oorden verhuizen; [uitdr.] het hoekje omgaan; [uitdr.] de pijp uitgaan; [uitdr.] er geweest zijn; [uitdr.] het loodje leggen; [uitdr.] de ogen sluiten; [uitdr.] de pijp aan Maarten geven; [uitdr.] om zeep gaan; [uitdr.] naar de barbiesjes gaan; [uitdr.] de kraaienmars blazen; [uitdr.] zijn poeperd dichtknijpen; [uitdr.] het afleggen; [uitdr.] het leven afleggen; [uitdr.] de doodschuld afleggen; [uitdr.] 'm piepen; [uitdr.] zijn hachje erbij inschieten; [Barg.] kassiewijle gaan; [Barg.] het afpikken; (2) levendigheid; glans verliezen; futloos; lusteloos; doods worden; onbezield raken; zielloos worden; [fig.] wegsterven; (3) verspild worden; nutteloos besteed worden; verdaan worden; onbenut blijven; ongebruikt blijven; (4) [go-jargon] geslagen worden; (5) [honkbaljargon] van het veld af gespeeld worden; "uit" geslagen worden; uitgetikt worden
死亡する shibousuru sterven; doodgaan; overlijden; afsterven; [arch.] verscheiden; [euf.] heengaan; [i.h.b.] omkomen
死去する shikyosuru sterven; overlijden; [euf.] heengaan; doodgaan; [arch.] verscheiden
botsu (1) onaanvaard; afgewezen; geweigerd (manuscript); (2) gestorven; overleden; (3) gebrek aan …; a-; (a) zinken; (b) bedolven; begraven worden; (c) zich verschuilen; (d) negeren; (e) sterven; (f) achteruitgaan; (g) in beslag nemen; (h) verwerpen
没する bossuru (1) [日が] ondergaan; (2) verdwijnen; opgaan; [船が] verzinken; (3) sterven; heengaan; overlijden; (4) doen verdwijnen; doen opgaan in; verzwelgen; (5) aanslaan; in beslag nemen; confisqueren; (6) negeren; miskennen; verloochenen
浅ましい asamashii (1) gemeen; laag; vuig; min; verachtelijk; laag-bij-de-gronds; laaghartig; eerloos; onwaardig; schaamteloos; schandelijk; veil; waardeloos; (2) ellendig; wreed; naar; miserabel; erbarmelijk; jammerlijk; betreurenswaardig; beklagenswaardig; (3) schamel; pover; onaanzienlijk; armzalig; (4) onverwacht; onvoorzien; verrassend; (5) teleurstellend; ontluisterend; spijtig; sneu; (6) erg; enorm; ontzettend; (7) [~なる] aan zijn eind komen; sterven
metsu (1) [boeddh.] nirodha; beëindiging; het ophouden; extinctie; uitdoving; uitroeiing; vernietiging; (2) [boeddh.] nirvāna; dood van Boeddha of van een prelaat; (a) tenietgaan; uitsterven; uitroeien; (b) uitdoving; (c) sterven; overlijden
生死 shouji (1) [boeddh.] samsara; saṃsāra [= dood en wedergeboorte]; (2) leven en sterven; verwekken en doden; (3) levensduur; leven; (4) sterven; dood
落ちる ochiru (1) vallen; ten val komen; neerstorten; neerdonderen; in het stof bijten; tuimelen; duiken; een duik nemen; (2) omvallen; invallen; instorten; neerstorten; in elkaar vallen; in elkaar storten; (3) [m.b.t. zon;maan etc.] ondergaan; achter de horizon verdwijnen; zakken; (4) niet slagen (bij een examen); struikelen; zakken; stralen; bakken; buizen; falen; sjezen; afgaan; (5) weglaten; uitvallen; achterwege laten; ontbreken; niet gebruiken; (6) verkleuren; verschieten; verbleken; bleek worden; vervalen; valer worden; (7) in de handen van de vijand vallen; ingenomen worden; vallen; raken bij; verloren gaan; te gronde gaan; (8) [m.b.t. een druppel) druppen;druppelen;in druppels neervallen;druipen;(9) vluchten;ontvluchten;de vlucht nemen;het hazenpad kiezen;de plaat poetsen;de benen nemen;er vandoor gaan;op de loop gaan;(10) terugvallen;achteruitgaan;een neerwaartse trend vertonen;een dalende trend vertonen;naar een ongunstige positie afzakken;(11) inferieur zijn;achterstaan bij;niet zo goed zijn als;minder zijn dan;niet kunnen tippen aan;(12) [m.b.t. wind) luwen;gaan liggen;bedaren;kalmer worden;verzachten;(13) [m.b.t. rivier;stroom etc.] uitmonden in; instromen in; uitlopen in; (14) [m.b.t. bliksem) inslaan;treffen;(15) [m.b.t. vissen] stroomafwaarts gaan; stroomafwaarts zwemmen; (16) flauwvallen; bewusteloos vallen; het bewustzijn verliezen; van zijn stokje vallen; van zijn stokje gaan; bezwijmen; sterven; doodgaan; overlijden; ontslapen; heengaan
薨去する koukyosuru overlijden; sterven; heengaan
行く;往く;逝く iku (1) gaan; lopen; wandelen; zich begeven naar; aangaan op; (2) naar wens lopen; lekker lopen; goed werken; succesvol zijn; (3) sterven; overlijden; heengaan; (4) klaarkomen; afgaan
行く;往く;逝く yuku (1) gaan; zich bewegen naar; zich begeven; stevenen; koersen; koers zetten; aangaan op; tijgen; varen; treden; trekken; [m.b.t. wegen] leiden; voeren; (2) komen; aankomen; arriveren; bereiken; bezoeken; aandoen; langskomen; (3) langsgaan; passeren; voorbijgaan; vlieden; vervlieden; verstrijken; verlopen; langskomen; langstrekken; voorbijlopen; wegstromen; vlieten; overwaaien; verdwijnen; (4) heengaan; sterven; verscheiden; verlaten; vertrekken; weggaan; afreizen; afvaren; (5) [als bruid;schoonzoon;adoptiekind enz.] toetreden tot haar; zijn nieuwe familie; (6) genoegen vinden; tevreden zijn; vergenoegd zijn; (7) vooruitgaan; vorderen; voortgaan; opschieten; gedaan worden; uitgevoerd worden; toegepast worden; vallen; uitvallen; uitpakken; aflopen; (8) ontstaan; opleveren; resulteren in; brengen; (9) komen; klaarkomen; [volkst.] aan zijn gerief komen; een orgasme krijgen; afgaan; [volkst.;m.b.t. mannen] schieten; (10) blijven ~ [drukt voortduring;voortgang van een handeling of toestand uit]
逝去する seikyosuru sterven; heengaan; overlijden
過ぎ去る sugisaru (1) voorbijgaan; voorbijlopen; passeren; (2) verstrijken; omgaan; omlopen; aflopen; (3) heengaan; sterven; overlijden; omkomen; [arch.] verscheiden
零落する reirakusuru (1) vervallen; verpauperen; achteruitgaan; teruggaan; versukkelen; verkwijnen; achteropraken; verloederen; verlopen; aan lagerwal raken; bergaf gaan; tot de bedelstaf raken; van het bed op het stro raken; ridder te voet worden; (2) [花;葉が] afvallen; (3) sterven; overlijden
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.68 sec. jiten.nl: 20 treffers, warandict: 30 treffers (zoekopdracht: 'sterven'). 
2005-2026