
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (trefwoord)
shinu・死ぬ
i.w. sterven; doodgaan; overlijden. ¶ 死んで居る dood; levenloos. ¶ 死ぬ迄 tot den dood. ¶ 死ぬ覺悟で ten koste van zijn leven. ¶ 死んでも zelfs al moest het leven kosten. ¶ 死んだ風をする zich dood houden. ¶ 死んだ者諦める de hoop opgeven, dat iemand nog in leven is. ¶ 燒け死ぬ levend verbranden. ¶ 凍え死ぬ doodvriezen. ¶ 怪我で死ぬ aan zijn wonden sterven. ¶ 死んだ overleden; wijlen; -zaliger. ¶ 死ぬかと思ふ het gevoel hebben, dat zijn laatste uur geslagen is; denken, dat men gaat sterven.
gyaku・逆
bn. (1) [反對] tegengesteld; omgekeerd. (2) [叛逆] oproerig. ¶ 逆壓 tegen-druk. ¶ 逆潮 tegenstroom. ¶ 逆動する achteruitgaan. ¶ 逆緣 ongeluk; noodlot; omgekeerde volgorde van overlijden; dood van de kinderenvoor de ouders. ¶ 逆風 tegenwind. ¶ 逆擊 tegenaanval. ¶ 逆比 omgekeerdereden. ¶ 逆比例の omgekeerd evenredig. ¶ 逆意 verraderlijke bedoeling. ¶ 逆上 stijgen van bloed naar de hersenen; duizeligheid (眩暈). ¶ 逆上する gek worden. ¶ 逆戾りする teruggaan. ¶ 逆に in tegengestelde richting; den anderen kant uit; verkeerd. ¶ 逆流 tegenstroom. ¶ 逆算する terugrekenen. 逆説 paradox. ¶ 逆心 verraderlijke bedoeling. ¶ 逆臣 verrader. ¶ 逆進 achterwaartsche beweging; achteruitgaan. ¶ 逆襲 tegenaanval. ¶ 逆提供 contra-offerte. ¶ 逆轉 omzetting. ¶ 逆轉する terugdraaien; omzetten. ¶ 逆徒 verrader. ¶ 逆睹 voorspelling. ¶ 逆運 tegenspoed; tegenslag; ongeluk. ¶ 逆運動 teruggang; acherwaartsche beweging. ¶ 逆産 omgekeerde geboorte; geboorte met de voeten vooruit.
chōsei・長逝
kōzuru・薨ずる
i.w. overlijden.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <overlijden>
不幸 fukō (1) ongeluk; ongelukkigheid; onzaligheid; [veroud.] wee; ellende; (2) tegenspoed; tegenslag; pech; rampspoed; [fig.] contrecoup; (3) sterfgeval in de familie; overlijden; verlies van een dierbare; (4) ongelukkig; onzalig; treurig; (5) tegenvallend; slecht; onfortuinlijk; jammer
亡くなる nakunaru overlijden; sterven; blijven; [veroud.] aflijvig worden; doodgaan; heengaan; eraan gaan; [euf.] overgaan; ontvallen; ontslapen; het leven laten; [i.h.b.] sneuvelen; [fig.;euf.] insluimeren; [fig.;euf.] inslapen; [arch.] verscheiden; [uitdr.] ad patres gaan; [uitdr.] tol aan de natuur betalen; [volkst.] peigeren; [scherts.] het laten afweten; [Barg.;uitdr.] poep zeggen
他界 takai (1) hiernamaals; leven na de dood; (2) dodenrijk; (3) dood; overlijden
他界する takaisuru overlijden; sterven; ter ziele gaan; heengaan; uit dit leven scheiden
斃れる;殪れる;仆れる taoreru bezwijken; vallen; omkomen; overlijden; sterven; doodvallen; eraan gaan; de dood vinden; aan zijn einde komen; om het leven komen; [form.;w.g.] succumberen; [i.h.b.] sneuvelen; in het stof; zand bijten
寂滅 jakumetsu (1) [boeddh.] nirwana; nirvāṇa; (2) overlijden; dood
寂滅する jakumetsusuru (1) [boeddh.] nirwana; nirvāṇa verwezenlijken; de verlichting bereiken; (2) overlijden; heengaan; sterven; ontslapen
崩御 hōgyo [天皇;皇后;皇太后;太皇太后;上皇;法皇;帝王の] overlijden; dood; verscheiden
崩御する hōgyosuru [天皇;皇后;皇太后;太皇太后;上皇;法皇;帝王が] overlijden; sterven; heengaan
往生 ōjō (1) [boeddh.] wedergeboorte in de hemel; het paradijs; upapatti; (2) overlijden; dood; (3) zwichting; gewonnengeving; toegeving; opgave; (4) vertwijfeling; radeloosheid; aporie; perplexiteit; onthutsing; (5) dwang; intimidatie
息が切れる ikigakireru (1) buiten adem raken; stikken; (2) niet langer voortgezet worden; (3) stoppen met ademhalen; z'n laatste adem uitblazen; de laatste ademtocht uitblazen; de doodssnik geven; de laatste snik geven; de geest geven; overlijden; sterven
息が絶える ikigataeru z'n laatste adem uitblazen; de laatste ademtocht uitblazen; de doodssnik geven; de laatste snik geven; de geest geven; overlijden; sterven
息を引き取る ikiohikitoru z'n laatste adem uitblazen; de laatste ademtocht uitblazen; de doodssnik geven; de laatste snik geven; de geest geven; overlijden; sterven
成仏 jōbutsu (1) [boeddh.] verwerving van het boeddhaschap; verlichting; ontwaking; nirwana; (2) [boeddh.] overlijden; heengaan; ontslapen; sterven
果てる hateru (1) eindigen; aflopen; ophouden; (2) sterven; overlijden; doodgaan; heengaan; (3) [aangesloten op de ren'yōkei ] volkomen ~; ten einde toe ~
死ぬ shinu (1) sterven; doodgaan; overlijden; [euf.] heengaan; [fig.;euf.] inslapen; [euf.] ontslapen; [form.] expireren; [arch.] verscheiden; [i.h.b.] omkomen; vergaan; [euf.] het leven laten; [uitdr.] de wereld verlaten; [i.h.b.] de dood vinden; [i.h.b.] om het leven komen; [inform.] kapotgaan; [inform.] opkrassen; [vulg.] verrekken; [m.b.t. dieren;volkst.] creperen; [m.b.t. dieren;volkst.] peigeren; [uitdr.;euf.] uit dit leven scheiden; [uitdr.;euf.] de geest geven; [uitdr.;euf.] de laatste adem(tocht) uitblazen; [uitdr.;euf.] de doodssnik geven; [uitdr.;euf.] de laatste snik geven; [uitdr.;euf.] tot een beter leven overgaan; [uitdr.] de grote reis aanvaarden; [uitdr.] ad patres gaan; [uitdr.] de weg van alle vlees gaan; [uitdr.] de eeuwigheid in gaan; [uitdr.] voor Gods rechterstoel verschijnen; [uitdr.;euf.] het (moede) hoofd neerleggen; [uitdr.] het tijdelijke met het eeuwige verwisselen; [uitdr.;euf.] naar betere oorden verhuizen; [uitdr.] het hoekje omgaan; [uitdr.] de pijp uitgaan; [uitdr.] er geweest zijn; [uitdr.] het loodje leggen; [uitdr.] de ogen sluiten; [uitdr.] de pijp aan Maarten geven; [uitdr.] om zeep gaan; [uitdr.] naar de barbiesjes gaan; [uitdr.] de kraaienmars blazen; [uitdr.] zijn poeperd dichtknijpen; [uitdr.] het afleggen; [uitdr.] het leven afleggen; [uitdr.] de doodschuld afleggen; [uitdr.] 'm piepen; [uitdr.] zijn hachje erbij inschieten; [Barg.] kassiewijle gaan; [Barg.] het afpikken; (2) levendigheid; glans verliezen; futloos; lusteloos; doods worden; onbezield raken; zielloos worden; [fig.] wegsterven; (3) verspild worden; nutteloos besteed worden; verdaan worden; onbenut blijven; ongebruikt blijven; (4) [go-jargon] geslagen worden; (5) [honkbaljargon] van het veld af gespeeld worden; "uit" geslagen worden; uitgetikt worden
死亡 shibō dood; overlijden; [arch.] verscheiden; [euf.] heengaan; [attr.] thanato-
死亡する shibōsuru sterven; doodgaan; overlijden; afsterven; [arch.] verscheiden; [euf.] heengaan; [i.h.b.] omkomen
死去 shikyo dood; overlijden
死去する shikyosuru sterven; overlijden; [euf.] heengaan; doodgaan; [arch.] verscheiden
永眠する eiminsuru voor eeuwig in slaap vallen; de eeuwige rust vinden; inslapen; ontslapen; overlijden
没する bossuru (1) [日が] ondergaan; (2) verdwijnen; opgaan; [船が] verzinken; (3) sterven; heengaan; overlijden; (4) doen verdwijnen; doen opgaan in; verzwelgen; (5) aanslaan; in beslag nemen; confisqueren; (6) negeren; miskennen; verloochenen
滅 metsu (1) [boeddh.] nirodha; beëindiging; het ophouden; extinctie; uitdoving; uitroeiing; vernietiging; (2) [boeddh.] nirvāna; dood van Boeddha of van een prelaat; (a) tenietgaan; uitsterven; uitroeien; (b) uitdoving; (c) sterven; overlijden
落ちる ochiru (1) vallen; ten val komen; neerstorten; neerdonderen; in het stof bijten; tuimelen; duiken; een duik nemen; (2) omvallen; invallen; instorten; neerstorten; in elkaar vallen; in elkaar storten; (3) [m.b.t. zon;maan etc.] ondergaan; achter de horizon verdwijnen; zakken; (4) niet slagen (bij een examen); struikelen; zakken; stralen; bakken; buizen; falen; sjezen; afgaan; (5) weglaten; uitvallen; achterwege laten; ontbreken; niet gebruiken; (6) verkleuren; verschieten; verbleken; bleek worden; vervalen; valer worden; (7) in de handen van de vijand vallen; ingenomen worden; vallen; raken bij; verloren gaan; te gronde gaan; (8) [m.b.t. een druppel) druppen;druppelen;in druppels neervallen;druipen;(9) vluchten;ontvluchten;de vlucht nemen;het hazenpad kiezen;de plaat poetsen;de benen nemen;er vandoor gaan;op de loop gaan;(10) terugvallen;achteruitgaan;een neerwaartse trend vertonen;een dalende trend vertonen;naar een ongunstige positie afzakken;(11) inferieur zijn;achterstaan bij;niet zo goed zijn als;minder zijn dan;niet kunnen tippen aan;(12) [m.b.t. wind) luwen;gaan liggen;bedaren;kalmer worden;verzachten;(13) [m.b.t. rivier;stroom etc.] uitmonden in; instromen in; uitlopen in; (14) [m.b.t. bliksem) inslaan;treffen;(15) [m.b.t. vissen] stroomafwaarts gaan; stroomafwaarts zwemmen; (16) flauwvallen; bewusteloos vallen; het bewustzijn verliezen; van zijn stokje vallen; van zijn stokje gaan; bezwijmen; sterven; doodgaan; overlijden; ontslapen; heengaan
薨去する kōkyosuru overlijden; sterven; heengaan
行く;往く;逝く iku (1) gaan; lopen; wandelen; zich begeven naar; aangaan op; (2) naar wens lopen; lekker lopen; goed werken; succesvol zijn; (3) sterven; overlijden; heengaan; (4) klaarkomen; afgaan
逝去 seikyo dood; overlijden; verscheiden
逝去する seikyosuru sterven; heengaan; overlijden
過ぎ去る sugisaru (1) voorbijgaan; voorbijlopen; passeren; (2) verstrijken; omgaan; omlopen; aflopen; (3) heengaan; sterven; overlijden; omkomen; [arch.] verscheiden
零落 reiraku (1) verval; verpaupering; achteruitgang; teruggang; versukkeling; verkwijning; verelendung; (2) [花;葉の] het afvallen; (3) dood; overlijden
零落する reirakusuru (1) vervallen; verpauperen; achteruitgaan; teruggaan; versukkelen; verkwijnen; achteropraken; verloederen; verlopen; aan lagerwal raken; bergaf gaan; tot de bedelstaf raken; van het bed op het stro raken; ridder te voet worden; (2) [花;葉が] afvallen; (3) sterven; overlijden
Tijd: 1.47 sec. jiten.nl: 6 treffers, warandict: 31 treffers (zoekopdracht: 'overlijden').
2005-2026
