
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (trefwoord)
hikaeru・控へる
(控える) t.w. (1) [書き留める] noteeren; aanteekenen. (2) [抑制] beperken; bedwingen.; i.w. zich onthouden van. i.w. (3) [待つ] wachten. ¶ 食物を控へる matig zijn inhet eten. ¶ そのことは今日迄控へて居た ik het er tot dusverre over gezwegen. ¶ 控へろ houd je mond!; zwijg! ¶ 僕は急ぎの用事を控へて居る ik heb dringende bezigheden. ¶ 次の間に控へて居る in de kamer ernaast wachten. ¶ 手編を控へる de teugels inhouden.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <inhouden>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
保留する horyuusuru reserveren; aanhouden tot; uitstellen; hangende houden; opschorten; voorbehouden; inhouden; suspenderen; [fig.] in de ijskast zetten; bergen; in de wachtkamer zetten
内包する naihousuru inhouden; impliceren; in zich sluiten; insluiten; met zich meebrengen; betekenen
制止する seishisuru bedwingen; beteugelen; in toom houden; in bedwang houden; inhouden; onder controle houden; tegenhouden
包含する hougansuru (1) insluiten; omvatten; bevatten; behelzen; omsluiten; inhouden; beslaan; (2) [fil.] impliceren
包括する houkatsusuru behelzen; omvatten; beslaan; bestrijken; inhouden; bevatten; insluiten; begrijpen in; omsluiten; in zich sluiten
含む fukumu (1) bevatten; inhouden; insluiten; begrijpen; includeren; omvatten; behelzen; omvangen; impliceren; (2) [in z'n mond;in gedachten enz.] houden; koesteren; dragen; hebben; erop nahouden; (3) een zweem van … hebben
含有 ganyuu [~する] bevatten; inhouden; tot inhoud hebben
含有する ganyuusuru bevatten; inhouden; tot inhoud hebben
呑む nomu (1) [fig.] slikken; nemen; pikken; accepteren; aanvaarden; [i.c.m. ontkenning] pruimen; incasseren; [fig.] verduwen; [inform.;fig.] vreten; (2) overweldigen; overdonderen; inpakken; [fig.;sportt.] inblikken; [fig.] inmaken; [fig.;sportt.] afdrogen; (3) bedwingen; onderdrukken; [m.b.t. tranen] inslikken; inhouden; smoren; (4) verborgen houden; verhelen; achterhouden
堪える;怺える koraeru (1) dulden; verdragen; tolereren; verduren; (2) bedwingen; onderdrukken; inhouden; tegenhouden; (3) vergeven; vergiffenis schenken; verschonen; verontschuldigen; lankmoedig zijn; toegevend zijn
塞き止める;堰き止める sekitomeru (1) afdammen; dammen; keren; (2) tegenhouden; inhouden; indammen; bedwingen; intomen; beteugelen; opkroppen; onderdrukken; stuiten; stremmen
天引きする tenbikisuru aftrekken; inhouden; in mindering brengen; eraf doen
意味する imisuru betekenen; inhouden; willen zeggen; aanduiden; beduiden; wijzen op; voorstellen; staan voor; te betekenen hebben; neerkomen op; vertegenwoordigen; impliceren; voorspellen; insluiten; tot strekking hebben
打ち殺す uchikorosu (1) doodslaan; doodknuppelen; (2) doodschieten; omleggen; neerschieten; neerknallen; (3) [感情を] smoren; onderdrukken; inhouden; (4) morsdood maken; afmaken; afslachten; van kant maken; uit de weg ruimen; (5) verpanden; belenen; in pand geven
抑制する yokuseisuru beteugelen; bedwingen; in bedwang houden; inbinden; inhouden; tomen; in toom houden; intomen; breidelen; een breidel aanleggen; remmen; onderdrukken; terugdringen; aan banden leggen; onder controle houden; beheersen; reprimeren; verdringen; weerhouden; supprimeren; smoren; de baas blijven
押し殺す oshikorosu (1) dooddrukken; [しらみを] knippen; knappen; (2) [笑い;咳を] onderdrukken; bedwingen; inhouden; in toom houden
控える hikaeru (1) paraat zitten; staan; ter beschikking staan; (2) zich gedeisd houden; op de achtergrond blijven; terughoudend zijn; zich bescheiden opstellen; zich inhouden; gematigd zijn; zich matigen; (3) vlakbij zijn; (4) ophanden zijn; binnenkort gaan gebeuren; imminent zijn; op komst zijn; (5) halt houden; (6) tegenhouden; inhouden; terughouden; weerhouden; ophouden; binnen de perken houden; matig zijn in; (7) beletten; zich onthouden van; afzien van; zich weerhouden van; (8) terugtrekken; (9) in z'n nabijheid hebben; in de buurt hebben; (10) binnenkort te verwachten hebben; (11) opschrijven; neerschrijven; noteren; optekenen; (12) [scheepv.] linksom roeien; (13) trekken
控除する koujosuru aftrekken; inhouden; afhouden
止める;停める tomeru (1) stoppen; stopzetten; stilleggen; stilhouden; laten stilstaan; stillen; stuiten; tot stilstand brengen; stilzetten; tot staan brengen; parkeren; stallen; [aan de kant enz.] zetten; neerzetten; arrêteren; [de dief enz.] houden; een halt toeroepen; een punt zetten achter ~; een einde maken aan [een ruzie enz.]; ophouden; stremmen; [de aanvoer enz.] staken; afbreken; afsnijden; [een paard enz.] tegenhouden; vasthouden; aanhouden; inhouden; keren; [fig.] afdammen; [m.b.t. geluid;pijn] weren; ophouden; stelpen; (2) [het licht enz.] uitdoen; uitschakelen; [m.b.t. gas;water;radio] uitdraaien; dichtdraaien; afsluiten; uitzetten; afzetten; [de stroom] afbreken; afsnijden; (3) [m.b.t. inflatie enz.] bedwingen; beheersen; afremmen; beteugelen; breidelen; in toom houden; in bedwang houden; intomen; [de groei enz.] belemmeren; (4) beletten; verhinderen; verbieden; voorkomen; ontzeggen; verhoeden
殺す korosu (1) doden; (2) vermoorden; moorden; slachten; afslachten; over de kling jagen; doodslaan; ombrengen; kapot maken; koud maken; om zeep helpen; voorgoed tot zwijgen brengen; [euf.] onschadelijk maken; [uitdr.] de handen in iemands bloed wassen; (3) ter dood brengen; executeren; op grond van een vonnis terechtstellen; (4) verspillen; vermorsen; roekeloos besteden; nutteloos besteden; erdoor jagen; erdoor draaien; verkwisten; verpanden; belenen; in onderpand geven; (5) bedwingen; onderdrukken; inhouden; beheersen; in toom houden [Het lijdend voorwerp van dit werkwoord kan een gevoel;een lach;een geeuw;tranen;zijn adem etc. zijn.]; (6) [honkbal] een slagman uit het spel spelen; een slagman uitspelen
籠る komoru (1) zich verbergen; zich verschuilen; zich verborgen houden; zich schuilhouden; [fig.] zich begraven; (2) zich opsluiten; zich afzonderen; in afzondering gaan leven; (3) besloten liggen in; inhouden; vol zijn van; (4) [空気が] bedompt; benauwd; dompig; duf; muf zijn; (5) [声が] dof; gedempt; mat; onduidelijk zijn
預かる azukaru (1) bewaren; houden; in bewaring nemen; in deposito nemen; in depot nemen; zorgen voor; zorg dragen voor; verzorgen; onder z'n hoede nemen; passen op; oppassen; letten; verantwoordelijk zijn voor; opvangen; [子供を] in de kost nemen; (2) beheren; het beheer voeren over; leiden; voeren; toezicht hebben op; (3) [けんかを] bemiddelen; intermediëren; settelen; afwikkelen; (4) inhouden; voor zich houden; nog niet bekendmaken; achterwege laten; [こめんとを] zich onthouden van; nalaten; wachten met; opschorten; ervan afzien; (5) [sumō-jargon] [勝負を] onbeslist laten; (6) niet terugtrakteren; (7) renteloos lenen; (8) huren; pachten; in pacht nemen
Tijd: 1.19 sec. jiten.nl: 2 treffers, warandict: 22 treffers (zoekopdracht: 'inhouden').
2005-2026
