日蘭辭典+

65 resultaten voor ‘eten’
日蘭辭典 (trefwoord)
taberu食べる
t.w. eten. ¶ 食べられない oneetbaar.
kuu食ふ
t.w. (1) [食す] eten. i.w. (2) [生活] leven van; zich voeden met. t.w. (3) 咬つく bijten. ¶ 叱言を食ふ een standje krijgen.
inshoku飮食

(飲食) zn. eten en drinken. ¶ 飮食物 spijs en drank. ¶ 飮食器 tafelgerei; servies; glaswerk en porselein. ¶ 飮食店 koffiehuis; restaurant; café.

amari餘り
(余り) zn. (1) [以上] meerdere o.; overmaat v. (2) [殘餘] rest v.; restant v.; overschot o.; teveel o. (3) [差額] saldo o. ¶ 悲しさの餘り overmaat van smart. ¶ 四十餘り over de veertig. ¶ 食事の餘り overblijfselen van eten. ¶ 餘りはお前にやる je mag de rest houden. (俗) laat maar zitten. ¶ 餘りの resteerend; waardeloos.
ariawase有合せ
(有り合わせ) zn. dat, wat voorhanden is. ¶ 有合せの食べる eten ,,a la fortune du pot’’ (佛語): eten wat de pot schaft.
assarishitaあっさりした
bn. net; eenvoudig; licht. ¶ あっさりした食事 eenvoudig eten; lichte maaltijd; burgerpot. ¶ あっさりした家 een net huisje. ¶ あっさりした繪 een eenvoudig schilderijtje. ¶ あっさりした een gedekte kleur; een niet opvallende kleur. ¶ あっさりと言ふ rondweg zeggen; ronduit zeggen.
agarimono上り物
(上がり物) zn. (1) [收穫] opbrengst v.; productie v. (2) [食物] eten o.; spijs v.
yashinau養ふ
(養う) t.w. (1) [養育] verzorgen; grootbrengen; opvoeden. (2) [給養] onderhouden; i.w. in het onderhoud voorzien van; den kost verdienen voor. t.w. (3) [飼ふ] houden. i.w. (4) [飼養] eten geven; t.w. voeden. t.w. (5) [精神を] kweeken; cultiveeren. ¶ 病を養ふ herstellen; voor zijn gezondheid zorg dragen.
itadaku戴く
t.w. (1) [冠る] opzetten; dragen; op het hoofd hebben; i.w. bedekt zijn met. t.w. (2) [貰ふ] ontvangen; aanvaarden; krijgen. (3) [食ふ又は飮む] eten; drinken; gebruiken. i.w. [治者を] geregeerd worden door; t.w. boven zich hebben. ¶ 帽を戴く een hoed dragen. ¶ 水を一杯戴きます mag ik een glas water hebben? ¶ 戸を閉めて戴きませう zou u de deur dicht willen doen?
to
vw. (1) [及び] en. bw. (2) [さうすると] dan. (3) [假定] indien; als. vz. (4) [一緖に] met. (5) [丁度其時] wanneer; zoodra; toen. ¶ 犬と猫 honden en katten. ¶ 英國との同盟 verbond met Engeland. ¶ 友達と別れる scheiden van zijn vrienden. ¶ 食事が終わると als we klaar zijn met eten; zoodra het eten afgelopen is. ¶ あの人が君の叔父さんと思った ik zag dien man voor je oom aan; ik dacht, dat het je oom was.
dekiru出來る
(出来る) i.w. (1) [仕上がる] gereed zijn; voltooid zijn. (2) [製造] gemaakt zijn; vervaardigd zijn. (3) [生長] groeien. (4) [出産] geboren zijn. (5) [發生] voorkomen; gebeuren; voortspruiten uit. (6) [熟達] bekwaam zijn in; goed kennen. (7) [能] kunnen; in staat zijn. ¶ 出來るなら zoo mogelijk. ¶ 出來るだけ zoo veel mogelijk. ¶ 出來る限りで met alle macht. ¶ 御飯が出來ました het eten is klaar. ¶ 此の卓子は能く出來て居る deze tafel is goed gemaakt. ¶ 松はことによく出來る denneboomen groeien hier goed. ¶ コレラ患者に出來た er is een geval van cholera aan boord voorgekomen. ¶ 蘭語出來る hij kent Hollandsch. ¶ 十步くことが出來る tien mijl kunnen lopen.
soto
zn. buitenkant m. ¶ buiten; buitenshuis. ¶ より見る door het raam naar buiten kijken. ¶ 食事する buitenshuis eten. ¶ 出る naar buiten gaan.
hikaeru控へる
(控える) t.w. (1) [書き留める] noteeren; aanteekenen. (2) [抑制] beperken; bedwingen.; i.w. zich onthouden van. i.w. (3) [待つ] wachten. ¶ 食物を控へる matig zijn inhet eten. ¶ そのこと今日控へて居た ik het er tot dusverre over gezwegen. ¶ 控へろ houd je mond!; zwijg! ¶ は急ぎの用事を控へて居る ik heb dringende bezigheden. ¶ に控へて居る in de kamer ernaast wachten. ¶ 手編を控へる de teugels inhouden.
hazu
(はず) zn. noodzakelijkheid v.; wenschelijkheid v.; verplichting v. ¶ 行く筈だ ik dien wel te gaan; ik behoor te gaan. ¶ 知らぬ筈はない hij behoort het te weten. ¶ が晚餐に來る筈だ ik krijg mijn moeder te eten; mijn moeder komt vanavond eten. ¶ ひとりでにこはれる筈はない het kan niet vanzelf gebroken zijn.
kuchi-ni-suru口にする

t.w. (1) [言ふ] spreken; zeggen. (2) [食ふ] eten. (3) [飮む] drinken. ¶ 思はず口にする laten ontglippen.

kuenai食へない

bw. (1) [食に適さぬ] oneetbaar. (2) [狡猾な] slim. ¶ 食へない爺 ouder rot; iemand, die zich de kaas niet van het brood laat eten.

kuiarasu食荒す

i.w. van elk gerecht eten; gulzig zijn.

kuiamari食餘り

(食余り) zn. overgebleven eten o.

kuiawaseru食合せる

i.w. (1) [食物を] dingen eten, waar man niet tegen kan; voedsel eten dat iemand niet goed bekomt. (2) [楔形接目で] samenvoegen met zwaluwstaarten.

kuichirasu食散らす
kuigoro食頃

zn. het goede seizoen om iets te eten.

kuikasu食糟

zn. restjes van eten.

kuinokoshi食殘し

(食残し) zn. overblijfselen van eten; kliekjes o.mv. ¶ 食殘す overlaten.

kuimono食物

zn. (1) [食料品] voedsel o.; eten o.; spijs v. (2) [餌食] slachtoffer o.; prooi v. ¶ 娘を食物にして居る leven van de schande van zijn dochter.

kuinige suru食逃する
kuiryō食料

zn. eten o.; voedsel o.; spijs v.

kuisugiru食ひ過ぎる

i.w. te veel eten; zich overeten.

kuitsumeru食詰める

i.w. niet te eten hebben; broodeloos zijn.

kurau食ふ

t.w. eten. kuu¶ を見よ.

kurawasu食はす

t.w. (1) [與食] eten geven; t.w. voeden; voeren. i.w. (2) [打つ] een klap geven. t.w. (3) [誘惑ふ] overhalen; verleiden. ¶ 食はすに利を以てす overhalen door mooie beloften.

kuwaseru食せる

i.w. (1) [食物を] te eten geven; voeren met; voeden met. (2) [扶養する] in het onderhoud voorzien van; zorgen voor. t.w. (3) [欺く] bedriegen; erin laten loopen. ¶ 笠聲を食せる een vuistslag geven.

zesshoku絶食

zn. onthouding van voedsel. ¶ 絶食する vasten; niets eten. ¶ 絶食同盟 hongerstaking. ¶ 絶食療法 hongerkuur.

zendate膳立

zn. klaarzetten o.; opdoen o. ¶ 膳立する klaarzetten; opdoen; eten aanrichten.

zen

zn. dientafeltje o.; gerecht o.; disch m. ¶ 膳に附く gaan eten; aan tafel gaan. ¶ 膳が出た het eten is opgediend. ¶ 箸一膳 een stel eetstokjes. ¶ 膳を摒る eten klaar zetten; naar een man hengelen (女が).

yōshoku洋食

zn. Europeesch eten o.

yōi用意

zn. (1) [支度] voorbereiding v.; toerusting v.; uitrusting v. (2) [用心] voorzorg v.; voorzichtigheid v. ¶ 用意なく onvoorbereid. ¶ 用意なく演説をする voor de vuist spreken. ¶ 用意する gereed maken; toebereidselen maken; zorgen voor. ¶ 飯の用意をする voor het eten zorgen.

tsumami

zn. (1) [一撮] prise v.; klein beetje o. (2) [把手] knop m.; handvat o. ¶ 撮出す eruit pikken; eruit gooien. ¶ 彼奴を摘み出せ gooi dien vent eruit! ¶ 撮食する met de vingers eten; snoepen.

SUPPLEMENT (trefwoord)
makanaitsuki賄い付き
(賄付、賄附) zn. (bij een verblijf in bijvoorbeeld een hotel) met maaltijden inbegrepen. ¶ 賄い付きの下宿 makanaitsuki no geshuku logies met maaltijden inbegrepen.
SUPPLEMENT (trefwoord)
smakelijk

(bn, bw)
(1) (lekker, van eten) oishii おいしい [美味しい]; umai うまい [美味い, 甘い]; aji no ii 味のいい; aji no yoi 味のよい [味の良い]. ¶ Het ziet er smakelijk uit. Oishisoo desu. おいしそうです。
(1b) (vaste uitdrukking) Smakelijk eten! [Eet smakelijk!] doozo meshiagare どうぞ召し上がれ (informeel; niet universeel gebruikt; bet. ongeveer “begin gerust met eten”); doozo o-meshiagari kudasai どうぞお召し上がりください (formeel); go-yukkiri doozo [doozo go-yukkiri] ごゆっくりどうぞ [どうぞごゆっくり] (bet. ongeveer “eet op uw gemak”; alleen gebruikt door personeel in restaurants en dergelijke, niet in huishoudens); doozo (bet. ongeveer “alstublieft; gaat uw gang”).
(2) (vrolijk) (vaste uitdrukking) smakelijk lachen genki yoku harau 元気よく笑う (hartelijk lachen); oogoe de warau 大声で笑う (luid lachen); yooki ni warau 陽気に笑う (levendig lachen).
(3) (soort van verhaal of wijze van vertellen: smeuïg; interessant; fatsoenlijk). ¶ Hij kan het smakelijk vertellen. Kare wa hanashi ga umai. うまい

De Nederlandse uitdrukking “eet smakelijk” of “smakelijk eten” heeft geen exacte Japanse tegenhanger. De uitdrukking doozo meshiagare staat ongeveer voor “begin gerust met eten” (bijvoorbeeld in reactie op itadakimasu, zie hieronder), maar het is niet iets wat steevast door iedereen wordt gezegd. Het woordje doozo (dat in veel situaties gebruikt wordt) betekent zoiets als “alstublieft; alsjeblieft; gaat uw gang; ga je gang”. Het kan op zichzelf gebruikt worden als aansporing, of in plaats van een langere uitdrukking.

In een restaurant zal het personeel de vaste uitdrukking go-yukkiri gebruiken (yukkiri betekent “langzaam,” go-yukkiri impliceert in deze context “eet u op uw gemak”) weer in combinatie met doozo (of alleen doozo).

Standaard gebruikt vrijwel iedereen in een huishouden aan tafel de uitdrukking itadakimasu いただきます, maar dat betekent letterlijk zoiets als “ik ontvang dit met respect” en wordt gewoonlijk gecombineerd met het in gebed samenvouwen van de handen en een korte buiging of een knikje van het hoofd. Voor een gast is het zeer onbeleefd om itadakimasu achterwege te laten. De uitdruking kan ook gebruikt worden als bedankje bij het geserveerd krijgen van iets eenvoudigs als thee, of bij ontvangst van een kadootje van iemand buiten de familie of van iemand van hogere status. Na het afronden van het maal kan men bedanken met de uitdrukking: gochisoosama ごちそうさま, of gochisoosama deshita ごちそうさまでした.

[Dit lemma gebruikt oo-spelling.]

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <eten>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
ねた neta (1) materiaal; stof; ingrediënt; (2) fonds; middel; instrument; (3) gegevens; data; informatie; materiaal; (4) goed; waar; spul; artikel; product; (5) apparaat; mechaniek; toestel; instrument; (6) [volkst.] bewijs; spoor; bewijsmateriaal; (7) [Jap.barg.] maaltijd; maal; eten; voedsel; (8) [cul.] sushi-ingrediënt; [i.h.b.] vis
エテン eten [chem.] etheen; ethyleen
フード fuudo (1) voedsel; eten; voeding; (2) kap; capuchon; muts; kaper; (3) wasemkap; schouw; (4) beschermkap; overkapping; (5) [foto.] lenskap
一品料理を食べる ippinryouriwotaberu [cul.] eten; dineren à la carte
下さる kudasaru (1) geven; schenken; (2) eten; drinken; (3) zo goed zijn te ~; zo vriendelijk zijn te ~; de welwillendheid hebben om ~
下される kudasareru (1) geven; schenken; (2) eten; drinken; (3) zo goed zijn te ~; zo vriendelijk zijn te ~; de welwillendheid hebben te ~
召し上がる meshiagaru gebruiken; nuttigen; tot zich nemen; eten; drinken; toetasten [formele variant van de ww. kuu 食う en nomu 飲む]
喫する kissuru (1) eten; nuttigen; (2) [茶を] drinken; (3) [たばこを] roken; (4) [惨敗を] lijden; oplopen; ondergaan; zich op de hals halen; incasseren; (5) [honkb.] [三振を] uitgeslagen worden
奉る tatematsuru (1) [hum.] aanbieden; schenken; offreren; offeren; presenteren; verschaffen; [w.g.] reiken; (2) [scherts.] geven; opgeven; (3) pro forma benoemen; eershalve aanstellen; (4) [hon.] nuttigen; gebruiken; eten; drinken; nemen; innemen; (5) [hon.] aantrekken; omdoen; (6) [hon.] instappen; instijgen; (7) […~] [hum. hulpwerkwoord]; (8) laten aanbieden; doen geven; (9) sturen; afvaardigen; zenden
料理 ryouri (1) het koken; keuken; eten; kost; gerecht; schotel; kook-; (2) behandeling; afhandeling; verwerking
物する monosuru (1) zijn; zich bevinden; (2) gaan; komen; (3) [euf.] het doen; seks hebben; (4) zeggen; (5) schrijven; (6) eten; (7) geven; (8) [傑作を] maken; [ー句;歌を] plegen; (9) verduisteren; stelen; achteroverdrukken
sai (1) bijgerecht; garnering; toespijs; bijspijs; (a) groente; (b) bijgerecht; garnituur; (c) gerecht; eten
認める shitatameru (1) neerschrijven; opschrijven; optekenen; schrijven; noteren; op papier zetten; brengen; opstellen; maken; (2) eten; nuttigen; (3) ordenen; schikken; (4) voorbereiden; (5) [hofdamesjargon] koken
遣らかす yarakasu (1) doen; flikken; begaan; bedrijven; plegen; (2) eten; nuttigen; (3) drinken; tot zich nemen
遣る yaru (1) sturen; laten gaan; doen [schoolgaan enz.]; (2) [m.b.t. een voertuig] voortbewegen; vooruit doen gaan; vooruit laten gaan; aan de gang brengen; rijden; (3) richten; [een fooi enz.] geven; [dieren] voeren; (4) ter arbitrage toevertrouwen; (5) [zijn ongenoegen;gemoed e.d.] luchten; [door drinken enz.] kwijtraken; (6) [水を] gieten; begieten; water geven; (7) laten ontsnappen; (8) bevorderen; vooruitbrengen; (9) [m.b.t. hand] uitsteken; uitstrekken; (10) een tsukeku 付句 of yariku やり句 toevoegen [idioom uit de wereld van renga 連歌 en haikai 俳諧]; (11) falen; verknoeien; om zeep helpen; (12) bedriegen; (13) kastijden; doodslaan; (14) uithuwelijken; aan de man brengen; (15) nuttigen; gebruiken; [er eentje] drinken; eten; roken; (16) leven; een bestaan leiden; (17) doen; verrichten; [huiswerk enz.] maken; [schaak enz.] spelen; [een cursus e.d.] volgen ; [~ als hoofdvak] studeren; [een tentoonstelling enz.] houden; [een stuk enz.] opvoeren; [een film enz.] vertonen; [een winkel enz.] drijven; [een beroep enz.] uitoefenen; [een toespraak enz.] afsteken; (18) het doen; gemeenschap hebben; vrijen; (19) [een handeling doen;verrichten]; (20) [geeft aan dat de handeling over een verre afstand geldt]; (21) [drukt de beëindiging van een handeling uit;vaak vergezeld van een negatie]; (22) [drukt uit dat de handeling voor anderen verricht wordt]
頂く;戴く itadaku (1) (nederig) in ontvangst nemen; ontvangen; krijgen; verwerven; (2) (nederig) de gunst ontvangen; (3) eten; drinken; gebruiken; (4) geregeerd worden door; ~ boven zich hebben; ~ als overste hebben; (5) [冠を] opzetten; dragen; [山が雪を] bedekt zijn met
ago (1) kaak; kaakgestel; kakement; [anat.] maxilla; [甲殻類;昆虫類の] mandibel; [魚の] kieuw; (2) kin; (3) [道具の] bek; kaak; wangstuk; kauwwerktuig; (4) [釣針の] weerhaak; (5) maal; eten; kost; (6) kostgeld; (7) kostwinning; broodwinning; (8) logiesprijs; (9) gepraat; geklets; praat; [Belg.N.] klap; (10) [dierk.] zeeduivel
食い物 kuimono (1) eten; voedsel; (2) prooi; slachtoffer
食う;喰う kuu (1) eten; [牛が生草を] grazen; afgrazen; (2) leven; zich voeden; (3) veel verbruiken; veel verteren; veel consumeren; (4) bijten; happen; de tanden zetten in; (5) ergens in trappen; zich om de tuin laten leiden; zich laten beetnemen; zich te grazen laten nemen; zich laten foppen; zich laten beduvelen; zich in het ootje laten nemen; (6) overwinnen; verslaan; (de tegenstander) opvreten
食する shokusuru (1) eten; opeten; nuttigen; (2) z'n brood verdienen; in z'n behoeften voorzien; (3) [astron.] verduisteren; verdonkeren; eclipseren
食べる taberu (1) eten; opeten; consumeren; gebruiken; nemen; nuttigen; verorberen; naar binnen werken; wegwerken; [inform.] bikken; [inform.] binnenslaan; [i.h.b.] zich voeden met; [uitdr.] de inwendige mens versterken; (2) de kost verdienen; aan de kost komen; in zijn onderhoud voorzien; leven (van)
食べ物;食物 tabemono eetwaar; voedsel; eten; kost; spijs; voeding; voedingsmiddel; voedingsartikel; hapje; [i.h.b.] dieet; [inform.] voer; [inform.] vreten; [inform.] bikken
食事 shokuji maal; eten; maaltijd; [i.h.b.] dieet; [Belg.N.;veroud.] eetmaal
食事する shokujisuru eten; een maaltijd gebruiken; schaften
食物 shokumotsu voedsel; kost; eten; voeding; spijs
shoku (1) eetlust; appetijt; honger; (2) voedsel; eten; kost; voeding; (3) maal; maaltijd
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 2.06 sec. jiten.nl: 39 treffers, warandict: 26 treffers (zoekopdracht: 'eten'). 
2005-2026