
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (trefwoord)
usobuku・嘯く
(嘘ぶく, うそぶく) i.w. loeien; brullen; huilen; fluiten ¶ 空嘯いて met ergerlijke onverschilligheid; met een gezicht of men zich er niets van aantrekt.
SUPPLEMENT (trefwoord)
usobuku・うそぶく
(嘯く; 嘘ぶく)
(1) onverschillig doen; doen alsof je van niks weet. → 空嘯く
(2) opscheppen; grootspreken; pochen. ¶ ─文法など知らないでも会話はできるなどと うそぶいて─ - bunpō nado shiranai de mo kaiwa dekiru nado to usobuite - - opscheppen dat je in [het Engels] kunt praten hoewel je geen weet hebt van grammatica en dergelijke - (Uitleg in online lesboek.)
(3) loeien, brullen, chilpen etc. van dieren.
(4) fluiten. → 口笛を吹く
(5) (gedichten) reciteren
NB Volgens het online woordenboek 語源由来辞典 vind de huidige betekenis van usobuku zijn oorsprong in fluiten om duiven en dergelijke te lokken. Vergelijk dit met de in Nederland niet onbekende gewoonte om een kort deuntje te fluiten als je doet alsof je van niks weet. Tevens zal het geen toeval zijn dat het werkwoord in de gangbare uitdrukking voor ‘fluiten’ (口笛を吹く kuchibue wo fuku) ook gebruikt is in usobuku (uso + fuku = usobuku). Tenslotte zal stellig in de betekenis van ‘grootspreken’ het deel uso van usobuku als het woord uso 嘘 ‘leugen’ gevoeld worden.
(1) onverschillig doen; doen alsof je van niks weet. → 空嘯く
(2) opscheppen; grootspreken; pochen. ¶ ─文法など知らないでも会話はできるなどと うそぶいて─ - bunpō nado shiranai de mo kaiwa dekiru nado to usobuite - - opscheppen dat je in [het Engels] kunt praten hoewel je geen weet hebt van grammatica en dergelijke - (Uitleg in online lesboek.)
(3) loeien, brullen, chilpen etc. van dieren.
(4) fluiten. → 口笛を吹く
(5) (gedichten) reciteren
NB Volgens het online woordenboek 語源由来辞典 vind de huidige betekenis van usobuku zijn oorsprong in fluiten om duiven en dergelijke te lokken. Vergelijk dit met de in Nederland niet onbekende gewoonte om een kort deuntje te fluiten als je doet alsof je van niks weet. Tevens zal het geen toeval zijn dat het werkwoord in de gangbare uitdrukking voor ‘fluiten’ (口笛を吹く kuchibue wo fuku) ook gebruikt is in usobuku (uso + fuku = usobuku). Tenslotte zal stellig in de betekenis van ‘grootspreken’ het deel uso van usobuku als het woord uso 嘘 ‘leugen’ gevoeld worden.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <loeien>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
吠える;吼える;咆える hoeru (1) blaffen; aanblaffen; bassen; bauwen; blekken; [m.b.t. leeuw e.d.] brullen; briesen; [m.b.t. wolf e.d.] huilen; [m.b.t. rundvee e.d.] bulken; aanslaan [van jachthond bv.]; [jachtt.] hals geven; (2) [m.b.t. mens als onderwerp] gillen; brullen; bulderen; schreeuwen; joelen; (3) [m.b.t. wind e.d.] huilen; gieren; razen; loeien
吹かす fukasu (1) uitblazen; door blazen naar buiten brengen; [たばこを] roken; [ぼーるを] hoog overschieten; (2) [えんじんを] laten doordraaien; loeien; razen; een dot gas geven; (3) […風を] uithangen; zich gedragen als; (4) opscheppen; uitbazuinen
吹き荒ぶ fukisusabu (1) fel blazen; zeer hard waaien; woeden; stormen; razen; hevig tekeergaan; bulderen; loeien; huilen; (2) recreatief blazen; spelen op
唸る unaru (1) [m.b.t. mensen] kermen; kreunen; steunen; jammeren; weeklagen; (2) [m.b.t. dieren] grommen; brommen; brullen; gonzen; loeien; huilen
鳴く;啼く naku natuurlijk geluid voortbrengen [van dieren]; huilen [van honden;uilen;wolven;zeehonden]; roepen [van uilen;koekoeken]; fluiten [van vogels]; zingen [van vogels;walvissen]; slaan [van vogels]; tjilpen [van kleinere vogels]; tjokken [van vinken]; tjokkelen [van vinken]; tjotteren [van vogels]; [biol.] striduleren; tokken [van kippen]; kraaien [van hanen]; kakelen [van hennen]; klokken [van kalkoenen;kippen]; klappen [van papegaaien;eksters;raven]; snateren [van eenden;kalkoenen]; gakken [van ganzen]; gakkeren [van ganzen]; gaggelen [van ganzen]; krassen [van raven;kraaien;uilen]; krauwen [van kraaien;papegaaien]; krijten [van bep. jachtvogels]; kiekeren [van valken]; krijsen [van meeuwen;papegaaien;valken;apen]; kolderen [van meeuwen]; koeren [van duiven]; roekoeën [van duiven]; oehoeën [van uilen]; schreeuwen [van apen;uilen;pauwen]; blaffen [van honden]; bassen [van honden]; keffen [van honden]; janken [van honden;wolven]; miauwen [van katten]; mauwen [van katten]; brullen [van leeuwen;tijgers;stieren;bep. apen en kikkers;enz.]; briesen [van grofwild]; bulken [van koeien]; loeien; hinniken [van paarden]; fiepen [van reeën]; blaten [van schapen]; blèren [van schapen]; mekkeren [van geiten;schapen]; balken [van ezels]; [w.g.] iaën [van ezels]; [veroud.] giegagen [van ezels]; knorren [van varkens]; gillen [van varkens;vogels]; gieren [van varkens;bep. vogels]; knorren [van varkens]; piepen [van muizen;mussen]; kwaken [van eenden;kikvorsen]; rikkekikken [van kikvorsen]; kwekken [van ganzen;eksters;kikvorsen]; kwakken [van kwartels;kikvorsen]; kleppen [van ooievaren]; trompetteren [van olifanten]; trompetten [van olifanten]; [veroud.;w.g.] trompen [van olifanten]; beren [van olifanten;neushoorns]; tjirpen [van krekels]; tuten [van bijenkoninginnen]
Tijd: 1.45 sec. jiten.nl: 3 treffers, warandict: 5 treffers (zoekopdracht: 'loeien').
2005-2026
