日蘭辭典+

17 resultaten voor ‘ontbreken’
日蘭辭典 (trefwoord)
kakeru缺ける
(欠ける) i.w. (1) [怠る] tekort schieten in; nalatig zijn in; in gebreke blijven; t.w. veronachtzamen; verzuimen. i.w. (2) [破損] beschadigd zijn. (3) [不足] ontbreken. ¶ が虧けて行く de maan is aan het afnemen.
kubō空乏

zn. leegte v.; ontbreken o.; gebrek o.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <ontbreken>
不足する fusokusuru tekortschieten; ontbreken; mangelen; schorten; falen; onvoldoende zijn; ontoereikend zijn; niet genoeg zijn; missen; te kort komen; verlegen zitten om; [veroud.;dicht.] gebreken
抜ける;脱ける nukeru (1) doorsteken; [de doelman enz.] passeren; [een tunnel enz.] doorgaan; doortrekken; lopen door; [i.h.b.] doorboren; (2) [van haar;tanden] uitvallen; losgaan; losraken; loslaten; (3) aflaten; wijken; [m.n. van kracht;fut;pit] eruit gaan; het laten afweten; begeven; [fig.] verschalen; kwijtraken; (4) [ergens] uitraken; ertussenuit komen; ontkomen; wegkomen; ontlopen; ontsnappen; ontschieten; ontgaan; ontglippen; [m.n. een genootschap;wedstrijd;computerprogramma enz.] verlaten; zich terugtrekken; eruit gaan; ervandoor gaan; er tussenuit kletsen; (5) missen; ontbreken; wegvallen; mankeren; (6) wat mankeren; niet goed wijs zijn; niet goed bij zijn verstand zijn; (7) [van vesting;stad enz.] vallen
欠く kaku (1) [皿のふちを〜] beschadigen; afbreken; (2) [ー部分を〜] missen; mankeren; ontbreken; (3) [氷を〜] breken; (4) [穏当を〜] ontberen; gebrek hebben aan; tekortkomen; tekortschieten in; niet voldoende hebben; [arch.] derven; (5) [遊びにひまを〜] verspillen; verkwisten
欠ける;缺ける;闕ける kakeru (1) afbreken; afgebroken zijn; (2) missen; ontbreken; niet genoeg hebben; onvoldoende zijn; (3) achteruitgaan; tanen; (4) ontstaan [van een vacature]; vrijkomen [van een baan]; vrij worden
欠如する;闕如する ketsujosuru missen; ontbreken; mankeren; te kort komen; tekortschieten in; zitten zonder; gebrek hebben aan; ontberen; niet voorhanden zijn
欠落する ketsurakusuru ontbreken; niet voorhanden zijn; er niet zijn; afwezig zijn
ketsu (1) gebrek; tekort; (2) absentie; afwezigheid; no-show; (a) missen; ontbreken; schorten; (b) absentie; afwezigheid; lege; opengevallen plaats
漏れる;洩れる moreru (1) lekken; weglopen; wegvloeien; [ガスが] ontsnappen; [水が] binnensijpelen; [gew.] trenen; [うっかり~]ontglippen ; (2) uitlekken; bekend; openbaar worden; aan de dag treden; (3) uitvallen; erbuiten vallen; geweigerd worden; uitgelaten worden; ontbreken
無い nai (1) er niet zijn; niet bestaan; (2) niet hebben; zitten zonder; het stellen zonder; -loos zijn; on-… zijn; ontbloot zijn van; derven; verstoken zijn van; (3) niet vergen; minder zijn dan; (4) missen; ontbreken; (5) geen ervaring hebben met; onbekend zijn met; (6) zijns gelijke niet hebben; kennen; (7) afwezig zijn; absent zijn; uit zijn; weg zijn; van huis zijn; (8) […~] [negatie-uitgang]; (9) […~] [negatief adjectiverende uitgang]
紛失する funshitsusuru (1) zoekraken; verloren gaan; [inform.] foetsie raken; kwijtraken; ontbreken; mankeren; [Belg.N.] kwijtspelen; (2) verliezen; kwijtraken; niet (meer) hebben; moeten missen; kwijtmaken; zoekmaken; wegmaken
脱落 datsuraku (1) het afvallen; loslaten; loskomen; losgaan; [必要な文字の] ontbreken; wegvallen; wegval; hiaat; lacune; [羽毛の] rui; uitval; (2) het loslaten; lossen; afhaken; opgave; afvalligheid; afval; verzaking; desertie; uitval; (3) [boeddh.] onthechting
脱落する datsurakusuru (1) afvallen; loslaten; loskomen; losgaan; [必要な文字が] ontbreken; wegvallen; mankeren; [羽毛が] ruien; uitvallen; (2) loslaten; lossen; [Belg.N.] de rol lossen; achteropraken; afhaken; uitvallen; afvallen; niet meekunnen met; niet meer meedoen; opgeven; [学校から] niet afmaken; vroegtijdig verlaten
落ちる ochiru (1) vallen; ten val komen; neerstorten; neerdonderen; in het stof bijten; tuimelen; duiken; een duik nemen; (2) omvallen; invallen; instorten; neerstorten; in elkaar vallen; in elkaar storten; (3) [m.b.t. zon;maan etc.] ondergaan; achter de horizon verdwijnen; zakken; (4) niet slagen (bij een examen); struikelen; zakken; stralen; bakken; buizen; falen; sjezen; afgaan; (5) weglaten; uitvallen; achterwege laten; ontbreken; niet gebruiken; (6) verkleuren; verschieten; verbleken; bleek worden; vervalen; valer worden; (7) in de handen van de vijand vallen; ingenomen worden; vallen; raken bij; verloren gaan; te gronde gaan; (8) [m.b.t. een druppel) druppen;druppelen;in druppels neervallen;druipen;(9) vluchten;ontvluchten;de vlucht nemen;het hazenpad kiezen;de plaat poetsen;de benen nemen;er vandoor gaan;op de loop gaan;(10) terugvallen;achteruitgaan;een neerwaartse trend vertonen;een dalende trend vertonen;naar een ongunstige positie afzakken;(11) inferieur zijn;achterstaan bij;niet zo goed zijn als;minder zijn dan;niet kunnen tippen aan;(12) [m.b.t. wind) luwen;gaan liggen;bedaren;kalmer worden;verzachten;(13) [m.b.t. rivier;stroom etc.] uitmonden in; instromen in; uitlopen in; (14) [m.b.t. bliksem) inslaan;treffen;(15) [m.b.t. vissen] stroomafwaarts gaan; stroomafwaarts zwemmen; (16) flauwvallen; bewusteloos vallen; het bewustzijn verliezen; van zijn stokje vallen; van zijn stokje gaan; bezwijmen; sterven; doodgaan; overlijden; ontslapen; heengaan
足りない tarinai (1) te kort komen; onvoldoende zijn; niet genoeg zijn; ontbreken; (2) dom; stom; stompzinnig; traag (van begrip)
飛ぶ tobu (1) vliegen; [form.] wieken; doorklieven; (als) op vleugels gaan; [fig.;door de lucht enz.] zeilen; de lucht ingaan; het luchtruim kiezen; [i.c.m. ひらひら] fladderen; [m.b.t. water] spatten; [m.b.t. vonken enz.] eraf vliegen; alle kanten op vliegen; (2) vliegen; stuiven; zich snel voortbewegen; schieten; wegschieten; flitsen; snellen; razen; zoeven; ijlen; spoeden; zich haasten; (3) vlieden; vluchten; (4) [m.b.t. zekering] springen; doorslaan; (5) overslaan; [comp.] skippen; [van de hak op de tak enz.] springen; overspringen; [m.b.t. bladzijden in een boek] ontbreken; (6) vervliegen; [m.b.t. kleuren] snel verschieten
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.27 sec. jiten.nl: 2 treffers, warandict: 15 treffers (zoekopdracht: 'ontbreken'). 
2005-2026