日蘭辭典+

15 resultaten voor ‘maan’
日蘭辭典 (trefwoord)
zangetsu殘月
(残月) zn. maan aan den ochtendhemel.
tsuki
zn. (1) [太陰] de maan v. (2) [一箇] maand v. ¶ 大の maand van 31 dagen. ¶ の halfmaandelijksch. ¶ に maandelijks; per maand; in de maand.
getsu
zn. (1) [輪] maan v. (2) [一ヶ] maand v.
kakeru缺ける
(欠ける) i.w. (1) [怠る] tekort schieten in; nalatig zijn in; in gebreke blijven; t.w. veronachtzamen; verzuimen. i.w. (2) [破損] beschadigd zijn. (3) [不足] ontbreken. ¶ が虧けて行く de maan is aan het afnemen.
wangetsu灣月

(湾月) zn. maansikkel v.; halve maan v.

utsuru映る

i.w. (1) [投影] beeld geven; weerspiegelen; zich afteekenen. (2) [調和する] harmonieeren; goed passen bij; goed staan. ¶ 月が水に映つてゐる de maan weerspiegelt zich in het water. ¶ 人の影が障子に映つてゐる men ziet een menschelijke schaduw op de schuifdeur. ¶ 寫眞はよく寫つてゐる het is een goede fotografie.

tsukinowa月の輪

zn. ring om de maan; halo v.

tsukikasa月暈

zn. ring om de maan; halo om de maan.

SUPPLEMENT (trefwoord)
hantsuki半月
zn.; na-adj. (Uitspraak ook wel hangetsu) (1) halve maan. (2) halve maand. (3) halve cirkel. NB samenstellingen volgen hangetsu.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <maan>
ムーン mūn (1) maan; (2) Moon; Mohun
太陰 taīn maan; [lit.t.] nachtvorstin; [w.g.;lit.t.] nachtboot
getsu (1) maan; (2) maand; periode van ongeveer dertig dagen; (3) maandag; [afk.] ma [verkorting van getsuyō 月曜]
tsuki (1) maan; [uitdr.] de koningin van de nacht; [meton.] Luna; [meton.] Selene; (2) maanlicht; (3) maand; [lit.t.] maan; (4) [maatwoord voor maanden]
衛星 eisei satelliet; maan; bijplaneet; trawant; wachter; [astr.] begeleider; [oneig.] kunstmaan
馬鹿;莫迦;破家 baka (1) dwaas; gek; zot; nar; idioot; imbeciel; mafkees; mafketel; mafkikker; malloot; piechem; halvegare; stommeling; sukkel; uilskuiken; oen; sul; lijp; druif; ezel; rund; os; domoor; domkop; dommerik; stommerd; lijperd; stommerik; stomkop; eendenkuiken; onnozelaar; onbenul; minkukel [inform.] lijpo; (2) dwaasheid; domheid; zotheid; onverstand; onwijsheid; stommiteit; stomheid; stommigheid; onzinnigheid; gekheid; gekkemanswerk; gekkigheid; idioterie; idiotie; idiotisme; malheid; malligheid; onnozelheid; stupiditeit; zottigheid; aperij; onbenulligheid; onzin; nonsens; flauwekul; ridiculiteit; belachelijkheid; larie; lariekoek; kolder; absurditeit; (3) fan; fanaat; fanaticus; enthousiast; freak; liefhebber; -gek; -maan; (4) dwaas; mal; onnozel; dom; gek; stom; zot; dol; belachelijk; mallotig; ridicuul; stupide; idioot; onwijs; onzinnig; absurd; zinneloos; [inform.] kolderiek; imbeciel; maf; lijp; halfgaar; halfwijs; getikt; [inform.;fig.] bezopen; [fig.] halfzacht; (5) niet meer naar behoren functionerend; verdoofd [b.v. door kou]; gevoelloos; [i.h.b.] verschaald; [van schroeven enz.] dol; (6) buitengewoon [goedkoop enz.]; buitensporig; uitermate; overmatig; overdreven; al te ~; dol
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.29 sec. jiten.nl: 9 treffers, warandict: 6 treffers (zoekopdracht: 'maan'). 
2005-2026