
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (trefwoord)
hito・人
zn. (1) [人類] menschdom o. (2) [個人] een man m.; persoon m. & v. (3) [世人] volk o. (4) [成人] volwassene m. & v. (5) [他人] een ander m.; anderen m.mv. ¶ 伊藤と言ふ人 een zekere Ito. ¶ 昔の人 de ouden. ¶ 人は好き好き ieder zijn smaak. ¶ 人の惡い人 iemand met onaangenaam karakter. ¶ 人となる een man worden; volwassen zijn. ¶ 人が何と言ふだろう wat zal men er van zeggen? wat zullen de menschen er van zeggen? ¶ 人中で in het publiek. ¶ 人がなくて困って居る wij hebben gebrek aan volk.
bō・乏
zn. gemis o.; gebrek o.
nan・難
(1) [難儀] moeilijkheid v.; tegenslag m. (2) [禍難] ongeluk o.; ramp v. (3) [缺點] fout v.; gebrek o. (4) [非難] critiek v. ¶ 難に當たる moeilijkheid het hoofd bieden. ¶ 難に遭ふ door een ramp bezocht worden; tegenslag ondervinden. ¶ 難に堪ふ zijn kruis dragen. ¶ 難を云はば als men een aanmerking zou willen maken, dan is het...... ¶ 難の打ち所がない er valt niets op aan te merken.
koshō・故障
koto・事
zn. (1) [事物] ding o.; voorwerp o. (2) [事件] zaak v.; aangelegenheid v. (3) [事實] feit o. (4) [出来事, 事變] voorval o.; gebeurtenis o. (5) [仕事] taak v. (6) [事情] omstandigheden v.mv. (7) [經驗] ondervinding v. ¶ の事 wat betreft..... ¶ 事なく zónder moeilijkheden. ¶ 事處に行った事があるか ben je daar wel eens geweest? ¶ 私の事ですか bedoel je mij?; moet je mij hebben? ¶ 一分の事で汽車に乘り遲れた ik was net één minuut te laat voor den trein. ¶ 事を缺く gebrek hebben aan.
TEKST EN UITLEG (trefwoord)
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <gebrek>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
ハンデ hande (1) [sportt.;golf] handicap; (2) handicap; gebrek
不備 fubi (1) gebrek; onvolkomenheid; ontoereikendheid; tekort; gebrekkigheid; leemte; deficiëntie; defect; tekortkoming; imperfectie; onvolmaaktheid; mankement; inadequatie; inadequaatheid; lacune; [fig.] maas; (2) [aan het einde van een brief;bericht] met haastige groet
不履行 furikou [jur.] niet-nakoming; het niet nakomen; verzuim; gebrek; het in gebreke blijven; [Lat.] mora
不自由 fujiyuu (1) ongerief; ongemak; gebrekkigheid; hinder; ontrieving; belemmering [m.n. in een lichamelijk functioneren]; handicap; [gew.] gebrekkelijkheid; derving; (2) behoefte; gebrek; armoede
不足 fusoku (1) gebrek; ontoereikendheid; ongenoegzaamheid; inadequatie; inadequaatheid; tekort; nood; behoefte; deficiëntie; schaarste; krapte; (2) ontevredenheid; ongenoegen; onvrede; misnoegdheid; onvoldaanheid; misnoegen; mishagen; [veroud.] ongeneugte; (3) ontoereikend; insuffisant; onvoldoend; ongenoegzaam; inadequaat; deficiënt; (4) ontevreden; onvoldaan; misnoegd
困窮 konkyuu (1) nood; gebrek; penarie; penurie; moeilijke; behoeftige; benarde omstandigheden; kommer; (2) armoede; armoe; behoeftigheid; noodlijdendheid
失 shitsu (1) verlies; (2) vergissing; misser; (3) gebrek; tekortkoming; (4) [honkb.] veldfout; fout; (a) verliezen; kwijtraken; verdwijnen; (b) onwillekeurig lossen; (c) fout; misser; vergissing
弱み yowami (1) zwakheid; kwetsbaarheid; gevoeligheid; zwak punt; zwakke plaats; plek; kwetsbare punt; (2) tekortkoming; onvolmaaktheid; gebrek; minpunt; (3) pijnlijke; zere plek
弱点 jakuten zwakke plek; plaats; zwak; teer punt; zwak; achilleshiel; zwakheid; kwetsbare plaats; zijde; gevoelige; pijnlijke; zere plek; gebrek; tekortkoming
怠慢 taiman (1) nalatigheid; verwaarlozing; verzuim; niet-nakoming; gebrek; slofheid; sloffigheid; (2) nalatig; in gebreke blijvend; gebrekig; sloffig; [veroud.] zuimachtig
恨み;怨み;憾み urami (1) wrok; rancune; (2) nijd; haat; bittere afgunst; (3) vijandigheid; hostiliteit; (4) spijt; ergernis; (5) minpunt; gebrek; tekortkoming
手落ち teochi onvolkomenheid; tekortkoming; misstap; gebrek; fout; abuis; vergissing; lapsus; schuld; nalatigheid; onoplettendheid; slordigheid
払底 futtei schaarste; tekort; gebrek; nood
故障 koshou (1) belemmering; beletsel; moeilijkheid; storing; struikelblok; handicap; (2) ongeval; ongeluk; (3) gebrek; defect; tekortkoming; fout; (4) schade; beschadiging; averij; (5) bezwaar; tegenwerping; bedenking; protest; tegenkanting
日照り;旱り hideri (1) zonneschijn; (2) droogte; droge periode; droog weer; (3) gebrek; schaarste; tekort; nood
欠乏 ketsubou tekort; gebrek; gemis; behoefte; schaarste; ontbering; deficiëntie; armoedigheid; derving
欠如 ketsujo gebrek; tekort; gemis; afwezigheid; manco; ontstentenis; ontbering; behoefte
欠点 ketten (1) gebrek; tekortkoming; zwak punt; fout; (2) (op school) onvoldoend cijfer; (op school) slecht cijfer; (op school) een onvoldoende; (op school) het niet geslaagd zijn
欠缺 kenketsu [jur.] gebrek; tekort; leemte
欠落 ketsuraku gebrek; afwezigheid; gemis; ontstentenis
欠陥 kekkan (1) gebrek; fout; tekortkoming; onvolmaaktheid; lichamelijk gebrek; karakteriële onvolmaaktheid; karakterieel gebrek; vervelende karaktertrek; (2) tekort; schaarste; gebrek; toestand van onvoldoende beschikbaarheid van iets
欠 ketsu (1) gebrek; tekort; (2) absentie; afwezigheid; no-show; (a) missen; ontbreken; schorten; (b) absentie; afwezigheid; lege; opengevallen plaats
渇水 kassui (1) gebrek; tekort aan water; watergebrek; watertekort; waterschaarste; waternood; (2) droogte; gebrek aan regen
渇水する kassuisuru gebrek; een tekort aan water krijgen; water derven
申し分 moushibun (1) punt waar wat op te zeggen valt; onvolkomenheid; gebrek; tekortkoming; punt van kritiek; kritiekpunt; (2) bezwaar; aanmerking; kritiek; bedenking; opwerping; [gew.] opzage
疵 kizu (1) barst; scheur; kras; schram; kneuzing; (2) gebrek; onvolkomenheid; tekortkoming; mankement; fout; imperfectie; defect; manco; feil; smet; klad; onzuiverheid; (3) smet; schandvlek; vlek; bezoedeling; blaam; (4) psychisch trauma; psychotrauma; kwetsing; krenking; [veroud.] grief
病気 byouki (1) ziekte; kwaal; aandoening; affectie; ongemak; (2) euvel; gebrek; tekortkoming; zwak
病 byou (a) kwaal; ziek zijn; lijden aan; (b) gebrek; minpunt; tekortkoming
短 tan (1) gebrek; onvolkomenheid; tekortkoming; fout; mankement; tekort; behepsel; euvel; zwakke plek; plaats; zijde; zwak punt; manco; defect; [form.] feil; (2) [muz.] mineur; (3) tanka [verkorting van tanka 短歌]; (4) kort; kortstondig
短所 tansho gebrek; onvolkomenheid; tekortkoming; fout; mankement; tekort; behepsel; euvel; zwakke plek; plaats; zijde; zwak punt; zwakte; zwakheid; nadeel; ongunstige factor; min(punt); tegen; deficiëntie; imperfectie; onvolmaaktheid; manco; defect; [form.] feil
短 tan (1) tekortkoming; gebrek; zwakte; minpunt; manco; (a) kort; (b) ontoereikend; tekortschietend; (c) ongeduldig
穴 ana (1) gat; opening; holte; spleet; bres; perforatie; porie; [針の] oog; (2) holte; kuil; put; uitholling; (3) hol; grot; spelonk; nis; [dierk.] leger; kuil; burcht; (4) [mijnb.] schacht; (5) [fin.] put; verlies; deficit; tekort; derving; (6) leemte; hiaat; lacune; gebrek; gemis; defect; euvel; onvolkomenheid; het ontbrekende; mankement; tekortkoming; zwak punt; zwakke plek; (7) schuilplaats; stek; stekkie; wijkplaats; (8) aanrader voor insiders; weinig bekende toplocatie; verborgen parel; (9) [paardenrennen;keirin] verrassende uitslag; (10) [paardenrennen;keirin] dark horse; outsider; niet-favoriete mededinger; (11) [ton.] zitplaatsen gelijkvloers; parterre; (12) graf; (13) [Edo-Barg.] inside-information
窮乏 kyuubou armoede; armoe; gebrek; behoeftigheid; noodlijdendheid; kommer; derving
窮乏する kyuubousuru armoede; armoe; gebrek; nood lijden; behoeftig zijn; kommer kennen
粗 ara (1) graat; (2) kaf; (3) onvolkomenheid; gebrek; tekortkoming; fout; defect; mankement; zwakke plek; (4) ruw; niet uitgewerkt; grof; onaf
襤褸;ボロ boro (1) versleten kledingstuk; lomp; vod; lor; (2) (verborgen) gebrek; manco; onvolkomenheid; mankement; defect; (3) versleten ~; afgetakeld ~; aftands ~; verlopen ~; wrakkig ~; gammel ~
貧困 hinkon (1) armoede; armoe; behoeftigheid; noodlijdendheid; gebrek; nooddruft; kommer; indigentie; (2) gebrek; tekort; schaarste; (3) arm; behoeftig; armoedig; noodlijdend; gebrekkig; nooddruftig; kommervol; indigent; minvermogend
足の裏 ashinoura (1) voetzool; zool; ondervlak van de voet; (2) gebrek; tekortkoming; zwak punt
足 ashi (1) [anat.] been; poot; [inform.] stelt; [烏賊;蛸の] arm; tentakel; (2) [anat.] voet; (3) mannelijk geslachtsdeel; derde been; (4) [fig.] poot; onderstel; stut; [山の] voet; [旗の] vlucht; (5) [wisk.] voet; voetpunt; (6) onderste gedeelte van een Chinees karakter; (7) ashikanamono [= metalen ringen aan een zwaardschede ter bevestiging van rijgsnoeren]; (8) stap; tred; schrede; pas; gang; loop; tempo; (9) [paardensport] [馬の] gang; snelheid; (10) [scheepv.] vaart; snelheid; (11) [scheepv.] levend werk [= deel van een schip dat zich in het water bevindt]; diepgang; (12) [scheepv.] stabiliteit; stijfheid; (13) [客の] bezoek; aanloop; opkomst; klandizie; (14) [犯人の] gangen; spoor; [i.h.b.] vluchtroute; (15) aanwijzing; spoor; aanknopingspunt; (16) [雨;雲;風の] drift; gesteldheid; (17) vervoer; transport; vervoermiddel; transportmiddel; [meton.] gelegenheid; (18) transportkosten; vervoerkosten; vervoerprijs; reiskosten; (19) geld; geldmiddelen; middelen; (20) [武士の] dotatie; apanage; toelage; (21) rente; interest; intrest; (22) verlies; derving; tekort; gebrek; [i.h.b.] schuld; (23) [beurst.] koers; marktbeweging; trend; tendens; (24) [食べ物の] houdbaarheid; (25) [餅の] kleverigheid; plakkerigheid; (26) [酒の] kwaliteit; karakter; (27) [網目の] maaswijdte; (28) [柿葺きで] overstek [= afstand waarmee de ene dakspaan over de andere uitsteekt]; (29) poppenspeler die het voetenwerk van een marionet bedient; (30) prostituee; liefje; (31) circa …; ongeveer …
運動不足 undoubusoku bewegingsarmoede; gebrek; tekort aan lichaamsbeweging; onvoldoende lichaamsbeweging
金欠 kinketsu geldgebrek; geldnood; geldtekort; gebrek; nood; tekort aan geld; geldelijke verlegenheid
障害 shougai (1) obstakel; belemmering; beperking; hinder; hindernis; verhindering; barrière; hinderpaal; sta-in-de-weg; beletsel; impediment; bezwaar; zwarigheid; moeilijkheid; struikelblok; tegenwerking; [fig.] klip; [sportt.] horde; (2) handicap; gebrek; stoornis; disfunctie; derangement; [attr.] invaliditeits-; [geneesk.] laesie; [Barg.] makke; (3) hindernisloop; hindernisren; steeple(chase); wedren met hindernissen; [i.h.b.] hordeloop; [i.h.b.] horderen [verkorting van shōgaibutsu kyōsō 障害物競走]
難 nan (1) moeilijkheid; probleem; (2) moeilijke omstandigheden; problemen; nood; last; (3) onheil; ramp; (4) gebrek; onvolkomenheid; tekortkoming; (5) kritiek; bezwaar; aanmerking
難癖 nankuse (1) onvolkomenheid; gebrek; tekortkoming; punt van kritiek; (2) vitterij; muggenzifterij; haarkloverij
非 hi (1) vergissing; dwaling; abuis; fout; schuld; [form.] feil; verkeerdheid; gebrek; onvolkomenheid; (2) nadeel; ongunstige situatie; (3) niet-; on-; non-; in-; il-; im-; ir-; -vrij
Tijd: 1.69 sec. jiten.nl: 10 treffers, warandict: 45 treffers (zoekopdracht: 'gebrek').
2005-2026
