日蘭辭典+

17 resultaten voor ‘overtrekken’
日蘭辭典 (trefwoord)
wataru渡る
t.w. (1) [越えて行く] overtrekken; oversteken. i.w. (2) [渡來する] ingevoerd worden. t.w. (3) [及ぶ] bereiken; i.w. zich uitstrekken. i.w. (4) [繼續] duren. (5) [通ずる] goed op de hoogte zijn van; zich thuisvoelen in. (6) [暮す] leven; t.w. doorbrengen. t.w. (7) [を] oversteken; doorwaden. ¶ 他人渡る in andere handen overgaan. ¶ 二時間に亙る twee uur duren. ¶ 河を渡る rivier oversteken. ¶ 支那から渡った品 een artikel, dat uit China komt.
kosu越す

t.w. (1) [通過] passeeren; overtrekken. (2) [超過] overtreffen. i.w. (3) [勝る] beter zijn dan. (4) [轉居] verhuizen. ¶ 溝を越す over een sloot springen. ¶ 四十の坂を越す over de veertig zijn. ¶ 冬を越す den winter doorbrengen.

kumoraseru曇らせる

t.w. verduisteren; met een wolk overtrekken. ¶ 寫眞を曇らせる sluieren. ¶ 彼は顔を曇らせた zijn gezicht betrok.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <overtrekken>
乗り越える;のり越える norikoeru (1) klimmen; komen over; erover(heen) geraken; klimmen; komen; overtrekken; oversteken; passeren; (2) overwinnen; te boven komen; zich eroverheen zetten; de baas worden; doorkomen; doorstaan; overleven; (3) overtreffen; voorbijstreven
乗り越す norikosu (1) [verkeers.] je bestemming voorbijrijden; te ver reizen; (2) klimmen; komen over; eroverheen geraken; klimmen; komen; overtrekken; oversteken; passeren; (3) met een voertuig inhalen; passeren; (4) voorbijsteken; voorbijstreven; overtreffen; achter zich laten; de loef afsteken
失速させる shissokusaseru [luchtv.] overtrekken
張る haru (1) spannen; aanspannen; opspannen; strekken; [m.b.t. touw;lijn enz.] scheren; [gordijnen enz.] ophangen; [zijn takken enz.] uitspreiden; [テントを] opslaan; opzetten; [de vleugels] uitslaan; [de zeilen] zetten; rekken; (2) bespannen (met); aanbrengen; [壁紙を] behangen; [met stof enz.] overtrekken; bekleden (met); voorzien van; (3) [met water enz.] vullen; (4) [stelling enz.] nemen; [een zaak] opzetten; drijven; [een banket] aanrichten; [zijn macht;recht enz.] doen gelden; [geld enz.] zetten (op); verwedden; [zijn zin] doordrijven; (5) op de uitkijk staan; [naar een verdachte enz.] uitkijken; opwachten; (6) [zijn schouders enz.] rechten; [de ellebogen enz.] uitsteken; [de borst enz.] vooruit steken; (7) een klap geven; een draai om de oren geven; meppen; [sumō-jargon] harite 張り手 toebrengen; (8) zich opzetten; opzwellen; uitzetten; (9) verstrammen; verstijven; verstrakken; (10) uitsteken; hoekig worden; (11) zich uitstrekken (over het hele oppervlak); zich uitspreiden over; zich vormen; (12) gespannen worden; nerveus worden; (13) zich schrap zetten; trotseren; rivaliseren; (14) prijzig zijn; duur zijn; nogal wegen; [i.h.b.] overtrokken zijn
擦る nazoru (1) overtrekken; overtekenen; calqueren; (2) [fig.] napraten; na-apen; papegaaien
横切る yokogiru doorkruisen; kruisen; snijden; (dwars) oversteken; overtrekken; overgaan; doortrekken; dwars doorheen gaan; doorsteken; doorsnijden; doorbreken
渡る wataru (1) oversteken; overgaan; overtrekken; [国を] doortrekken; doorwaden; overreizen; overlopen; overkomen; (2) trekken; gaan langs; overtrekken; bewegen langs; (3) verhuizen naar; heentrekken; migreren; (4) zich in het (maatschappelijk) leven bewegen; zijn weg in de wereld gaan; (5) strekken (van … tot …); zich uitstrekken over; beslaan; bestrijken; reiken; lopen (van … tot …); [音が] dragen; duren; omvatten; innemen; in beslag nemen; overspannen; overbruggen; belopen; (6) overgaan; vervallen aan; van eigenaar veranderen; van hand verwisselen; (7) [RYK~] [geeft aan dat de werking van het werkwoord alom;over de hele omgeving geldt]
被覆する hifukusuru (1) bedekken; bekleden; overtrekken; coaten; mantelen; omhullen; [i.h.b.] isoleren; (2) [wisk.] overdekken
誇張する kochōsuru overdrijven; aandikken; opblazen; vergroten; opkloppen; overtrekken; er een schepje bovenop doen; er een flinke schep (boven)op doen; exagereren; outreren
越える koeru (1) oversteken; overtrekken; overgaan; over iets heen passeren; over iets heen gaan; (2) overtreffen; overschrijden; te boven gaan; meer zijn dan; (3) voorbijstreven; overstralen; overvleugelen; de loef afsteken; vliegen afvangen; met kop en schouders uitsteken boven
越す kosu oversteken; overtrekken; passeren; over iets heen gaan; doortrekken
通り過ぎる tōrisugiru passeren; voorbijgaan; voorbijlopen; voorbijtrekken; langsgaan; langskomen; langslopen; langstrekken; overtrekken; overgaan; afdrijven
金鍍金する kinmekkisuru vergulden; met goud plateren; overtrekken; dekken
鍍金する mekkisuru (1) plateren; overtrekken; dekken met metaal; (2) [i.h.b.] vergulden; met goud plateren; overtrekken; dekken
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.57 sec. jiten.nl: 3 treffers, warandict: 14 treffers (zoekopdracht: 'overtrekken'). 
2005-2026