
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (trefwoord)
TEKST EN UITLEG (trefwoord)
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <springen>
ジャンプする janpusuru springen; jumpen
パンクする pankusuru (1) lek raken; gaan lekken; leeglopen; lekslaan; plat vallen; (2) knallen; barsten; springen; doorslaan; het begeven; op tilt springen; raken
倒れる taoreru (1) vallen; omvallen; onderuitgaan; omgaan; omslaan; [後ろに] achteroverslaan; neervallen; [あおむけに] achterovervallen; neertuimelen; kiepen; neergaan; neerkomen; omvergaan; neerzijgen; omtuimelen; omvertuimelen; tuimelen; omkantelen; omverkantelen; kantelen; omwippen; omduikelen; duikelen; [inform.] omkiepen; omkieperen; [inform.;scherts.] omkukelen; [建物が] omstorten; instorten; ineenstorten; tegen de vlakte gaan; [船が] kapseizen; kenteren; [稲が] gaan legeren; (2) erbij neervallen; instorten; inklappen; ineenzakken; inzakken; in elkaar zakken; in elkaar klappen; afknappen; het begeven; een instorting; inzinking krijgen; plat gaan; [病に] ziek worden; (3) [fig.] vallen; ten val komen; te gronde gaan; ten onder gaan; tenietgaan; [sportt.] verliezen; het afleggen tegen; een nederlaag lijden; in het stof; zand bijten; (5) failliet gaan; failleren; bankroet gaan; buitelen; over de kop gaan; eronderdoor gaan; op de fles; flacon gaan; springen; een sprong door de ton doen; zich ruïneren; de boeken neerleggen; [veroud.] naar Vianen gaan
倒産する tōsansuru failliet gaan; bankroet gaan; crashen; failleren; springen; zich ruïneren; op de fles gaan; [scherts.] op de flacon gaan; [fig.] een sprong door de ton doen; [fig.] duikelen; [fig.] tuimelen; eronderdoor gaan; (om)vallen; te gronde gaan; naar de kelder gaan; over de kop gaan; [Belg.N.] overkop gaan; [Barg.] pleite gaan; [veroud.] een bankje leggen; [veroud.] door de ton gaan; [veroud.] naar Vianen gaan; [veroud.] naar Kuilenburg gaan; [gew.] opgaan
潰れる tsubureru (1) bezwijken; het begeven; instorten; ineenstorten; vermorzeld raken; verpletterd raken; platgedrukt raken; [m.b.t. blaren;steenpuisten enz.] barsten; (2) [m.b.t. plannen] mislukken; in duigen vallen; [m.b.t. bedrijven] ten onder gaan; te gronde gaan; teloorgaan; verloren gaan; naar de maan gaan; [i.h.b.] failliet gaan; failleren; bankroet gaan; crashen; [fig.] springen; [fig.] buitelen; [fig.] eronderdoor gaan; [uitdr.] op de fles gaan; [fig.] over de kop gaan; [fig.] de deuren sluiten; (3) [m.b.t. (gebruiks)voorwerpen] afslijten; slijten; versleten raken; [声が] z'n stem kwijtraken; (4) [m.b.t. iets nuttigs] verloren gaan (aan); verspild worden; verkwanseld worden; verkwist worden; vermorst worden; (5) [emotioneel] instorten; in elkaar klappen; inklappen; van de kaart raken; (6) [door dronkenschap] buiten westen raken; voor lijk gaan liggen; uitgeteld raken; (7) [顔が] gezichtsverlies lijden; afgaan
爆発する bakuhatsusuru (1) ontploffen; exploderen; uitbarsten; detoneren; ploffen; barsten; springen; [inform.] klappen; uiteenspringen; uiteenbarsten; uit elkaar barsten; in de lucht springen; in de lucht vliegen; afgaan; tot ontploffing komen; (2) uitbarsten; losbarsten; uitvallen (tegen); uitbreken; ontsteken in; ontbranden in; ontvlammen in
破産する hasansuru failliet gaan; bankroet gaan; crashen; springen; zich ruïneren; op de fles gaan; [fig.] een sprong door de ton doen
破綻する hatansuru springen; bankroet gaan; ineenstorten; failleren; [fig.] een sprong door de ton doen
破裂する haretsusuru ontploffen; afgaan; springen; barsten; ploffen
跳ねる haneru (1) springen; opspringen; wippen; huppen; hippen; stuiten; opstuiten; (2) spatten; opspatten; spetten; spetteren; (3) [ton.] aflopen; sluiten; eindigen; uitgaan; voorbij zijn; (4) [markt;koers] omhoogspringen; plots stijgen; de hoogte ingaan; omhoogschieten; (5) spatten; laten spatten; bespatten; doen opspatten
跳ぶ tobu springen; huppen; wippen; [i.h.b.] overspringen; [i.h.b.] passeren; [w.g.] tjompen
跳躍する chōyakusuru springen; wippen
踊る;跳る odoru (1) dansen; (2) (跳る) springen; sprongetjes maken; huppelen; (3) [m.b.t. hart] kloppen; opgewonden zijn; verrukt zijn; zeer enthousiast zijn; (4) naar iemands pijpen dansen; (5) dubbele intrest opbrengen
躍る odoru (1) opspringen; springen; een sprongetje maken; huppelen; hobbelen; (2) [胸が] popelen; opveren; opgewonden zijn; (3) [字が] grillig zijn; vervormd zijn
際立つ kiwadatsu in het oog vallen; springen; lopen; opvallen; uitspringen; afsteken; zich aftekenen; duidelijk uitkomen; opmerkelijk; opvallend zijn
飛び込む tobikomu (1) binnenvliegen; invliegen; instormen; binnenstormen; binnenstuiven; invallen; komen binnenvallen; binnenrennen; inrennen; binnensnellen; insnellen; onstuimig binnenkomen; inschieten; binnenschieten; (2) binnenspringen; inwippen; inspringen; (3) zich storten; zich werpen; zich gooien; springen; duiken; [i.h.b.] zich bemoeien met; [i.h.b.] zich inmengen; [i.h.b.] er zijn neus insteken
飛ぶ tobu (1) vliegen; [form.] wieken; doorklieven; (als) op vleugels gaan; [fig.;door de lucht enz.] zeilen; de lucht ingaan; het luchtruim kiezen; [i.c.m. ひらひら] fladderen; [m.b.t. water] spatten; [m.b.t. vonken enz.] eraf vliegen; alle kanten op vliegen; (2) vliegen; stuiven; zich snel voortbewegen; schieten; wegschieten; flitsen; snellen; razen; zoeven; ijlen; spoeden; zich haasten; (3) vlieden; vluchten; (4) [m.b.t. zekering] springen; doorslaan; (5) overslaan; [comp.] skippen; [van de hak op de tak enz.] springen; overspringen; [m.b.t. bladzijden in een boek] ontbreken; (6) vervliegen; [m.b.t. kleuren] snel verschieten
飛躍する hiyakusuru springen; een sprong doen
Tijd: 2.26 sec. jiten.nl: 3 treffers, warandict: 18 treffers (zoekopdracht: 'springen').
2005-2026
