日蘭辭典+

5 resultaten voor ‘shita’
日蘭辭典 (titelwoord)
shita
zn. onderkant m.; onderste o.; bodem m.; (民) het volk o.; ondergeschikte (僚) m. ¶ 坂の de voet van een heuvel. ¶ 橋の通る onder een brug doorgaan. ¶ の onderste; beneden. ¶ に onderaan; beneden; onder; van onder. ¶ から van beneden.
shita

zn. tong v.; klepel (鐘等の) m. ¶ を揮ふ veel praten. ¶ 出す de tong uitsteken. ¶ よく廻るだね wat kun je kletsen! ¶ を捲かせる verstomd doen staan. ¶ を捲く verstomd staan; met stomheid geslagen zijn.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <shita>
した shita [attributieve bindvorm (tussen twee naamwoorden)]
shita (1) [adv.;loc.] beneden; [adv.;loc.] omlaag; [adv.;loc.] neer; [loc.] onder (aan); [m.b.t. trap enz.] voet; (2) [m.b.t. leeftijd] jonger (dan); [m.b.t. studiejaren] lager; beneden [de achttien jaar enz.]; (3) [attr.] ondergeschikte; [attr.] lagergeplaatste; [attr.] mindere; [i.h.b.] basis; [i.h.b.] achterban; (4) [abl.] meteen (toen); (5) voorbereidend ~; voorafgaand ~; preliminair; voor-
shita (1) tong; [Barg.;kindert.] lap; (2) tongvormig iets; [鐘の] klepel; bengel; (3) [fig.] tong; spraak; (4) [fig.] tong; smaak; (5) [muz.] tong; riet
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.28 sec. jiten.nl: 2 treffers, warandict: 3 treffers (zoekopdracht: 'shita'). 
2005-2026