
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (trefwoord)
zenjutsu no・前述の
bn. bovenstaand; bovenvermeld; tevoren genoemd; voormeld. ¶ 前述の通り zooals tevoren gezegd is.
yoki・豫記
(予記) zn. voorafgaande kennisgeving v. ¶ 豫記の如く zooals tevoren is aangekondigd.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <tevoren>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
その先 sonosaki (1) verderop; (2) daarna; naderhand; (3) vroeger; tevoren; eerder
予て;兼ねて kanete (1) in afwachting van; in het vooruitzicht van; met het vooruitzicht op; (2) sedert; van … dagen tevoren; (3) maar gauw; snel; (4) reeds; tevoren; vooraf; bij voorbaat; (5) al een tijdje; al lang; (6) vroeger; eerder; voorheen; voordien; (7) tevens; tegelijk; tegelijkertijd; terzelfder tijd
以前 izen (1) het verleden; vroegere tijden; (2) vroeger; tevoren; eerder; (3) [na een meishi dat naar een punt in de tijd verwijst] op … of vroeger; niet later dan …; (4) [na een meishi dat naar een periode in de tijd verwijst] … geleden
以前に izenni voordien; tevoren; eerder; voorheen; vroeger; eens
何時ぞや itsuzoya (1) eens; ooit (ik weet niet meer wanneer precies); bij deze of gene gelegenheid; tevoren; (2) onlangs; kort geleden; laatst; recentelijk
先に;曩に sakini tevoren; vooraf; ervoor; vooruit; voorafgaandelijk; vóór; eerder; voordien; op voorhand; [gew.] op avance; van tevoren; bij voorbaat; en avant; [w.g.;arch.] bevorens
先 sen (1) [~の] vorig; (2) voorheen; eertijds; vroeger; (3) voorbeurt; (4) [go;shōgi] het eerst moeten uitspelen; aan de voorhand zijn; zitten; (5) [ここを~と] erop of eronder; alles of niets; (a) voorst; meest vooruit; (b) voorafgaand; voorgaand; (c) het initiatief nemen; pionier; (d) vooraf; op voorhand; (e) vroeger; eerder; tevoren; (f) vorig; (g) tegenpartij
前に maeni (1) voor; vooraan; ervoor; voorop; (2) tevoren; vooraf; ervoor; (3) eerder; voorheen; voordien; vroeger; eertijds; (4) op voorhand; van tevoren; vooruit; bij voorbaat
前世;先世 zense (1) vorig leven; vorig bestaan; hiervoormaals; (2) ooit; voorheen; tevoren; vroeger; eertijds
前 zen (1) vroeger; eerder; voordien; tevoren; ervoor; voordezen; (2) oud-; ex-; gewezen; voormalig; vorig; vroeger; (3) voor-; pre-; vorig; (4) [kwantor voor bureautafels;leunspanen;dientafels;mimi's e.d.]; (5) [kwantor voor shintoïstische godheden of heiligdommen]
前 mae (1) voor; voren; (2) voorkant; front; voorzijde (van een lichaam); [i.h.b.] borststuk; (3) voorstuk; voorste deel; kop; hoofd; (4) confrontatie; het onder ogen hebben; (5) [in] aanwezigheid [van]; [in het] bijzijn [van]; [in het] aanschijn [van]; [in het] aangezicht [van]; [ten] overstaan [van]; tegenover ~; tegen ~; (6) geleden; tevoren; terug; voor; voorheen; vroeger; voordien; (7) (onmiddellijk) voorafgaand (aan); voor; vorig; voormalig; voorgaand; bovenstaand; eerder; eerstgenoemd (van twee); (8) eerdere veroordeling; (9) in overeenstemming met; zoals ~ [(arch.) in de constructie ~ no mae ~の前]; (10) Vrouwe ~ [(arch.) in de constructie ~ no mae ~の前;suffix ter betiteling van een adellijke dame]; (11) [wordt gevoegd achter een meishi of een dōshi in de ren'yōkei;geeft een zekere portie aan]; (12) -heid [suffix dat de hoedanigheid van het grondwoord (steeds een menselijke eigenschap) benadrukt]
既に;已に sudeni (1) reeds; al; al eerder; onderhand; [form.] bereids; (2) tevoren; eerder; voordien; vroeger; vooraf; (3) echt; alvast; vast; wel
此方 konata (1) hier; hierheen; (2) jij; je; (3) sedert; sinds; vanaf; (4) tevoren; eerder; (5) hij; zij; deze; (6) ik
直前 chokuzen vlak voor; net voor; pal voor; vlak (van) tevoren
Tijd: 1.34 sec. jiten.nl: 5 treffers, warandict: 14 treffers (zoekopdracht: 'tevoren').
2005-2026
