
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (titelwoord)
hi・日
zn. (1) [太陽] zon v. (2) [一日] dag m. (3) [日付] datum m. (4) [時] tijd m. (5) [場合] geval o. ¶ 日が昇る de zon gaat op. ¶ 日が入る de zon gaat onder. ¶ 日にあたる in de zon zijn. ¶ 日に燒ける door de zon verbrand zijn. ¶ 日が暮れる het loopt tegen den avond. ¶ 日を暮らす den dag doorbrengen. ¶ 日に增し van dag tot dag; elken dag. ¶ 日一日 met den dag. ¶ 日に per dag. ¶ 有事の日には in geval van nood.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <ひ>
剕 hi [Chin.gesch.] knieschijfverwijdering [één van de vijf traditionele Chinese strafmiddelen]
妃 hi (1) [Jap.gesch.] tweede gemalin van de keizer; (2) aangetrouwde prinses; (a) (tweede) gemalin van de keizer; (b) gemalin van een prins van den bloede
屁 hi buikwind; darmgas
干 hi (1) droogheid; (2) gedroogd
悲 hi (1) [boeddh.] medelijden; karuṇā; (a) droevig; betreuren; verdriet; (b) erbarmen; medelijden
日;陽 hi (1) zon; daglicht; zonlicht; zonneschijn; zonnetje; [Barg.] lichterik; [uitdr.] vorstin des hemels; [uitdr.] vorstin van het licht; [veroud.] de grote toorts; (2) dag [i.t.t. nacht]; (3) etmaal; dag; dies; dagje; [veroud.] pond; (4) tijdstip; gelegenheid; dag; (5) datum
樋;楲 hi (1) waterbuis; waterpijp; waterleiding; (2) sluis; sas; waterkering; (3) groef; groeve; uitholling; (4) toiletpot; (5) groef in de rug van een zwaard
比 hi (1) verhouding; ratio; [wisk.] reden; (2) gelijke; evenknie; weerga; wederga; partuur; (3) Filipijns …
火 hi (1) vuur; [volkst.] fik; vuurtje; [volkst.] fikkie; [i.h.b.] vlam; (2) brand; hens; (3) licht; lichtje; gloed
灯 hi licht; lichtje; gloed
皮 hi (a) vel; huid; schil; vlies; (b) oppervlak
碑 hi (1) grafsteen; zerk; (2) gedenksteen; erezerk; gedenkteken
秘 hi (1) geheim; geheimheid; verborgenheid; (2) mysterie; geheimenis; arcanum; (a) geheimhouden; verbergen; (b) mysterieus; esoterisch; (c) geconstipeerd; hardlijvig
肥 hi (a) aankomen; dik worden; (b) vruchtbaar worden; (c) mest; drek; (d) provincie Hizen
被 hi (1) [drukt passiviteit uit;of het ondergaan van een actie]; (a) bedekken; afdekken; (b) aantrekken; opzetten; hoofdbedekking; (c) incasseren; verduren; ondergaan; (d) ge… worden
費 hi -kosten; -lasten; -uitgaven
雛 hina (1) kuiken; kuikentje; vogeltje; jonge vogel; [gew.] vogelken; (2) hina-pop; poppencollectie uitgestald ter opluistering van het hinamatsuri-festival
非 hi (1) vergissing; dwaling; abuis; fout; schuld; [form.] feil; verkeerdheid; gebrek; onvolkomenheid; (2) nadeel; ongunstige situatie; (3) niet-; on-; non-; in-; il-; im-; ir-; -vrij
飛 hi (1) [shogi] toren; (2) [honkb.] hoge bal; fly; (3) [klass.Jap.] dwergcipres; (a) vliegen; (b) opvliegen; dwarrelen; (c) stuwen; drijven; (d) hemelhoog; (e) vliegensvlug; (f) loos; ongefundeerd; (g) [honkb.] hoge bal; fly; (h) [Jap.gesch.] provincie Hida
Tijd: 1.16 sec. jiten.nl: 3 treffers, warandict: 19 treffers (zoekopdracht: 'ひ').
2005-2026
