RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <tijd>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
De weergave van het Japans van de resultaten hieronder is gespeld in een vorm van
waapuro-spelling. De spelling komt overeen met de originele spelling in
hiragana in het Japans. De verschillen met de
Hepburn-spelling van de overige resultaten zijn eenvoudig:
| spelling |
uitspraak |
| uu |
lang aangehouden /oe/ (Hepburn spelling: ū) |
| ou |
lang aangehouden /o/ (Hepburn spelling: ō) |
| (soms, als in 酔う you "dronken zijn") uitspraak: /o/ + /oe/ |
| ei |
lang aangehouden /ee/ (dit is identiek in Hepburn spelling) |
| ha |
/ha/ (identiek aan Nederlands en Hepburn spelling) |
| alleen voor het partikel は: uitspraak /wa/ |
| he |
/he/ (identiek aan Nederlands en Hepburn spelling |
| alleen voor het partikel へ: uitspraak /e/ |
[verberg]
その頃 sonokoro destijds; in die dagen; tijd; periode; op zekere dag; op dat ogenblik; moment; toen; dan; toentertijd; toenmaals
シーズン shiizun seizoen; periode; tijd; [i.h.b.] hoogseizoen; [i.h.b.] drukke tijd; [i.h.b.] geschikte tijd
タイム taimu (1) tijd; (2) time-out; (3) [plantk.] tijm; Thymus
世紀 seiki (1) eeuw; [w.g.] century; (2) tijd; tijdperk; (3) [maatwoord voor eeuwen]
世 yo (1) mensenleven; leven; levensduur; levenstijd; generatie; (2) tijdperk; tijd; era; [i.h.b.] heerschappij; regering; (3) familiehoofdschap; patriarchaat; (4) [boeddh.] leven; bestaan; existentie; (5) [boeddh.] lekenbestaan; lekenwereld; seculiere; profane wereld; (6) samenleving; maatschappij; leven; wereld; (7) maatschappelijke positie; stand; (8) tijdsgeest; tijdstroom; trend; (9) levensonderhoud; kost; (10) periode; tijd; gelegenheid; moment; (11) land; rijk; (12) relatie; liaison; liefdesbetrekking
代 dai (1) tijd; generatie; [meton.] regeerperiode; regeringstijd; regering; bewind; beheer; (2) vervanging; substitutie; vervanger; compensatie; (3) plaatsvervanger; plaatsvervuller; remplaçant; substituant; substituut; opvolger; (4) prijs; waarde; kosten; tarief; -geld; -rekening; -nota; (5) [geol.] era; hoofdtijdperk van de geologische tijdschaal; (6) [Chin.gesch.] Daì [streek in het grensgebied van de huidige provincies Héběi 河北 en Shānxī 山西]; (7) [Chin.gesch.] Daì [door Tuòbá Yīlú 拓跋猗盧 gestichte Xiānbēi 鮮卑-staat (315-376)]; (8) dai [landmaat van 1;50 tan 段 (± 1.188 m²)]; (9) -ste; -de [rangtelwoordelijk suffix voor leiders en regeerders]; (10) [benaderende aanduiding van een periode of leeftijd]; (11) [adressering] ten behoeve van …; [afk.] t.b.v. …; (a) vervanging; aflossing; assistent-; adjunct-; vervangend; waarnemend; loco-; (b) ruilmiddel; prijs; (c) generatie; regeerperiode; (d) historische periode; tijdperk; de jaren …; de …-er jaren; (e) tienjarige periode; decennium; -tiger; -tigjarige
光陰 kouin (1) tijd; (2) licht en schaduw; zonneschijn en maneschijn
光 kou (a) schijnen; beschijnen; (b) licht; schittering; luister; (c) tijd; (d) toestand; uitzicht; (e) eer; roem
全盛期 zenseiki gouden tijdperk; tijd; eeuw; tijdperk van bloei; bloeiperiode; bloeitijd; glansperiode; glorietijd; gloriedagen; beste tijd; hoogtij; hoogtijdagen; finest hour; palmy days; meest glorieuze momenten
分 bun (1) deel; part; portie; (2) gedeelte; segment; (3) status; positie; plaats; stand; standing; hoedanigheid; capaciteit; (4) plicht; taak; (5) staat; omstandigheden; (6) veronderstelling; (7) soort; allooi; (8) enkel dat; (9) portie; dosis; hoeveelheid; (10) hoedanigheid; (11) -gehalte; (12) -tijd; (13) tiende; tiende deel; gedeelte; tien procent; (14) [oude lengtemaat] 0,1 sun 寸 [= ca. 3,03 mm]; (a) verdeling; opdeling; scheiding; (b) verduidelijking; (c) aftakking; apart deel; (d) bestanddeel; element; (e) tijdsgewricht; (f) attributie; plicht; (g) kwalificatie; hoedanigheid; positie; (h) staat; toestand; mate
刻 koku (a) kerven; inkepen; graveren; (b) lettersnijden; blokdruk; (c) vinnig; intens; (d) maatstreep van een wateruurwerk; (e) tijd; (f) oude tijdmaat
年代 nendai (1) ouderdom; datering; datum [in de geschiedenis enz.]; jaartal; (2) periode; tijdvak; era; jaren [zeventig;tachtig enz.]; tijden; tijdperk; tijd; (3) generatie; jaargang
年月 toshitsuki (1) jaren en maanden; tijd; [in uitdr.] de tijd en het tij; (2) vele jaren; lange tijd
年月 nengetsu (1) jaren en maanden; tijd; [in uitdr.] de tijd en het tij; (2) vele jaren; lange tijd
年間 nenkan (1) jaar; jaarkring; (2) [Meiji-;Shōwa- enz.] periode; jaren; tijd; era; tijdperk
手間 tema (1) moeite; tijd; inspanning; arbeid; (2) arbeidsloon; tijdloon; uurloon; salaris; wedde [verkorting van temachin 手間賃]; (3) per uur betaald werk; (4) uurloner
日時 nichiji (1) dag en uur; datum; (2) aantal dagen en uren; tijd
星 sei (1) [Chin.astron.] Ster; Xīng [= één van de achtentwintig maanhuizen]; (a) ster; (b) tijd; tijdsverloop; (c) groot figuur; autoriteit
星 hoshi (1) ster; [lit.t.] star; (2) [meton.] jaar; tijd; (3) sterretje; [i.h.b.] asterisk; bolletje; (4) stip; vlekje; stippel; spikkel; plekje; [i.h.b.] bles; [i.h.b.] leukoom; oogparel; leucoma; (5) gesternte; gestarnte; iemands ster [die volgens de astrologie zijn lot bepaalt]; (6) roos; doelwit; (7) dader; schuldige; verdachte; (8) score (in een sumō-toernooi); [i.h.b.] winst- of verliespunt; (9) ster; star; coryfee
春秋 shunjuu (1) lente en herfst; (2) jaar; jaarperiode; (3) tijd; tijden; (4) leeftijd; levensjaren; [meton.] lentes; (5) geschiedboek; geschiedenisboek; annalen; (6) Lente- en Herfstannalen; Chūnqiū; (7) [Ch.gesch.] periode van Lente en Herfst (ca. 770-403 v.Chr.)
時代 jidai (1) de tijden; tijd; (2) tijdperk; periode; eeuw; tijdvak; era; epoque; (3) oude tijden; (4) [maatwoord voor tijdperken;periodes]
時分 jibun (1) periode; tijd; (2) juist moment; geschikt ogenblik; opportuniteit; gelegenheid; kans
時制 jisei [taalk.] tijd; tempus; tijdsvorm
時刻;時剋 jikoku tijd; uur; tijdstip
時勢 jisei trend; tijd; tijden; tijdgeest; zeitgeist; tijdstroom
時期 jiki (1) tijd; periode; seizoen; (2) tijd; timing; moment
時間 jikan (1) tijd; tijdruimte; spanne (tijds); tijdspanne; tijdsduur; tijdsbestek; [arch.] stond; [Lat.] tempus; [Lat.] hora; chrono-; (2) tijd; uur; [i.h.b.] lesuur; [i.h.b.] lestijd; (3) [maatwoord voor uren]
時;秋 toki (1) tijd; [arch.] stond; (2) tijd; periode; [i.h.b.] seizoen; (3) [in die] tijden; [in die] dagen; toenmalig; (4) allesbeslissend moment; kritiek punt; scharniermoment [spelling: toki 秋]; (5) kans; gunstige gelegenheid; gelegen tijd; (6) [spraakk.] tijd; tempus; (7) geval; keer; gelegenheid; moment; ogenblik; (8) toen; wanneer
月日 tsukihi (1) zon en maan; [fig.] gesternte; (2) maanden en dagen; tijd; een periode [van x jaar enz.]
機 ki (1) gelegenheid; kans; tijd; moment; opportuniteit; omstandigheden; juiste ogenblik; (2) machine; toestel; (werk)tuig; apparaat; installatie; (3) vliegtuig; toestel; [veroud.] vliegmachine; [w.g.] vliegtoestel; (4) [maatwoord voor vliegtuigen]
歳時 saiji (1) jaren en maanden; tijd; (2) jaargetijden; seizoenen
歳月 saigetsu tijd; jaren
歳 sai (1) [astron.;zonnekalender] zonnejaar; astronomisch jaar; (2) [astron.;maankalender] maanjaar; (3) [maatwoord voor jaren en leeftijden]; (a) jaar; tijd; (b) leeftijd; ouderdom; (c) [landb.] jaaroogst; jaaropbrengst; (d) [astron.] Jupiter
秋 shuu (a) herfst; (b) jaar; tijd
節 setsu (1) tijd; gelegenheid; keer; (2) principes; beginselen; stelregels; (3) alinea; paragraaf; afdeling; [lit.t.] strofe; couplet; stanza; (4) [spraakk.] zinsnede; passus; (5) [bijb.] vers; (6) segment; geleding
紀元 kigen tijdvak; tijdperk; eeuw; epoque; era; tijd; tijdrekening; jaartelling
締切り;締め切り;締切;閉め切り;閉切;〆切 shimekiri (1) deadline; tijdslimiet; tijdsbepaling; uiterste datum; tijd; termijn; afsluitdatum; sluitingsdatum; einddatum; eindtermijn; terminus ad quem; (2) gesloten; dichthouden! [als mededeling op briefje;deurplaat enz.]; (3) [mech.;waterst.] afsluiting; [scheepsb.] cofferdam
辰 shin (1) [Chin.astrol.] draak; (a) [Chin.astrol.] draak; (b) tijd; datum; (c) hemellichaam; [i.h.b.] zon; maan en sterren
間 ma (1) ruimte; plaats; tussenruimte; interval; entre-deux; (2) vertrek; kamer; ruimte; (3) pauze; onderbreking; tijdsinterval; (4) tijd; moment; poos; (5) gelegenheid; kans; ruimte; [i.h.b.] geluk; (6) [muz.] maat; [i.h.b.] cesuur; rustpunt; [oneig.] ritme; tempo; timing
際 kiwa (1) (steile) rand; uiterste; kant; [niet alg.] boord; (2) tijd
際 giwa (1) -kant; tegen …; (2) -tijd; -moment; op het punt staand te …; de; het … nabij
頃 koro (1) tijdstip; moment; tijd; (2) terwijl ~; gedurende de tijd dat ~; toen ~; ten tijde dat ~; (3) omstreeks ~; rond het tijdstip van ~
順番 junban (1) beurt; toerbeurt; tijd; (2) orde; volgorde; rangorde