日蘭辭典+

91 resultaten voor ‘tijd’
日蘭辭典 (trefwoord)
toki
zn. (1) [時間] tijd m.; uur o. (2) [瞬間] oogenblik m. (3) [期] tijd m.; gelegenheid v. (4) [場合] geval o. (5) [時代] periode v.; tijdperk. (6) [季節] seizoen o. (7) [期限] termijn m.(8) [文法の] tijd m. ¶ 十の op tienjarigen leeftijd. ¶ に應じて al naar het uitkomt. ¶ に合ふ gelegenheid afwachten. ¶ を待つ tijd besteden. ¶ を誤らずに來る stipt op tijd komen. ¶ 外れの ontijdig; ongelegen. ¶ の toenmalig; van dien tijd. ¶ に toen; als; wanneer. ¶ 丁度よいに juist bij tijds. ¶ 私が子供のに toen ik nog een kindwas; in mijn jeugd. ¶ には in geval van; gesteld, dat ...... ¶ としては soms; van tijd tottijd.
jikan時間
zn. tijd m.; uur o. ¶ 執務時間 kantoortijd. ¶ 一時間 の行程 een uur gaans. ¶ 時間拂 betaling per uur. ¶ 時間通りに op tijd. ¶ 時間を費す tijd verspillen. ¶ 時間を消す den tijd dooden. ¶ 時間が遲れる achter loopen. ¶ 事件を進める (de klok) vooruit zetten. ¶ 時間は何時ですか hoe laat is het? ¶ 時間が合ふ gelijk gaan; goed loopen (時計が). ¶ 時間表(汽車の) spoorboekje; loop der treinen; tabel der lessen (學校の).
ankan安閑
zn. vrije tijd m.; ledigheid v. ¶ 安閑として暮す zijn tijd in ledigheid doorbrengen; niets uitvoeren.
anoあの
vnw. die; dat; gindsch; gene. ¶ あの頃 in dien tijd. ¶ あの本 dat boek. ¶ あの後は voortaan; daarna. ¶ あの家 dat huis daar; het gindsche huis. ¶ 彼の人 hij (男); zij (女). ¶ あの人達 zij.
asobikurasu遊び暮す
(遊び暮らす) i.w. luieren; niets uitvoeren; zijn tijd in ledigheid doorbrengen.
atariあたり
(辺り・邊り) zn. (1) [邊] buurt v.; nabijheid v.; omgeving v.; omstreken v.mv; omtrek m. (2) [頃] tijd m. ¶ 東京あたり in de buurt van Tokyo. ¶ あたりに人もなかった er was niemand in de buurt. ¶ あの頃 in dien tijd; in die dagen. (3) [] bw. omstreeks; ongeveer; om en bij. ¶ 千圓ばかり ongeveer 1000 yen; om en bij de duizend yen. ¶ 次の土曜あたり omstreeks aanstaanden zaterdag. (4) [最中] vz. gedurende; tijdens. ¶ 戰時中 gedurende den oorlog.
aki
(き) zn. (1) [間隙] ruimte v.; open plaats v. (2) [位] vacature v. (3) [暇] vrije tijd m. ¶ いた vrij; vacant; onbezet; ledig; leeg. (4) [椅子] vrije stoel. ¶ 罎 leege flesch. ¶ どこにも席がない er is nergens plaats.
hontō本當

(本当) zn. waarheid v.; werkelijkheid v.; feit o. ¶ 本當の waar; werkelijk; echt. ¶ 本當に waarlijk; inderdaad; in ernst. ¶ 本當にする voor ernst opnemen; gelooven. ¶ 本當を言へば ronduit gezegd; eerlijk gezegd. ¶ 何時が本當です wat is de juiste tijd nu? ¶ 本當ですか is het heusch waar? ¶ 本當か知らぬ zou het waar zijn?

tomonau伴ふ
i.w. (1) [連れて行く] zich doen vergezellen door; t.w. medenemen. i.w. (2) [隨伴する] vergezellen; meegaan. ¶ 人を伴ふ iemand medenemen; met iemand meegaan. ¶ 妻子を伴って met zijn familie. ¶ 時勢に伴ふ met zijn tijd meegaan. ¶ 病氣には伴ふ de ziekte gaat gepaard met koorts.
shitagau從ふ
(従う) i.w. (1) [降服] gehoorzamen. t.w. (2) [追隨] volgen; i.w. meegaan met. t.w.(3) [隨行] vergezellen. (4) [從事] uitoefenen. ¶ 規則に從ふ voorschriften opvolgen; zich houden aan de regels. ¶ 大勢に從ふ met zijn tijd meegaan. ¶ 硏究從ふ onderzoek houden. ¶ の説に從へば volgens uwe meening. ¶ 決定に從ひます ik onderwerp me aan uwe beslissing.
karōjite辛うじて
yo
zn. (1) [世間] wereld v. (2) [時代] tijdperk o.; tijd m.; eeuw v. (3) [生涯] leven o. (4) [公衆] het publiek o. ¶ 此 deze aardsche wereld. ¶ あの世 het hiernamaals. ¶ 渡る vooruitkomen in de wereld. ¶ 厭ふ levensmoede zijn. ¶ に知られぬ onbekend. ¶ に後れる bij zijn tijd ten achter zijn; niet met den tijd meegaan. ¶ を早くする jong sterven. ¶ 惡い de tijden zijn slecht. ¶ 德川のに onder de regeering der Tokugawa’s ¶ を驚かす de wereld verstomd doen staan. ¶ 合ふ in de smaak vallen van het publiek.
igai以外
vz. behalve; buiten. ¶ 土曜以外には behalve ’s zaterdags. ¶ ……以外に op elken anderen tijd. ¶ 月給以外に少收入がある hij heeft nog andere inkomsten buiten zijn salaris.
diabun大分
bw. zeer; heel; in hevige mate. ¶ 大分早く起きる zeer vroeg opstaan. ¶ 大分經ってから na geruimen tijd. ¶ 大分なる het is lang geleden. ¶ 大分氣分がよい zich veel beter voelen.
genjū嚴重
zn. gestrengheid v. ¶ 嚴重streng; strikt. ¶ 嚴重に言へば strikt genomen. ¶ 嚴重な規律 strenge tucht. ¶ 時間嚴重に守る strikt op tijd zijn.
kan
zn. vrije tijd m.
ji

zn. (1) [] tijd m. (2) [時間] uur o. ¶ 三 half vier. ¶ 何時に om hoe laat? ¶ 分 kwart voor negen.

hi

zn. (1) [太陽] zon v. (2) [一日] dag m. (3) [付] datum m. (4) [] tijd m. (5) [場合] geval o. ¶ が昇る de zon gaat op. ¶ 入る de zon gaat onder. ¶ にあたる in de zon zijn. ¶ に燒ける door de zon verbrand zijn. ¶ が暮れる het loopt tegen den avond. ¶ を暮らす den dag doorbrengen. ¶ に增し van dag tot dag; elken dag. ¶ 一日 met den dag. ¶ per dag. ¶ 有事のには in geval van nood.

koseki古昔
zn. oude tijd m.; verleden o. ¶ 古昔の uit vroegere jaren; uit den ouden tijd.
kumoyuki雲行

zn. (1) [雲の流れ] richting der wolken. (2) [形勢] loop der gebeurtenissen; geest des tijds (時勢).

kurasu暮す

i.w. leven; bestaan; in zijn onderhoud voorzien; t.w. doorbrengen; passeeren. ¶ 田舍で暮す buiten wonen. ¶ 獨身で暮す alleen wonen; niet getrouwd zijn. ¶ 奢侈に暮す een weelderig leven leiden. ¶ 日を暮す den tijd doorbrengen.

zuiji隨時

(随時) bw. te allen tijde; wanneer het ook zij; als het voorkomt.

zōjitenpai造次顚沛

bw. te allen tijde; steeds.

zanji暫時

zn. korte tijd m.; bw. korten tijd; eventjes; een oogenblik. ¶ 暫時にして een oogenblik later; kort daarop. ¶ 暫時の kort; kortstondig.

yurushi

zn. (1) [許可] vergunning v.; verlof o. (2) [宥怒] vergeving v.; vergiffenis v. (3) [放免] verschooning v.; kwijtschelding v. (4) [免許] licentie v. ¶ 許す vergunnen; veroorloven; toelaten; (宥怒) vergeven; vergiffenis schenken; (放免) verschoonen; straf kwijtschelden; (認める) toegeven; erkennen; (緩くする) verslappen; verlichten. ¶ 許し得べき vergefelijk; verschoonbaar; toelaatbaar. ¶ 其筋から許されて met vergunning van de bevoegde autoriteiten. ¶ 入學を許す tot een school toelaten. ¶ 願を許す verzoek inwilligen; verzoek toestaan. ¶ 罪を赦す zonden vergeven. ¶ 時間の許す限り voor zoover de tijd het toelaat.

yūki有期

zn. termijn m.; beperkte tijd m. ¶ 有期の beperkt; voor een bepaalden termijn.

yoyū餘裕

(余裕) zn. (1) [餘地] overschot o.; overtolligheid v.; speling v. (2) [時間] tijd over. (3) [沈着] kalmte v.; bedaardheid v.; bezadigdheid v. ¶ 餘裕がある ruim berekend zijn; over hebben; er is nog ruimte; er is nog ruimschoots tijd (時間). ¶ 餘裕ある ruim berekend; ruimschootsch; overvloedig.

yō-suru要する

t.w. vereischen; noodig hebben; eischen. ¶ 時間を要する tijd nemen.

yoriyori寄寄

bw. van tijd tot tijd; nu en dan.

yononaka世の中

zn. wereld v.; publiek o.; de tijden m.mv. ¶ 面白くない世の中 het aardsche tranendal.

yoka餘暇

(余暇) zn. vrije tijd m. ¶ 餘暇がない geen tijd over hebben.

yohodo餘程

(余程) bw. in hooge mate; zeer; aanzienlijk. ¶ 餘程の veel. ¶ 餘程の間 geruimen tijd.

yo

zn. (1) [世間] wereld v. (2) [時代] tijdperk o.; tijd m.; eeuw v. (3) [生涯] leven o. (4) [公衆] het publiek o. ¶ 此世 deze aardsche wereld. ¶ あの世 het hiernamaals. ¶ 世を渡る vooruitkomen in de wereld. ¶ 世に厭ふ levensmoede zijn. ¶ 世に知られぬ onbekend. ¶ 世に後れる bij zijn tijd ten achter zijn; niet met den tijd meegaan. ¶ 世を早くする jong sterven. ¶ 世が惡い de tijden zijn slecht. ¶ 德川の世に onder de regeering der Tokugawa's. ¶ 世を驚かす de wereld verstomd doen staan. ¶ 世に合ふ in de smaak vallen van het publiek.

yo

zn. geslacht o.; tijd m.; tijdperk o.; regeering v.; eeuw v.

yayahisasiku良久しく

bw. vrij lang; een heelen tijd.

yasumu休む

i.w. (1) [休息] rusten. t.w. (2) [中止] ophouden; stoppen; pauzeeren. i.w. (3) [缺席] afwezig zijn. (4) [就寢] naar bed gaan; gaan slapen. ¶ 一日休む een dag vacantie nemen. ¶ 仕事を休む rusten van den arbeid. ¶ お休みなさい wel te rusten!; slaap lekker! ¶ 休め rust! ¶ 休む間もない geen tijd om te rusten.

wazuka

zn. kleine hoeveelheid v.; weinig o.; beetje o.; geringe graad m. ¶ 僅の weinig; onbeduidend; gering. ¶ 僅に slechts; alleen maar; niet meer dan. ¶ 僅な傷 lichte wond. ¶ 僅な事 onbeduidende zaak. ¶ 僅三年の內に in den korten tijd van drie jaar; in slechts drie jaren tijds. ¶ 僅に免る ternauwernood ontsnappen. ¶ 僅十箇しかない er zijn er maar tien. ¶ 僅だが君に上げよう hier is een kleinigheid voor je.

uto烏兎

zn. de tijd m. ¶ 烏兎匆々たり de tijd vliegt.

uchi

(内) zn. (1) [内部] binnenste o.; binnenkant o. (2) [家宅] huis o.; woning v. (3) [家族] familie v.; gezin o. (4) [夫] mijn man m. ¶ 内で thuis; binnenshuis; binnen. ¶ の中で onder; tusschen; in; te midden van. ¶ 内の者 mijn familie; mijn vrouw. ¶ 内に (在宅) thuis; in huis. ¶ の内に binnen. ¶ 今週の中に binnen deze week; van de week. ¶ 夜の中に gedurende de nacht. ¶ 時のたつ中に na verloop van tijd. ¶ 彈雨の中に onder een kogelregen. ¶ 近い中に eerstdaags; binnen kort. ¶ 若い中に in de jeugd; op jeugdigen leeftijd. ¶ 内ほどよい所はない oost west thuis best. ¶ 御主人はおうちですか is mijnheer thuis? ¶ 日の出ない中に vóór zonsopgang.

tsuyu梅雨

(梅雨) zn. regentijd m.; natte tijd m.

tsutomeageru勤上げる

(勤上げる) i.w. zijn tijd uitdienen.

tsutawaru傳はる

(伝はる) i.w. (1) [傳飛] uit overlevering bekend zijn. (2) [傳來] ingevoerd zijn. (3) [傳播] verspreid worden. ¶ 昔から傳はつた話 oude legende; overlevering. ¶ 音響の傳はる時間 tijd benoodigd voor de overbrenging van een geluid. ¶ 手から手へと傳はる van hand tot hand gaan. ¶ 後繼者に傳はる overgaan op de erfgenamen. ¶ 針金には電氣が傳はつてゐる er gaat stroom door de draden; de draden zijn electrisch geladen.

tsureru連れる

i.w. vergezeld zijn door; in gezelschap zijn van. t.w. medenemen; meebrengen. ¶ 連れて in gezelschap van; (比例) in verhouding tot; naar mate van; (伴奏) begeleid door; in samenspel met. ¶ 世に連れ met den geest des tijds. ¶ 犬を連れて散步する met zijn hond gaan wandelen. ¶ 三味に連れて踊る dansen op de muziek van de samisen. ¶ 人智の進步に連れて naar mate de algemeene ontwikkeling voortschrijdt.

tsukihi月日

zn. maanden en dagen; tijd m. ¶ 月日の經つのは早いものです wat vliegt de tijd! ¶ 月日を記す dateeren.

tsuiyasu費す

(費やす) t.w. (1) [支出] uitgeven; besteden. (2) [消費] verbruiken; verteren. (3) [浪費] verkwisten; verspillen. ¶ 無駄に時間を費す tijd verknoeien.

SUPPLEMENT (trefwoord)
etsuran閲覧
(zn.; suru-ww.) (boek, catalogus, etc.) inzien; bladeren; browsen; raadplegen; het [web, internet, bestanden op een computer] browsen [doorzoeken, raadplegen, etc.]; consulteren; inspecteren. ¶ 閲覧ソフト etsuran sofuto browser software; browser (cf. ブラウザー burauzaa). ¶ 閲覧室 etsuranshitsu leeszaal. ¶ 閲覧机 etsuranzukue (tafel of bureau om aan te lezen of studeren, zoals je in een bibliotheek zou kunnen aantreffen). ¶ 閲覧用目録 etsuranyō mokuroku publieke catalogus. ¶ ネット閲覧に費やす時間を減らそうと思うNetto etsuran ni tsuiyasu jikan wo harasō to omou. Ik ben van plan minder tijd aan internet besteden. (blog)
nan to ka何とか
(frase) (1) op de een of andere wijze; op een of andere manier; enigerlei wijze; het een of ander; dit of dat; zus of zo. ¶ なんとかそのテストに受かった。 Nan to ka sono tesuto ni ukatta. Op een of andere manier ben ik geslaagd voor de test. ¶ なんとか日曜日までに家賃を払わないといけない。 Nan to ka nichiyōbi made ni yachin wo harawanai to ikenai. Op een of andere manier moet ik uiterlijk zondag de huur betalen. ¶ はなんとか時間までそこに着いた。 Boku wa nan to ka jikan made ni soko ni tsuita. Op een of andere manier lukte het me om er op tijd te komen. ¶ 彼女はなんとかして世間体をつくろった。 Kanojo wa nan to ka shite sekentei wo tsukurotta. Op een of andere wijze wist ze haar gezicht te bewaren. (2) (in plaats van de naam van iets of iemand) zus of zo; je-weet-wel; nog wat; hoe-heet-hij [zij, het]-ook al weer; ding; dinges. ¶ 田中なんとかというから電話がありました。 Tanaka nan to ka to iu hito kara denwa ga arimashita. Er was een telefoontje van een Tanaka-nog-wat voor je. ¶ 事部長のなんとかさんが捜してたよ。 Jinji buchō no nan to ka-san ga sagashite ta yo. De manager van personeelszaken, hoe heet hij ook al weer, was naar je op zoek. (yamasv) (TTC)
TEKST EN UITLEG (trefwoord)
bron:The Tanaka Corpusふざけ
¶ こんなおふざけはいかにもベーカー氏らしい。 Konna ofuzake wa ika ni mo Bēkāshi rashii. Dat soort gekheid is typisch voor Meneer Baker. ¶ はふざけた調子でそう言った。 Kare wa fuzaketa chōshi de sō itta. Hij zei het op gekscherende toon. ¶ わたしたちは、さんざんふざけていたから、そろそろ仕事にとりかかる時だ。 Watashitachi wa, sanzan fuzakete ita kara, sorosoro shigoto ni torikakaru toki da. Aangezien we al een tijd hebben rondgedold wordt het zoetjesaan tijd om aan het werk te gaan.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <tijd>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
その頃 sonokoro destijds; in die dagen; tijd; periode; op zekere dag; op dat ogenblik; moment; toen; dan; toentertijd; toenmaals
シーズン shiizun seizoen; periode; tijd; [i.h.b.] hoogseizoen; [i.h.b.] drukke tijd; [i.h.b.] geschikte tijd
タイム taimu (1) tijd; (2) time-out; (3) [plantk.] tijm; Thymus
世紀 seiki (1) eeuw; [w.g.] century; (2) tijd; tijdperk; (3) [maatwoord voor eeuwen]
yo (1) mensenleven; leven; levensduur; levenstijd; generatie; (2) tijdperk; tijd; era; [i.h.b.] heerschappij; regering; (3) familiehoofdschap; patriarchaat; (4) [boeddh.] leven; bestaan; existentie; (5) [boeddh.] lekenbestaan; lekenwereld; seculiere; profane wereld; (6) samenleving; maatschappij; leven; wereld; (7) maatschappelijke positie; stand; (8) tijdsgeest; tijdstroom; trend; (9) levensonderhoud; kost; (10) periode; tijd; gelegenheid; moment; (11) land; rijk; (12) relatie; liaison; liefdesbetrekking
dai (1) tijd; generatie; [meton.] regeerperiode; regeringstijd; regering; bewind; beheer; (2) vervanging; substitutie; vervanger; compensatie; (3) plaatsvervanger; plaatsvervuller; remplaçant; substituant; substituut; opvolger; (4) prijs; waarde; kosten; tarief; -geld; -rekening; -nota; (5) [geol.] era; hoofdtijdperk van de geologische tijdschaal; (6) [Chin.gesch.] Daì [streek in het grensgebied van de huidige provincies Héběi 河北 en Shānxī 山西]; (7) [Chin.gesch.] Daì [door Tuòbá Yīlú 拓跋猗盧 gestichte Xiānbēi 鮮卑-staat (315-376)]; (8) dai [landmaat van 1;50 tan 段 (± 1.188 m²)]; (9) -ste; -de [rangtelwoordelijk suffix voor leiders en regeerders]; (10) [benaderende aanduiding van een periode of leeftijd]; (11) [adressering] ten behoeve van …; [afk.] t.b.v. …; (a) vervanging; aflossing; assistent-; adjunct-; vervangend; waarnemend; loco-; (b) ruilmiddel; prijs; (c) generatie; regeerperiode; (d) historische periode; tijdperk; de jaren …; de …-er jaren; (e) tienjarige periode; decennium; -tiger; -tigjarige
光陰 kouin (1) tijd; (2) licht en schaduw; zonneschijn en maneschijn
kou (a) schijnen; beschijnen; (b) licht; schittering; luister; (c) tijd; (d) toestand; uitzicht; (e) eer; roem
全盛期 zenseiki gouden tijdperk; tijd; eeuw; tijdperk van bloei; bloeiperiode; bloeitijd; glansperiode; glorietijd; gloriedagen; beste tijd; hoogtij; hoogtijdagen; finest hour; palmy days; meest glorieuze momenten
bun (1) deel; part; portie; (2) gedeelte; segment; (3) status; positie; plaats; stand; standing; hoedanigheid; capaciteit; (4) plicht; taak; (5) staat; omstandigheden; (6) veronderstelling; (7) soort; allooi; (8) enkel dat; (9) portie; dosis; hoeveelheid; (10) hoedanigheid; (11) -gehalte; (12) -tijd; (13) tiende; tiende deel; gedeelte; tien procent; (14) [oude lengtemaat] 0,1 sun 寸 [= ca. 3,03 mm]; (a) verdeling; opdeling; scheiding; (b) verduidelijking; (c) aftakking; apart deel; (d) bestanddeel; element; (e) tijdsgewricht; (f) attributie; plicht; (g) kwalificatie; hoedanigheid; positie; (h) staat; toestand; mate
koku (a) kerven; inkepen; graveren; (b) lettersnijden; blokdruk; (c) vinnig; intens; (d) maatstreep van een wateruurwerk; (e) tijd; (f) oude tijdmaat
年代 nendai (1) ouderdom; datering; datum [in de geschiedenis enz.]; jaartal; (2) periode; tijdvak; era; jaren [zeventig;tachtig enz.]; tijden; tijdperk; tijd; (3) generatie; jaargang
年月 toshitsuki (1) jaren en maanden; tijd; [in uitdr.] de tijd en het tij; (2) vele jaren; lange tijd
年月 nengetsu (1) jaren en maanden; tijd; [in uitdr.] de tijd en het tij; (2) vele jaren; lange tijd
年間 nenkan (1) jaar; jaarkring; (2) [Meiji-;Shōwa- enz.] periode; jaren; tijd; era; tijdperk
手間 tema (1) moeite; tijd; inspanning; arbeid; (2) arbeidsloon; tijdloon; uurloon; salaris; wedde [verkorting van temachin 手間賃]; (3) per uur betaald werk; (4) uurloner
日時 nichiji (1) dag en uur; datum; (2) aantal dagen en uren; tijd
sei (1) [Chin.astron.] Ster; Xīng [= één van de achtentwintig maanhuizen]; (a) ster; (b) tijd; tijdsverloop; (c) groot figuur; autoriteit
hoshi (1) ster; [lit.t.] star; (2) [meton.] jaar; tijd; (3) sterretje; [i.h.b.] asterisk; bolletje; (4) stip; vlekje; stippel; spikkel; plekje; [i.h.b.] bles; [i.h.b.] leukoom; oogparel; leucoma; (5) gesternte; gestarnte; iemands ster [die volgens de astrologie zijn lot bepaalt]; (6) roos; doelwit; (7) dader; schuldige; verdachte; (8) score (in een sumō-toernooi); [i.h.b.] winst- of verliespunt; (9) ster; star; coryfee
春秋 shunjuu (1) lente en herfst; (2) jaar; jaarperiode; (3) tijd; tijden; (4) leeftijd; levensjaren; [meton.] lentes; (5) geschiedboek; geschiedenisboek; annalen; (6) Lente- en Herfstannalen; Chūnqiū; (7) [Ch.gesch.] periode van Lente en Herfst (ca. 770-403 v.Chr.)
時代 jidai (1) de tijden; tijd; (2) tijdperk; periode; eeuw; tijdvak; era; epoque; (3) oude tijden; (4) [maatwoord voor tijdperken;periodes]
時分 jibun (1) periode; tijd; (2) juist moment; geschikt ogenblik; opportuniteit; gelegenheid; kans
時制 jisei [taalk.] tijd; tempus; tijdsvorm
時刻;時剋 jikoku tijd; uur; tijdstip
時勢 jisei trend; tijd; tijden; tijdgeest; zeitgeist; tijdstroom
時期 jiki (1) tijd; periode; seizoen; (2) tijd; timing; moment
時間 jikan (1) tijd; tijdruimte; spanne (tijds); tijdspanne; tijdsduur; tijdsbestek; [arch.] stond; [Lat.] tempus; [Lat.] hora; chrono-; (2) tijd; uur; [i.h.b.] lesuur; [i.h.b.] lestijd; (3) [maatwoord voor uren]
時;秋 toki (1) tijd; [arch.] stond; (2) tijd; periode; [i.h.b.] seizoen; (3) [in die] tijden; [in die] dagen; toenmalig; (4) allesbeslissend moment; kritiek punt; scharniermoment [spelling: toki 秋]; (5) kans; gunstige gelegenheid; gelegen tijd; (6) [spraakk.] tijd; tempus; (7) geval; keer; gelegenheid; moment; ogenblik; (8) toen; wanneer
月日 tsukihi (1) zon en maan; [fig.] gesternte; (2) maanden en dagen; tijd; een periode [van x jaar enz.]
ki (1) gelegenheid; kans; tijd; moment; opportuniteit; omstandigheden; juiste ogenblik; (2) machine; toestel; (werk)tuig; apparaat; installatie; (3) vliegtuig; toestel; [veroud.] vliegmachine; [w.g.] vliegtoestel; (4) [maatwoord voor vliegtuigen]
歳時 saiji (1) jaren en maanden; tijd; (2) jaargetijden; seizoenen
歳月 saigetsu tijd; jaren
sai (1) [astron.;zonnekalender] zonnejaar; astronomisch jaar; (2) [astron.;maankalender] maanjaar; (3) [maatwoord voor jaren en leeftijden]; (a) jaar; tijd; (b) leeftijd; ouderdom; (c) [landb.] jaaroogst; jaaropbrengst; (d) [astron.] Jupiter
shuu (a) herfst; (b) jaar; tijd
setsu (1) tijd; gelegenheid; keer; (2) principes; beginselen; stelregels; (3) alinea; paragraaf; afdeling; [lit.t.] strofe; couplet; stanza; (4) [spraakk.] zinsnede; passus; (5) [bijb.] vers; (6) segment; geleding
紀元 kigen tijdvak; tijdperk; eeuw; epoque; era; tijd; tijdrekening; jaartelling
締切り;締め切り;締切;閉め切り;閉切;〆切 shimekiri (1) deadline; tijdslimiet; tijdsbepaling; uiterste datum; tijd; termijn; afsluitdatum; sluitingsdatum; einddatum; eindtermijn; terminus ad quem; (2) gesloten; dichthouden! [als mededeling op briefje;deurplaat enz.]; (3) [mech.;waterst.] afsluiting; [scheepsb.] cofferdam
shin (1) [Chin.astrol.] draak; (a) [Chin.astrol.] draak; (b) tijd; datum; (c) hemellichaam; [i.h.b.] zon; maan en sterren
ma (1) ruimte; plaats; tussenruimte; interval; entre-deux; (2) vertrek; kamer; ruimte; (3) pauze; onderbreking; tijdsinterval; (4) tijd; moment; poos; (5) gelegenheid; kans; ruimte; [i.h.b.] geluk; (6) [muz.] maat; [i.h.b.] cesuur; rustpunt; [oneig.] ritme; tempo; timing
kiwa (1) (steile) rand; uiterste; kant; [niet alg.] boord; (2) tijd
giwa (1) -kant; tegen …; (2) -tijd; -moment; op het punt staand te …; de; het … nabij
koro (1) tijdstip; moment; tijd; (2) terwijl ~; gedurende de tijd dat ~; toen ~; ten tijde dat ~; (3) omstreeks ~; rond het tijdstip van ~
順番 junban (1) beurt; toerbeurt; tijd; (2) orde; volgorde; rangorde
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.36 sec. jiten.nl: 48 treffers, warandict: 43 treffers (zoekopdracht: 'tijd'). 
2005-2026