
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (trefwoord)
kiro・岐路
zn. splitsing van wegen. ¶ 岐路に入る afdwalen.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <afdwalen>
ずれる zureru (1) zich verplaatsen; (ver)schuiven; van zijn plaats raken; uit positie raken; scheef gaan; lopen; [i.h.b.] afschuiven; [i.h.b.] (af)glijden; [m.b.t. lading] werken; [i.c.m. 錨が] krabben; (2) afwijken; afdwalen; deviëren; uit de pas raken; uit zijn verband raken; [i.h.b.] werkelijkheidszin verliezen; [i.h.b.] uit de maat raken
削ぐ sogu (1) afpunten; punten; toppen; aftoppen; tippen; trimmen; aftippen; afknippen; bijknippen; afkappen; afsnijden; besnoeien; inkorten; [耳;鼻を] couperen; (2) [ゴボウを] schuins raspen; (3) [竹を] puntig maken; aanpunten; scherpen; spitsen; (4) [興を] temperen; drukken; bederven; vergallen; doen bekoelen; afzwakken; afstompen; smoren; [意欲を] benemen; [期待を] een domper zetten op; [気勢を] ontmoedigen; neerdrukken; (5) afkorten; bekorten; vereenvoudigen; (6) scherpen; scherp van lijn worden; (7) afwijken; afdwalen; ontaarden
枝道にそれる edamichinisoreru zich op zijwegen begeven; afdwalen; afwijken; de draad kwijtraken
流れる nagareru (1) stromen; vloeien; lopen; [form.] vlieten; biggelen [van tranen]; (2) wegspoelen; (door het water) meegevoerd worden; meedrijven; vlotten; (3) voorbijstromen; voorbijtrekken [b.v. van wolken]; kruien; overgaan; (4) circuleren [b.v. van praatjes]; rondgaan; (5) verstrijken [m.n. van tijd]; voorbijgaan; verglijden; verlopen; omgaan; [form.] vlieden; [form.] vervlieden; (6) zwalken; zwerven; dwalen; dolen; afdwalen; afwijken (van de juiste richting enz.); zich verlopen [in de wijn enz.]; zich [aan een ondeugd enz.] overleveren; [de verkeerde richting] uitgaan; (7) vervallen [m.n. van pandgoed]; verlopen; verbeurdverklaard worden; (8) [fig.] in het water vallen; afgelast worden; afgeblazen worden; niet doorgaan; (9) [van onvoldragen vrucht] ontijdig geboren worden; afdrijven
脱 datsu (1) ont-; de-; (a) uittrekken; afzetten; afwerpen; (b) verwijderen; wegnemen; (c) vergeten; bij verzuim weglaten; (d) missen; afdwalen; (e) ontkomen; vrij raken
脱線する dassensuru (1) ontsporen; derailleren; uit de rails raken; uit het spoor lopen; (2) afdwalen; afwijken; uitweiden; een zijsprong maken (naar); (3) uit de band springen; excentriek doen; kolderen; van de wijs raken; van het goede spoor raken; op een dwaalspoor raken; de verkeerde weg opgaan; het slechte pad opgaan
踏み外す fumihazusu (1) [階段を] zich verstappen; een verkeerde stap doen; misstappen; zich mistreden; (2) [正道を] van het rechte pad afraken; afdwalen; van de rechte weg afgaan; van de goede weg afwijken; het slechte pad opgaan; zich op het slechte pad begeven; afpadig raken; zijpaden opgaan; zijwegen bewandelen; dwalen; fouten maken; een misstap doen; in de fout gaan; een faux pas begaan; (3) falen; geen succes hebben; mislukken
迷う mayou (1) verdwalen; de weg kwijtraken; verdolen; de verkeerde weg opgaan; afdwalen; [i.h.b.] dwalen; dolen; afdolen; [w.g.;fig.] afpadig raken; [Belg.N.] verloren lopen; (2) niet weten wat men doen moet; dubben; aarzelen; in dubio staan; besluiteloos zijn; van streek zijn; twijfelen; weifelen; in verwarring verkeren; in de war gebracht zijn; het met zichzelf oneens zijn; op twee gedachten hinken; in tweestrijd staan; de kluts kwijt zijn; (3) bekoord worden; verleid worden; verblind zijn; verdwaasd zijn; zijn hoofd op hol laten brengen; (4) onverlost blijven; geen rust kennen; geen vrede vinden; ronddolen; rondwaren; ronddwalen
逸れる soreru (1) [doel enz.] missen; er naast gaan; schieten; (2) afdwalen; afbuigen; [i.c.m. 航路から] uit de koers raken; van richting; koers veranderen; een andere kant opgaan; afwijken; een wending nemen; [van de rechte weg enz.] afgaan; [i.h.b.] afslaan; [i.h.b.] (af)zwenken; [i.h.b.] afdraaien
逸脱する itsudatsusuru afwijken; afdwalen; afzwerven; deviëren; [w.g.] afdolen
離れる hanareru (1) afkomen; (zich) scheiden (van); zich afscheiden van; zich losmaken; gescheiden raken; uiteengaan; van elkaar gaan; afkomen van; losgaan; loskomen; losraken; loslaten; uiteenvallen; uit elkaar groeien; (2) verlaten; gaan (van); weggaan (uit); [arch.] heengaan (van); [i.h.b.] uitweiden; [i.h.b.] afdwalen; (3) uiteenliggen; af komen te liggen; af komen te staan; ontvallen; verwijderd raken
Tijd: 1.27 sec. jiten.nl: 4 treffers, warandict: 11 treffers (zoekopdracht: 'afdwalen').
2005-2026
