日蘭辭典+

30 resultaten voor ‘afgaan’
日蘭辭典 (trefwoord)
daiben大便
zn. ontlasting v.; stoelgang m.; faeces (羅典語); (俗) stront v.; poep v. ¶ 大便に行く naar de w.c. gaan; naar achteren gaan; zich verwijderen; (俗) gaan poepen. ¶ 大便をする ontlasting hebben; afgaan; (俗) poepen; (卑) schijten.
yōben用便

zn. afgang m.; stoelgang m.; ontlasting v. ¶ 用便する afgaan; behoeften doen.

tsūji通じ

zn. (1) [便通] ontlasting v.; afgang m.; stoelgang m. (2) [感應] uitwerking v. ¶ 通じがある ontlasting hebben; afgaan. ¶ 通じが止まる geconstipeerd zijn. ¶ 通じ藥 purgeermiddel; laxeermiddel.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <afgaan>
下りる oriru (1) afdalen; neerdalen; naar beneden komen; afgaan; zich naar beneden begeven; afklimmen; afklauteren; [馬から] van een paard stijgen; afkomen; afstijgen; afstappen; [幕が] vallen; (2) uit een voertuig stappen; uitstappen; uitstijgen; (3) [鳥が] na een vlucht zich neerzetten; neerstrijken; landen; (4) zich vormen; zich vertonen; [霜が] rijpen; [gew.] rijmen; [露が] dauwen; (5) een miskraam hebben; een abortus hebben; een expulsie hebben; (6) (uit het lichaam) afgescheiden worden; uitgescheiden worden; als excretie het lichaam verlaten; (7) (in het midden van iets) opgeven; ophouden; uitvallen; (8) [許可証が] verleend worden; uitgereikt worden; afgegeven worden; verstrekt worden; [Belg.N.] afgeleverd worden; [年金が] toegekend worden; toegestaan worden
下る kudaru (1) afdalen; naar beneden gaan; afkomen; (2) vallen; neerkomen; neerdalen; (3) [川を〜] afvaren; afdrijven; stroomafwaarts varen; gaan; afgaan; (4) [都から地方へ〜] gaan; het land op gaan; naar het platteland gaan; (5) [命令が〜] afkomen; gegeven worden; afgekondigd worden; uitgevaardigd worden; (6) diarree hebben; buikloop hebben; (7) zich terugtrekken; ontslag nemen; (8) achterstaan bij …; minder zijn dan …; (9) zich overgeven; zich gewonnen geven; de strijd opgeven; (10) nederig zijn; deemoedig zijn; ootmoedig zijn; (11) achteruitgaan; vervallen; aftakelen
出帆する shuppansuru [scheepv.] uitzeilen; wegzeilen; uitvaren; wegvaren; vertrekken; afgaan
別れる wakareru scheiden van; achterlaten; verlaten; weggaan; [van zijn;haar echtgenoot;echtgenote] afgaan; uiteengaan; heengaan; afscheid nemen; [fig.] goedendagzeggen
大便をする daiben'osuru z'n behoefte doen; ontlasting hebben; zich ontlasten; stoelgang hebben; defeceren; afgaan; poepen; z'n gevoeg doen
失敗する shippaisuru mislukken; falen; mislopen; misgaan; afketsen; geen succes hebben; niet slagen; het er slecht afbrengen; er slecht afkomen; [試験に] niet halen; zakken voor; afgaan; echec lijden; floppen; [劇が] vallen; fiasco lijden; er niets van terecht brengen; miskleunen; blunderen; een stommiteit begaan; zich lelijk vergissen; een stomme fout begaan; maken; in de fout gaan; een misstap doen; [uitdr.] een bok schieten; maken; [uitdr.] een flater slaan; begaan; [fig.] zich vergalopperen; [uitdr.;Barg.] een zeperd halen
引っ越す;引越す hikkosu verhuizen; [van een kamer;woning enz.] afgaan; wegtrekken (naar); opbreken; betrekken; intrekken bij; (bij iem.) zijn intrek nemen; [in een nieuw huis] trekken; [inform.] verkassen
弾ける hajikeru (1) openbarsten; barsten; opensplijten; openspringen; (2) uitbarsten; uiteenspatten; uiteenbarsten; uiteenstuiven; rondvliegen; ontploffen; afgaan; [fig.] overlopen van; (3) afrijpen; volle rijpheid bereiken
捥げる mogeru loskomen; losgaan; losraken; loslaten; afbreken; afgaan
排便する haibensuru zich ontlasten; z'n behoefte doen; stoelgang; ontlasting hebben; zich van zijn feces ontdoen; afgaan; defeceren; [inform.] kakken; poepen; bakken; drukken; een hoop doen; [volkst.] dirken; [euf.] een knijpbriefje afvaardigen; [vulg.] schijten; [猛禽が] smelten
排泄する;排洩する haisetsusuru lozen; afscheiden; uitscheiden; ontlasten; uitdrijven; afgaan
潰れる tsubureru (1) bezwijken; het begeven; instorten; ineenstorten; vermorzeld raken; verpletterd raken; platgedrukt raken; [m.b.t. blaren;steenpuisten enz.] barsten; (2) [m.b.t. plannen] mislukken; in duigen vallen; [m.b.t. bedrijven] ten onder gaan; te gronde gaan; teloorgaan; verloren gaan; naar de maan gaan; [i.h.b.] failliet gaan; failleren; bankroet gaan; crashen; [fig.] springen; [fig.] buitelen; [fig.] eronderdoor gaan; [uitdr.] op de fles gaan; [fig.] over de kop gaan; [fig.] de deuren sluiten; (3) [m.b.t. (gebruiks)voorwerpen] afslijten; slijten; versleten raken; [声が] z'n stem kwijtraken; (4) [m.b.t. iets nuttigs] verloren gaan (aan); verspild worden; verkwanseld worden; verkwist worden; vermorst worden; (5) [emotioneel] instorten; in elkaar klappen; inklappen; van de kaart raken; (6) [door dronkenschap] buiten westen raken; voor lijk gaan liggen; uitgeteld raken; (7) [顔が] gezichtsverlies lijden; afgaan
爆発する bakuhatsusuru (1) ontploffen; exploderen; uitbarsten; detoneren; ploffen; barsten; springen; [inform.] klappen; uiteenspringen; uiteenbarsten; uit elkaar barsten; in de lucht springen; in de lucht vliegen; afgaan; tot ontploffing komen; (2) uitbarsten; losbarsten; uitvallen (tegen); uitbreken; ontsteken in; ontbranden in; ontvlammen in
爆破する bakuhasuru opblazen; doen exploderen; laten ontploffen; laten springen; afgaan; tot ontploffing brengen; in de lucht laten vliegen; uit elkaar doen springen; [機雷を] vegen
男を下げる otokōsageru z'n gezicht verliezen; afgaan; zich te schande maken; zich schande aandoen
破裂する haretsusuru ontploffen; afgaan; springen; barsten; ploffen
船出する funadesuru [scheepv.] uitvaren; wegvaren; vertrekken; afgaan
落ちる ochiru (1) vallen; ten val komen; neerstorten; neerdonderen; in het stof bijten; tuimelen; duiken; een duik nemen; (2) omvallen; invallen; instorten; neerstorten; in elkaar vallen; in elkaar storten; (3) [m.b.t. zon;maan etc.] ondergaan; achter de horizon verdwijnen; zakken; (4) niet slagen (bij een examen); struikelen; zakken; stralen; bakken; buizen; falen; sjezen; afgaan; (5) weglaten; uitvallen; achterwege laten; ontbreken; niet gebruiken; (6) verkleuren; verschieten; verbleken; bleek worden; vervalen; valer worden; (7) in de handen van de vijand vallen; ingenomen worden; vallen; raken bij; verloren gaan; te gronde gaan; (8) [m.b.t. een druppel) druppen;druppelen;in druppels neervallen;druipen;(9) vluchten;ontvluchten;de vlucht nemen;het hazenpad kiezen;de plaat poetsen;de benen nemen;er vandoor gaan;op de loop gaan;(10) terugvallen;achteruitgaan;een neerwaartse trend vertonen;een dalende trend vertonen;naar een ongunstige positie afzakken;(11) inferieur zijn;achterstaan bij;niet zo goed zijn als;minder zijn dan;niet kunnen tippen aan;(12) [m.b.t. wind) luwen;gaan liggen;bedaren;kalmer worden;verzachten;(13) [m.b.t. rivier;stroom etc.] uitmonden in; instromen in; uitlopen in; (14) [m.b.t. bliksem) inslaan;treffen;(15) [m.b.t. vissen] stroomafwaarts gaan; stroomafwaarts zwemmen; (16) flauwvallen; bewusteloos vallen; het bewustzijn verliezen; van zijn stokje vallen; van zijn stokje gaan; bezwijmen; sterven; doodgaan; overlijden; ontslapen; heengaan
行く;往く;逝く iku (1) gaan; lopen; wandelen; zich begeven naar; aangaan op; (2) naar wens lopen; lekker lopen; goed werken; succesvol zijn; (3) sterven; overlijden; heengaan; (4) klaarkomen; afgaan
行く;往く;逝く yuku (1) gaan; zich bewegen naar; zich begeven; stevenen; koersen; koers zetten; aangaan op; tijgen; varen; treden; trekken; [m.b.t. wegen] leiden; voeren; (2) komen; aankomen; arriveren; bereiken; bezoeken; aandoen; langskomen; (3) langsgaan; passeren; voorbijgaan; vlieden; vervlieden; verstrijken; verlopen; langskomen; langstrekken; voorbijlopen; wegstromen; vlieten; overwaaien; verdwijnen; (4) heengaan; sterven; verscheiden; verlaten; vertrekken; weggaan; afreizen; afvaren; (5) [als bruid;schoonzoon;adoptiekind enz.] toetreden tot haar; zijn nieuwe familie; (6) genoegen vinden; tevreden zijn; vergenoegd zijn; (7) vooruitgaan; vorderen; voortgaan; opschieten; gedaan worden; uitgevoerd worden; toegepast worden; vallen; uitvallen; uitpakken; aflopen; (8) ontstaan; opleveren; resulteren in; brengen; (9) komen; klaarkomen; [volkst.] aan zijn gerief komen; een orgasme krijgen; afgaan; [volkst.;m.b.t. mannen] schieten; (10) blijven ~ [drukt voortduring;voortgang van een handeling of toestand uit]
褪せる aseru (1) verfletsen; flets; fletser worden; z'n kleur verliezen; ontkleuren; verkleuren; verschieten; verbleken; vervagen; [gew.] afgaan; [veroud.;gew.] verschijnen; (2) [fig.] tanen; in glans achteruitgaan; afnemen; verflauwen; wegkwijnen
褪める sameru verfletsen; flets; fletser worden; verkleuren; verschieten; verbleken; bleek worden; vervagen; [veroud.;gew.] verschijnen; [gew.] afgaan
退場する taijōsuru aftreden; afgaan; van het toneel verdwijnen; [uit protest] opstappen; weglopen
退学する taigakusuru (voortijdig; vroegtijdig) de school; hogeschool; universiteit verlaten; (voortijdig; vroegtijdig) van school gaan; afgaan; z'n studie opgeven; de school niet afmaken
逸れる soreru (1) [doel enz.] missen; er naast gaan; schieten; (2) afdwalen; afbuigen; [i.c.m. 航路から] uit de koers raken; van richting; koers veranderen; een andere kant opgaan; afwijken; een wending nemen; [van de rechte weg enz.] afgaan; [i.h.b.] afslaan; [i.h.b.] (af)zwenken; [i.h.b.] afdraaien
面子を失う mentsuōshinau z'n gezicht verliezen; z'n prestige verliezen; erbij inboeten; afgaan; gezichtsverlies lijden
面目を失う menbokuōshinau z'n gezicht verliezen; afgaan; gezichtsverlies lijden; inleveren; z'n prestige verliezen; van z'n reputatie inboeten; [Belg.N.] van z'n pluimen verliezen; laten
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.57 sec. jiten.nl: 3 treffers, warandict: 27 treffers (zoekopdracht: 'afgaan'). 
2005-2026