日蘭辭典+

120 resultaten voor ‘gaan’
日蘭辭典 (trefwoord)
omomuku赴く
i.w. (1) [行く] gaan; zich begeven naar. (2) [なる、傾く] worden; neiging hebben. ¶ 快方に赴く aan de beterende hand zijn; herstellende zijn; beter worden. ¶ 援助赴く gaan helpen; te hulp komen. ¶ 風潮の赴く de richting van den stroom; de geest des tijds.
irassharuいらっしゃる
i.w. (1) [居る在る] zijn. (2) [行く] gaan. (3) [來る] komen. ¶ いらっしゃい kom binnen. ¶ よくいらっしゃいました welkom. ¶ どこへいらっしゃるのですか waar gaat u heen? ¶ 山田樣は在らっしゃいますか is mijnheer Yamada thuis?
amaru餘る
(余る) i.w. (1) [殘る] overblijven; te boven gaan; overschieten; resteeren. (2) [目に餘る] te groot om te overzien (餘り大きい); niet om aan te zien (餘りひどい). ¶ 力に餘る boven zijn krachten; boven zijn macht. ¶ 手に餘る niet te bedwingen; niet aankunnen; niet opgewassen zijn tegen.
aruku步く
(歩く) i.w. wandelen. ¶ 步いて行く wandelen; te voet gaan. ¶ そろそろ步く langzaam loopen; drentelen. ¶ よちよち步く waggelen. ¶ よろめき步く strompelen. ¶ 街(路)を步く op straat loopen;
agarisagari上り下り
(上がり下がり) zn. rijzing en daling; schommeling v.; wisseling v.; fluctuatie v. ¶ 上り下りする schommelen; op en neer gaan.
jiten自轉
(自転) zn. omwenteling v. ¶ 自轉する zich wentelen; omwentelen. ¶ 自轉車 fiets; rijwiel. ¶ 自轉車乘 fietser; wielrijder. ¶ 自轉車競走 wielerwedstrijd. ¶ 自轉車に乘る wiel rijden; fietsen. ¶ 自轉車で行く per fiets gaan; op de fiets gaan.
ai
vnw. elkander; elkaar; mekaar; bn. wederzijdsch; bw. wederzijds; over en weer; tezamen; samen. ¶ 相信じる elkaar vertrouwen. ¶ 相竝んで行く tezamen gaan.
akeruあける
(開ける・空ける) t.w. (1) [開く] openen; opendoen; openmaken; ontsluiten; openleggen. (2) [空にする] ledigen; ontruimen. ¶ 二行をづつあける twee regels openlaten; twee regels overslaan. (3) [穴を] een gat boren. (4) [道を] uit den weg gaan. (5) [家を] ontruimen (借家を明拂ふ).
yakusha役者
zn. tooneelspeler m.; acteur m. (女) tooneelspeelster v.; actrice v. ¶ 素人役者 amateur-tooneelspeler. ¶ 役者になる bij het tooneel gaan.
yarisugiru遣過ぎる
(遣り過ぎる) t.w. te veel doen; te veel geven; i.w. te ver gaan.
yarisugosu遣過ごす
(遣り過ごす) t.w. voor laten gaan; laten passeeren. ¶ 機會を遣過ごす gelegenheid laten voorbijgaan.
ya
zn. veld. ¶ 野に在る niet in gouvernementsdienst zijn; geen functie hebben. ¶ 野に下る uit dienst gaan; aftreden.
de
vw. en; wel ...... ; dus; toen. ¶ では行かなかった en toen ben ik niet gegaan. ¶ で何様しようと云ふのか wel, wat denk je nu te gaan doen?
tsuri
zn. (1) [釣魚] hengelen o.; visschen o. (2) [釣銭] wisselgeld o. ¶ 釣に行く gaan visschen. ¶ 釣をする hengelen; visschen.
soto
zn. buitenkant m. ¶ buiten; buitenshuis. ¶ より見る door het raam naar buiten kijken. ¶ 食事する buitenshuis eten. ¶ 出る naar buiten gaan.
kuru來る
(来る) i.w. komen. ¶ 歸って來る terugkomen. ¶ ついて來る meekomen. ¶ 生れて來る ontstaan (發生); geboren worden (出生). ¶ 來る來るも elken dag. ¶ 行って來る gaan. ¶ 取って來る halen. ¶ が降って來る het begint te regenen.
ubau奪ふ

(奪う) t.w. rooven; ontrukken; wegpakken; ontnemen. ¶ 奪ひ去る er van door gaan met. ¶ 王位を奪ふ van den troon stooten. ¶ を奪はれる door een vrouw betooverd zijn.

haiyū俳優
zn. tooneelspeler m.; acteur m.; (女) tooneelspeelster v.; actrice v. ¶ 俳優となる bij het tooneel gaan.
daiben大便
zn. ontlasting v.; stoelgang m.; faeces (羅典語); (俗) stront v.; poep v. ¶ 大便に行く naar de w.c. gaan; naar achteren gaan; zich verwijderen; (俗) gaan poepen. ¶ 大便をする ontlasting hebben; afgaan; (俗) poepen; (卑) schijten.
sakadatsu逆立つ
i.w. overeind gaan staan. ¶ が逆立った de haren rezen te berge.
gomen御免
zn. (uw) vergunning v.; (uw) vergiffenis v.; (uw) verlof o. ¶ 御免なさい vergeef mij; neem me niet kwalijk. ¶ 一寸御免下さい wil mij een oogenblik excuseeren. ¶ これで御免を蒙ります ik moet nu eens afscheid gaan nemen. ¶ そんなもう御免だ zulke praatjes wensch ik niet te hooren; verschoon mij van zulke praatjes.
haietsu拜謁
(拝謁) zn. audientie v. ¶ 拜謁する op audientie gaan bij den keizer; in gehoor ontvangen worden.
ekken越權
(越権) zn. overschrijding van macht. ¶ 越權のやる buiten zijn bevoegdheid gaan; (俗) buiten zijn boekje gaan.
essuru謁する
(謁する) i.w. ten gehoore ontvangen worden door; op audientie gaan bij.
hazu
(はず) zn. noodzakelijkheid v.; wenschelijkheid v.; verplichting v. ¶ 行く筈だ ik dien wel te gaan; ik behoor te gaan. ¶ 知らぬ筈はない hij behoort het te weten. ¶ が晚餐に來る筈だ ik krijg mijn moeder te eten; mijn moeder komt vanavond eten. ¶ ひとりでにこはれる筈はない het kan niet vanzelf gebroken zijn.
ugoku動く
i.w. (1) [動く] bewegen; zich bewegen. (2) [移動] van plaats veranderen; zich verplaatsen. (3) [運轉] loopen; gaan; werken. (4) [變動] veranderen; zich wijzigen. (5) [搖ぐ] schommelen; schudden. (6) [感ずる] geroerd worden; getroffen zijn. ¶ 動かざる onbewegelijk; roerloos; (の) onbewogen; onverschillig. ¶ 動かざる泰山の如し rotsvast; onwankelbaar. ¶ 一寸も動かない er wordt niets verkocht. ¶ 時計が動かなくなった het horloge staat stil. ¶ 一寸も動くことならぬぞ verroer je niet!; blijf stokstil staan!
suke
dame駄目

zn. onmogelijkheid v; nutteloosheid v.; bn. vergeefsch; nutteloos; onbruikbaar; onmogelijk. ¶ 駄目にする bederven; onbruikbaar maken. ¶ 駄目になる mislukken; nutteloos zijn; vergeeefsch zijn. ¶ やって見ても駄目だ we behoeven het niet eens te probeeren. ¶ それは駄目だ dat lukt niet; dat zal niet gaan; dat kan niet; dat mag niet. ¶ もう駄目だ het loopt mis het hem; er is geen hoop meer voor hem. ¶ とても駄目だから諦めなさい daar er toch niets meer aan te doen is, moet er nu maar in berusten.

kusaru腐る

i.w. bederven; verrotten; rotten; tot ontbinding overgaan. ¶ 腐り易い onderhevig aan bederf. ¶ が腐る ontmoedigd zijn; den moed laten zinken. ¶ 死體が腐りかかってゐる het lijk begint in staat van ontbinding over te gaan. ¶ 牛乳が腐って居る de melk is verzuurd.

nekorobu寢轉ぶ

i.w. gaan liggen.

taiho退步

zn. achteruitgang m. ¶ 退步する achteruit gaan. ¶ 進步が止んだは退步の初めだ stilstand is achteruitgang.

koshi
zn. lendenen v.mv.; middel o.; heup v.; steel (¶ コツ ¶ プの) m. ¶ 腰¶ の低い nederig; beleefd. ¶ 腰¶ を掛ける gaan zitten. ¶ 腰¶ を折る ontmoedigd zijn.
koshikakeru腰掛ける
kōshin後進

zn. (1) [後輩] jongeren m.mv.; nakomelingen v. mv. (2) [逆進] achterwaartsche gang m. ¶ 船を後進させる het schip achteruit laten gaan.

kōso控訴

zn. appel o. ¶ 控訴する appel aanteekenen; in appel gaan. ¶ 控訴院 Hof van Appèl. ¶ 控訴人 appellant.

zn. (1) [天空] lucht v.; hemel m. (2) [空虛] ledigheid v. (3) [眞空] vacuum o.; luchtledigheid o. (4) [幻想] ijdelheid v.; ijdele waan m. ¶ 空に上る in de lucht opstijgen; de lucht in gaan. ¶ 空な ledig; ijdel; zinnenloos; doelloos; zinledig. ¶ 空な話 zinledige geklets; ijdele woorden. ¶ 一切空 alles is ijdelheid. ¶ 空に te vergeefs; voor niets. ¶ 空の空 ijdelheid der ijdelheden.

kudakeru碎ける

(砕ける) i.w. (1) [破碎] breken; kapot gaan; uit elkaar vallen; instorten. (2) [さばける] beminnelijk zijn; minzaam zijn. ¶ 碎けて出る minzaam spreken. ¶ 碎けて言へば ronduit gezegd. ¶ 當つて碎けろ wagen; het gevaar loopen.

kudaru下る、降る

i.w. (1) [おりる] afdalen; afstijgen; afstappen (下降); vallen; neerkomen. (2) [命令が] afkomen. (3) [劣る] achterstaan bij; minder zijn dan. (4) [下痢] diarrhee hebben; loslijvig zijn. (5) [降參] zich overgeven; toegeven. (6) [引退] zich terugtrekken; ontslag nemen. (7) [都から田舍に行く] naar buiten gaan; het land op gaan. ¶ 天より下る uit den hemel nederdalen. ¶ 馬背より下る van het paard stijgen. ¶ 命令が下つた het bevel is afgekomen.

kudasu下す、降す

t.w. (1) [おろす] neerlaten; naar beneden laten gaan. (2) [與へる] geven; schenken. (3) [命令] uitvaardigen. (4) [敵を] ten onder brengen. i.w. (5) [腹を] purgeeren; laxeeren. ¶ 讀み下す doorlezen. ¶ 書き下す neerschrijven. ¶ 品質を下す kwaliteit verminderen. ¶ 川に筏を下す een vlot de rivier laten afzakken.

kuguru潛る

i.w. (1) [水中を] duiken. (2) [門等を] door...... gaan; ontsnappen (免れる). t.w. passeeren. ¶ 垣根を潜つて入る door een heg naar binnen kruipen. ¶ 法網を潜る door de mazen van de wet kruipen.

kuichigai喰違

zn. (1) [矛盾] tegenstrijdigheid v.; inconsequentie v. (2) [道の] wegkruising v. ¶ 喰違ふ in strijd zijn met; niet overeenkomen met; dwars gaan tegen; kruisen.

zenshin前進

zn. opmarsch m.; vordering v.; vooruitgang m. ¶ 前進門 voorpost. ¶ 前進する vooruitkomen; voorwaarts gaan; vorderen; opmarcheeren.

zen

zn. dientafeltje o.; gerecht o.; disch m. ¶ 膳に附く gaan eten; aan tafel gaan. ¶ 膳が出た het eten is opgediend. ¶ 箸一膳 een stel eetstokjes. ¶ 膳を摒る eten klaar zetten; naar een man hengelen (女が).

za-suru座する

i.w. gaan zitten.

zanpatsu散髮

(散髪) zn. haarknippen o. ¶ 散髮に行く zijn haren gaan laten knippen.

yūryō遊獵

(遊猟) zn. jacht v.; jachtvermaak o. ¶ 遊獵する jagen; op jacht gaan. ¶ 遊獵免狀 jachtakte. ¶ 遊獵家 jager.

yusan遊山

zn. pleiziertocht m.; buitenpartij v.; picnic o. ¶ 遊山する naar buiten gaan; een picnic houden.

yushi諭旨

zn. officieele waarschuwing v.; advies om ontslag te nemen; (俗) boterbriefje o. ¶ 諭旨退學される aanzegging krijgen om van school af te gaan.

yūōmaishin勇往邁進

zn. onvervaard optreden o. ¶ 勇往邁進する onvervaard voorwaarts gaan.

yukisugiru行過ぎる

i.w. te ver gaan; passeeren; zijn doel voorbijschieten.

yukizumari行詰り
yukitatsu行立つ
yuku行く

i.w. (1) [赴く] gaan; zich begeven naar. (2) [逝く] sterven. (3) [步く] wandelen; loopen. ¶ 外國に行く naar het buitenland gaan. ¶ 行け ga weg! ¶ と一緒に行く vergezellen; meegaan met. ¶ 本通を行く de hoofdstraat volgen. ¶ 同じ道を行く denzelfden weg gaan.

yukikai行交

(行き交い) zn. komen en gaan; verkeer o. ¶ 行交ふ komen en gaan; heen en weer gaan; verkeeren.

yukiki往來

(往来) zn. (1) [行交] verkeer o. (2) [交際] omgang m. ¶ 往來する komen en gaan; verkeeren; omgaan; omgang hebben.

yūgaku遊學

(遊学) ¶ 遊學する elders gaan studeeren.

yōsuru-ni要するに

bw. om kort te gaan; in het kort komt het hierop neer.

yorisou寄添ふ
yome

zn. bruid v.; jonge vrouw v.; schoondochter (息子の妻) v. ¶ 嫁を取る gaan trouwen. ¶ 嫁にやる uithuwelijken; ten huwelijk geven.

yokotaeru橫たへる

(横たへる) t.w. zijwaarts plaatsen; dwars leggen. ¶ 身を橫へる gaan liggen.

yoko

(横) zn. zijde v.; flank v.; breedte v.; wijdte v.; dwarsrichting v. ¶ 橫の dwars; horizontaal. ¶ 橫に over dwars; in de breedte; zijwaarts. ¶ 橫に切る dwars doorsnijden. ¶ 橫に線を引く horizontale lijn trekken. ¶ 橫になる gaan liggen. ¶ 橫にする neerleggen. ¶ 橫から van ter zijde. ¶ 橫から口を出すな bemoei je er niet mee.

yōkō洋行

zn. (1) [外國行] buitenlandsche reis v. (2) [店舖] buitenlandsche firma v. ¶ 洋行する naar het buitenland gaan; buitenlandsche reis maken.

yokeru避ける

i.w. ontloopen; t.w. vermijden; ontwijken; i.w. uit den weg gaan voor; schuilen tegen.

yoine suru宵寢する

(宵寝する) i.w. vroeg naar bed gaan.

yoi好い

bn. (1) [善良] goed. (2) [より良い] beter. (3) [美なる] mooi; fraai. (4) [好ましい] lief; aangenaam; prettig. (5) [十分] voldoende. (6) [正しい] juist; oprecht. (7) [許可] geoorloofd. i.w. (8) [構はぬ] komt er niet op aan; doet er niet toe; laat maar. ¶ 好い天氣 mooi weer. ¶ 胃によい goed voor de maag. ¶ しなくてもよい niet noodig om te doen; onnoodig. ¶ よい樣にする doen als men wil; eigen zin volgen. ¶ 外出してもよいか mag ik uitgaan? ¶ 今日來ればよいが ik hoop maar, dat hij vandaag komt. ¶ 君と一緒に行つてもよい ik heb er geen bezwaar tegen met je mee te gaan.

zn. (1) [要點] de hoofdzaak v.; het voornaamste o. (2) [必要] noodzakelijkheid v. (3) [祕訣] geheim o. ¶ 要は om kort te gaan. ¶ 要するに het komt hierop neer, dat ……; om kort te gaan.

yoakashi夜明かし

zn. nachtwake v. ¶ 夜明しする den geheelen nacht op blijven; niet gaan slapen.

yasumu休む

i.w. (1) [休息] rusten. t.w. (2) [中止] ophouden; stoppen; pauzeeren. i.w. (3) [缺席] afwezig zijn. (4) [就寢] naar bed gaan; gaan slapen. ¶ 一日休む een dag vacantie nemen. ¶ 仕事を休む rusten van den arbeid. ¶ お休みなさい wel te rusten!; slaap lekker! ¶ 休め rust! ¶ 休む間もない geen tijd om te rusten.

wazurai患,煩

zn. (1) [病] ziekte v. (2) [惱み] beproeving v.; bezoeking v.; leed o.; smart v. (3) [面倒] moeilijkheden v.mv. ¶ 煩ふ lijden; zich bezorgd maken; gebukt gaan onder.

waki

zn. (1) [胸] zijde van de borst. (2) [側] kant m. bw. (3) [他所] elders. ¶ 脇に行く op zijde gaan. ¶ 脇の zijdelingsch; ander; van ter zijde; van den anderen kant. ¶ 脇に(そばに) naast; ter zijde van; op zijde; (腋下に) onder den arm; in de zijde. ¶ 脇に寄る op zij gaan. ¶ 脇へ座る naast iemand gaan zitten. ¶ 脇に抱へる onder den arm dragen. ¶ 人を脇へ連れて行く iemand ter zijde nemen. ¶ 話を脇へそらす het gesprek op een ander onderwerp brengen. ¶ 流を脇へ向ける stroom afleiden. ¶ 脇の目で見る als omstander aanzien; van ter zijde zien.

wagata輪形

zn. kring m.; cirkel m. ¶ 輪形に竝ぶ in een kring gaan staan.

ure

(売) zn. afzet m.; vraag v. ¶ 賣がよい vlot verkocht worden; veel gevraagd worden; zeer gewild zijn; goeden afzet vinden. ¶ 賣れ足が早い vlot van de hand gaan. ¶ 賣れ足の早い品物 gewild artikel. ¶ 賣高 verkochte aantal.

uramuうらむ

i.w. (1) [怨む] wrok koesteren; vijandig gezind zijn; t.w. kwalijk nemen; haten. (2) [憾む] betreuren; i.w. spijt hebben. ¶ 無情を怨む zich ergeren over iemand’s hardvochtigheid. ¶ 機を失したるを恨む ik heb het land, dat ik de gelegenheid voorbij heb laten gaan.

undō運動

zn. (1) [運轉] beweging v. (2) [身體の] lichaamsoefening v.; sport v. (3) [散步] wandeling v. ¶ 運動に出掛ける een beetje beweging gaan nemen; een eindje omstappen. ¶ 運動する in beweging zijn; beweging nemen; zich bewegen; bewegen; (奔走) zich moeite geven voor. ¶ 投票を得る爲區內を運動する een district bewerken om stemmen te krijgen. ¶ 運動服 sportcostuum; trui. ¶ 運動場 sportterrein. ¶ 運動家 athleet. ¶ 運動會 sportvereeniging (協會); gymnastiek-uitvoering (學校等の). ¶ 運動量 vaart; snelheid; beweegkracht. ¶ 運動性 bewegelijkheid. ¶ 運動者 agitator; verkiezingsagent (選擧の); propagandist. ¶ 運動神經 bewegingszenuw.

ume

(梅) zn. pruimeboom m.; pruim (實) v. ¶ 梅の花 pruimebloesem. ¶ 梅を探る naar de bloeiende pruimeboomen gaan kijken.

ukaberu浮べる

t.w. (1) [水に] laten drijven; laten varen. (2) [涙を] in de oogen krijgen. i.w. (3) [思浮べる] zich herinneren. ¶ 船を浮べる gaan roeien.

uchisugiru打過ぎる

(打ちすぎる) i.w. te ver gaan; voorbijgaan. ¶ 御無沙汰に打過ぎ申御容赦被下度 vergeef mijn al te lang stilzwijgen.

tsuzumeru約める

t.w. (1) [減少] verminderen; inkrimpen; beperken. (2) [簡約] in ’t kort samenvatten; resumeeren; beknopter mededeelen. ¶ 約めて言へば in ’t kort gezegd; om kort te gaan.

tsutau傳ふ

(伝う) i.w. gaan langs. ¶ を傳つてゆく langs den dijk loopen. ¶ 鳶葛を傳つて下りる langs het klimop naar beneden klauteren.

tsutawaru傳はる

(伝はる) i.w. (1) [傳飛] uit overlevering bekend zijn. (2) [傳來] ingevoerd zijn. (3) [傳播] verspreid worden. ¶ 昔から傳はつた話 oude legende; overlevering. ¶ 音響の傳はる時間 tijd benoodigd voor de overbrenging van een geluid. ¶ 手から手へと傳はる van hand tot hand gaan. ¶ 後繼者に傳はる overgaan op de erfgenamen. ¶ 針金には電氣が傳はつてゐる er gaat stroom door de draden; de draden zijn electrisch geladen.

tsureru連れる

i.w. vergezeld zijn door; in gezelschap zijn van. t.w. medenemen; meebrengen. ¶ 連れて in gezelschap van; (比例) in verhouding tot; naar mate van; (伴奏) begeleid door; in samenspel met. ¶ 世に連れ met den geest des tijds. ¶ 犬を連れて散步する met zijn hond gaan wandelen. ¶ 三味に連れて踊る dansen op de muziek van de samisen. ¶ 人智の進步に連れて naar mate de algemeene ontwikkeling voortschrijdt.

tsuredasu連出す

(連れ出す) t.w. meelokken; overhalen om mee uit te gaan.

tsumeru詰める

t.w. (1) [閉塞する] versperren; afsluiten; blokkeeren. (2) [詰塞ぐ] opvullen; volstoppen; dichtstoppen. i.w. (3) [間を] opschikken; dichter opeen gaan zitten; (4) [押入る] dringen. t.w. (5) [短縮] inkrimpen; verkorten; verminderen. i.w. (6) [將棋] schaakmat zetten. ¶ 耳に綿を詰める watten in de ooren stoppen. ¶ 詰めて書く dicht op elkaar schrijven. ¶ 著物を詰める jas innemen. ¶ どうぞ今少しお詰め下さい wil u als het u belieft wat opschuiven; verzoeke wat op te schikken.

tsumamu撮む

t.w. (1) [指で] knijpen; tusschen duim en vinger grijpen; oppikken. (2) [摘要] samenvatten; resumeeren; beknopt weergeven. (3) [ばかす] beheksen; betooveren. ¶ 摘んで言へば in ’t kort gezegd; om kort te gaan. ¶ 箸で撮む met de eetstokjes oppikken.

tsumari詰り

(詰まり) zn. einde o.; bw. ten slotte; waar het op neerkomt; eigenlijk; om kort te gaan; in ’t kort.

tsukuru作る

t.w. (1) [製作] maken; vervaardigen. (2) [構成] vormen. (3) [建設] bouwen. (4) [耕作] bebouwen; bewerken. (5) [培養] verbouwen; telen. ¶ 木で造る van hout maken. ¶ 酒を造る arak stoken; sake brouwen. ¶ 野菜を作る groenten kweeken. ¶ 財產を作る fortuin maken; rijk worden. ¶ 顏を作る toilet maken; zich werven en poeieren. ¶ 列を作る een rij vormen; in ’t gelid gaan staan. ¶ 家庭を作る huishouden opzetten. ¶ 罪を作る zonde begaan.

tsuku就く

t.w. (1) [就任] nemen; aanvaarden; i.w. (2) [著席] gaan zitten. (3) [師に] les nemen van; studeeren onder. ¶ 席に就く plaats nemen. ¶ 官途に就く in gouvernementsdienst gaan; ambtenaar worden. ¶ 寢に就く naar bed gaan. ¶ 僧職に就く priester worden.

tsūkin通勤

(通勤) zn. gang naar kantoor; vervulling van de dagtaak. ¶ 通勤する naar kantoor gaan; niet bij zijn werk wonen.

tsukeagaru附上る

(付け上がる) i.w. prat gaan op; zich laten voorstaan op; misbruik maken van.

tsūkan通觀

(通観) zn. blik m.; beschouwing o. ¶ 通觀する beschouwen; blik slaan; oog laten gaan over.

tsūgaku通學

(通学) zn. schoolbezoek o. ¶ 通學生 dagleerling. ¶ 通學する school bezoeken; geregeld naar school gaan.

SUPPLEMENT (trefwoord)
shikata ga nai仕方がない
(uitdr.) niet anders kunnen dan…; het is onvermijdelijk dat…; niet kunnen verdragen dat…; niets aan kunnen doen dat…. NB Na de attributieve vorm (連体形) van een werkwoord volgt steevast より yori. ¶ 仕方ないよ。 Shikata ga nai yo. We hebben geen keus.; Er valt niets aan te doen.; Niks aan te doen. (TTC) ¶ 今日は月曜日なのに、日曜日のような気がして仕方ないKyō wa getsuyōbi na no ni, nichiyōbi no you na ki ga shite shikata ga nai. Hoewel het maandag is kan ik het gevoel dat het zondag is maar niet kwijtraken. (TTC) ¶ 待つより仕方ないKare wo matsu yori shikata ga nai. We kunnen alleen maar op hem wachten. やめるほか仕方ないKare wa yameru hoka shikata ga nai. Hij had geen nadere keuze dan af te treden. (TTC) ¶ の計画に同意するよりほかに仕方ないKare no keikaku wo dōisuru yori haka ni shikata ga nai. We hebben geen andere keuze dan in te stemmen met zijn plan. (TTC) ¶ 私たちはこのままやっていくより仕方ないWatachitachi wa kono mama yatte iku yori shikata ga nai. We kunnen alleen maar (op gelijke wijze) doorgaan. (TTC) ¶ 行くより他に仕方ないIku yori hoka ni shikata ga nai. We hebben geen andere keus dan te gaan.; We moeten wel gaan. そんなに健康こと心配しても仕方ないSonna ni kenkō no koto wo shinpaishite mo shikata ga nai. Het heeft geen zin je zoveel zorgen te maken over je gezondheid. (TTC) ¶ 彼女はうれしくてうれしくて仕方ないKanojo wa ureshikute ureshikute shikata ga nai. Ze was dolblij. (TTC)
kakudai拡大
zn. uitbreiding; vergroting; expansie; toename in omvang of aantal; verbreding. ¶ 拡大する kakudaisuru uitbreiden; vergroten; expanderen; toenemen; verbreden. ¶ 市場拡大 shijō kakudai marktvergroting. ¶ 投資拡大 tōshi kakudai toename in investeringen. ¶ 軍事拡大 gunji kakudai militaire expansie. 急拡大 kyūkakudai een plotse toename; een boom. ¶ 東方拡大 tōhō kakudai oostwaarste expansie. ¶ 需要拡大 jukyō kakudai een toename in vraag. 拡大された kakudaisareta vergroot; 拡大図 kakudaizu een vergroting; een detailbeeld. ¶ 彼は研究の対象を拡大した。 kare wa kenkyū no taishō wo kakudaishita。 Hij verbreedde zijn onderzoek [onderzoeksdoel]. (TTC) ¶ 当社の第一目標は南米市場を拡大することです。 honsha no daiichi mokuhyō wa nanbei shijō wo kakudaisuru koto desu. Ons primaire doel is het vergroten van de markt in Zuid-Amerika. (TTC) ¶ その都市は最近急速に拡大した。 Sono toshi wa saikin kyūsoku ni kakudaishita. De stad is recentelijk snel gegroeid [uitgebreid]. (TTC) ¶ 拡大コピーを撮ってくるよ。 Kakudai kopii wo totte kuru yo. Ik ga vergrootte kopieën maken hoor. (TTC) ¶ この顕微鏡は物を100倍に拡大する。 Kono kenbikyō wa mono wo haykubai ni kakudaisuru. Deze microscoop vergroot [dingen, objecten] honderd maal [keer]. (TTC)
sūnin数人
zn, no-adj. meerdere mensen; een aantal mensen. ¶ 部屋には数人の学生がいた。 Heya ni wa sūnin no gakusei ga ita. Er waren een aantal studenten in de kamer. (TTC) ¶ 彼らうち数人がその法案に反対である。 Karera no uchi sūnin ga sono hōan ni hantai de aru. Een aantal van hen was tegen het wetsvoorstel. (TTC) ¶ 数人の人たちが負傷して横たわっていた。 Sūnin no hitotachi ga fushōshite yokotawatte ita. Meerdere mensen lagen gewond neer. (TTC) ¶ 数人の若い技師が雇われ、彼ら新しいコンピューターの開発に専念した。 Sūnin no wakai gishi ga yatoware, karera wa atarashii konpyūtā no kaihatsu ni sennenshita. Er waren een aantal jonge ingenieurs te werk gesteld, en ze waren totaal toegewijd aan het ontwikkelen van een nieuwe computer. (TTC) ¶ この夏休みに数人の友達と、伊豆半島を歩いて一周するのを楽しみにしています。 Boku wa kono natsuyasumi ni sūnen no tomodatchi to, Izu hantō wo aruite isshūsuru no wo tanoshimi ni shite imasu. Ik kijk er naar uit om deze zomervakantie met een aantal vrienden te voet het schiereiland Izu te gaan verkennen. (TTC)
de wa nai kaではないか
(frase) In de spreektaal tevens ja nai ka じゃないか. Terwijl de wa nai / ja nai eenvoudigweg de voorafgaande stelling ontkent (kare wa nihonjin de wa nai 彼は日本人ではない ‘hij is geen Japanner’) is de wa nai ka / ja nai ka bevestigend op een suggestieve manier. ¶ 彼は日本人ではないかと思う。Kare wa nihonjin de wa nai ka to omou. ‘Ik denk dat hij een Japanner is’ ‘Is hij niet gewoon een Japanner? ’Letterlijker: ‘Ik vraag me af of hij niet een Japanner is.’ ¶ 彼は食べたのではないかと思う。 Kare wa tabeta no de wa nai ka to omou. ‘Ik denk dat hij het opgegeten heeft.’ ¶ 腱鞘炎ではないかと思うのです。 Kenshōen de wa nai ka to omou no desu. ‘Ik denk dat ik een peesontsteking heb.’ ‘Ik vraag me af of ik geen peesontsteking heb.’ ¶ 面倒が起こるのではないかと私は恐れている。 Mendō ga okoru no de wa nai ka to watashi wa osorete iru.Ik ben bang dat het leidt tot problemen.’ ¶ 女は彼が寂しく思い忘れられてしまうのではないかと思ったのです。 Kanojo wa kare ga sabishiku omoiwasurerarete shimau no de wa nai ka to omotta no desu. ‘Ze dacht dat hij zich misschien alleen en vergeten zou voelen.’
Net als in het Nederlands, kan zo’n vorm verrassing uitdrukken. ¶ これは、私の車じゃないか! Kore wa, watashi no kuruma ja nai ka! ‘Hee, is dit niet mijn auto!’ ¶ 田中さんじゃないか!久しぶり。 Tanaka-san ja nai ka! Hisashiburi. ‘Hee, Tanaka. Lang geleden dat ik je heb gezien!’ ‘Als dat Tanaka niet is! Lang geleden man!’
Het kan ook gebruikt worden voor een aansporing of uitnodiging, wat ook op die manier niet onbekend is in het Nederlands. ¶ 飲みに行こうじゃないか。 Nomi ni ikō ja nai ka. ‘Laten we iets gaan drinken.’ Letterlijker: ‘Zullen we niet iets gaan drinken?’ ¶ ゲームで遊ぼうじゃないか。 Geemu de asobō ja nai ka. ‘Laten we gaan gamen.’ (yamasv) (TTC)


RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <gaan>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
いらっしゃる irassharu (1) komen; (2) gaan; zich begeven; (3) zijn; zich bevinden
お邪魔する ojamasuru (1) storen; onderbreken; ophouden; op iemands tijd beslag leggen; (2) kort op bezoek komen; gaan; even binnenkomen; langsgaan; langskomen; een bezoekje; kort bezoek brengen; even binnenwippen; aanwippen
一本立ちになる ippondachininaru onafhankelijk worden; zelfstandig worden; verzelfstandigen; op eigen benen staan; z'n eigen weg inslaan; gaan
下る kudaru (1) afdalen; naar beneden gaan; afkomen; (2) vallen; neerkomen; neerdalen; (3) [川を〜] afvaren; afdrijven; stroomafwaarts varen; gaan; afgaan; (4) [都から地方へ〜] gaan; het land op gaan; naar het platteland gaan; (5) [命令が〜] afkomen; gegeven worden; afgekondigd worden; uitgevaardigd worden; (6) diarree hebben; buikloop hebben; (7) zich terugtrekken; ontslag nemen; (8) achterstaan bij …; minder zijn dan …; (9) zich overgeven; zich gewonnen geven; de strijd opgeven; (10) nederig zijn; deemoedig zijn; ootmoedig zijn; (11) achteruitgaan; vervallen; aftakelen
下船する gesensuru een schip verlaten; uit een schip gaan; debarkeren; van boord (van een schip) gaan; [Belg.N.] ontschepen
付く;附く tsuku (1) plakken; (eraan) (vast)zitten; (eraan) (vast)hangen; steken (op); kleven (aan); aansluiten op; zich vastzetten (in; aan); [湯垢が] aanslaan; blijven; [m.b.t. sporen;litteken] achterblijven; erbij inbegrepen zijn; uitgerust zijn met; (2) volgen; vergezellen; achterna zitten; gaan; aan zijn zijde staan hebben; escorteren; [i.h.b.] partij kiezen; trekken voor; aan de zijde gaan staan van; (3) [m.b.t. vermogen;gewoonte;naam;idee enz.] krijgen; [energie;kennis;ervaring enz.] opdoen; verwerven; eigen worden; te beurt vallen; [癖が] een gewoonte aannemen; aankweken; ontwikkelen; zich een gewoonte aanwennen; [喫煙の癖が] zich het roken aanwennen; (4) geluk hebben; fortuinlijk zijn; het treffen; [het iem.] meezitten; goed gaan; boffen; mazzelen; [inform.] zwijnen; [inform.] sloffen; (5) zijn beslag vinden; uitgemaakt raken; in orde raken; geregeld raken; [m.b.t. contact;connectie] tot stand komen; [m.b.t. wegen;infrastructuur] aangelegd worden; (6) [m.b.t. prijskaartje] hangen aan; [goedkoper;duurder enz.] uitvallen; neerkomen op [x euro enz.]
動く ugoku (1) bewegen; zich bewegen; in beweging zijn; (2) van plaats veranderen; van positie veranderen; zich verplaatsen; (3) schommelen; wiegen; heen en weer bewegen; schudden; (4) [m.b.t. machine;toestel] lopen; aan staan; werken; in werking zijn; aangeschakeld zijn; functioneren; gaan; (5) handelen; doen; actief zijn; werken; bezig zijn; onledig zijn; in de weer zijn; in het getouw zijn; (6) beïnvloed worden; een invloed ondergaan; beheerst worden; wankelen; fluctueren; schommelen; (7) ontroerd zijn; geroerd zijn; onder de indruk zijn; getroffen zijn; geraakt zijn; geëmotioneerd zijn; (8) veranderen; veranderd worden; zich wijzigen; een wijziging ondergaan; (9) overgeplaatst worden [naar een andere positie;werkplaats]; een andere standplaats krijgen
参る mairu (1) komen; gaan; (2) ter kerke gaan; naar [de tempel;het heiligdom;een graf] gaan; een eredienst bijwonen; (3) zich gewonnen geven; zich overgeven; het afleggen; zich verloren geven; kamp geven; zwichten; het opgeven; toegeven; [pregn.] inleveren; verslagen zijn; de handdoek in de ring gooien; de handdoek in de ring gooien; aan het kortste eind trekken; onder het juk door gaan; [Barg.] het laten afknappen; (4) [m.b.t. probleem] er niet met zijn pet bijkunnen; niet op kunnen tegen; er geen raad mee weten; niet de baas kunnen; niet opgewassen zijn tegen; ergens niet van terug hebben; ergens niet tegen kunnen; niet uit de voeten kunnen met; (5) weg zijn van; [uitdr.] plat gaan voor; smoor zijn op; gek zijn op; aan iemands voeten liggen; zich laten inpakken; weglopen met; vallen voor; verkikkerd raken op; verkocht zijn; (6) verzwakken; achteruitgaan; [i.h.b.] uitgeput zijn; uitgeteld zijn; afgemat zijn; het loodje leggen; in het voetzand geraken; de pijp aan Maarten geven; sterven; (7) [beleefdheidsvorm in het adres van een brief]; (8) gaan …; komen …
失礼します shitsureishimasu (1) neem(t) (u) me niet kwalijk; pardon; excuseer; sorry; vergeef mij; het spijt me; ik heb me te verontschuldigen (wegens ~); (2) mag; kan ik binnenkomen?; (3) ik moet er weer vandoor; ik moet (nu) gaan; vertrekken
御出でなさる oidenasaru (1) [honoratieve variant van iku] gaan; vertrekken; zich begeven; (2) [honoratieve variant van kuru] komen; arriveren; (3) [honoratieve variant van iru] zijn; zich bevinden; bestaan; blijven; (4) [honoratieve variant van …teiru]
御出でになる oideninaru (1) [尊敬語] gaan; vertrekken; zich begeven; heengaan; (2) [尊敬語] komen; aankomen; arriveren; (3) [尊敬語] zijn
歩む ayumu (1) gaan; wandelen; lopen; op stap gaan; stappen; (2) z'n gang gaan; z'n loop nemen; zich ontwikkelen
歩行する hokousuru lopen; gaan; wandelen; te voet gaan
気絶する kizetsusuru flauwvallen; in zwijm vallen; in onmacht vallen; bezwijmen; [inform.] van z'n stokje vallen; gaan; buiten bewustzijn; kennis; westen raken; wegraken; z'n bewustzijn verliezen
添う;副う sou (1) begeleiden; vergezellen; meegaan; [w.g.] accompagneren; (2) zich schikken naar; zich voegen naar; gehoorzamen; voldoen aan; gehoor geven aan; vervullen; bevredigen; beantwoorden aan; handelen overeenkomstig ~; tegemoet komen aan; waarmaken; tevredenstellen; (3) huwen; trouwen; in de echt treden; gaan; in het huwelijk treden; een echtpaar; koppel worden
物する monosuru (1) zijn; zich bevinden; (2) gaan; komen; (3) [euf.] het doen; seks hebben; (4) zeggen; (5) schrijven; (6) eten; (7) geven; (8) [傑作を] maken; [ー句;歌を] plegen; (9) verduisteren; stelen; achteroverdrukken
碇を下ろす ikariwoorosu (1) het anker werpen; uitwerpen; uitgooien; vieren; neerlaten; laten vallen; ankeren; voor anker komen; gaan; (2) [fig.] zich installeren; rustig plaatsnemen; gaan zitten
脱する dassuru (1) ontsnappen aan; ontkomen aan; wegkomen van; zich redden uit; raken; geraken uit; zich bevrijden uit; zich losmaken van; zich loswerken uit; zich vrijmaken van; te boven komen; gaan; erbovenuit komen; stijgen; schieten; (2) [m.b.t. hoofddeksel e.d.] afzetten; afnemen; afdoen; (3) [m.b.t. stop;kurk e.d.] uittrekken; uitdoen
行く;往く;逝く iku (1) gaan; lopen; wandelen; zich begeven naar; aangaan op; (2) naar wens lopen; lekker lopen; goed werken; succesvol zijn; (3) sterven; overlijden; heengaan; (4) klaarkomen; afgaan
行く;往く;逝く yuku (1) gaan; zich bewegen naar; zich begeven; stevenen; koersen; koers zetten; aangaan op; tijgen; varen; treden; trekken; [m.b.t. wegen] leiden; voeren; (2) komen; aankomen; arriveren; bereiken; bezoeken; aandoen; langskomen; (3) langsgaan; passeren; voorbijgaan; vlieden; vervlieden; verstrijken; verlopen; langskomen; langstrekken; voorbijlopen; wegstromen; vlieten; overwaaien; verdwijnen; (4) heengaan; sterven; verscheiden; verlaten; vertrekken; weggaan; afreizen; afvaren; (5) [als bruid;schoonzoon;adoptiekind enz.] toetreden tot haar; zijn nieuwe familie; (6) genoegen vinden; tevreden zijn; vergenoegd zijn; (7) vooruitgaan; vorderen; voortgaan; opschieten; gedaan worden; uitgevoerd worden; toegepast worden; vallen; uitvallen; uitpakken; aflopen; (8) ontstaan; opleveren; resulteren in; brengen; (9) komen; klaarkomen; [volkst.] aan zijn gerief komen; een orgasme krijgen; afgaan; [volkst.;m.b.t. mannen] schieten; (10) blijven ~ [drukt voortduring;voortgang van een handeling of toestand uit]
kou (1) het gaan; gang; tocht; reis; toer; (2) [Chin.gesch.] winkelwijk; handelswijk (in Suí; Táng-China); (3) [Chin.gesch.] ambachtsgilde; gilde; gild (in Táng-China); (4) [Chin.gesch.] xíng; ballade [= klassiek Chinees episch dichtstuk]; (a) gaan; (b) reis; toeren; (c) uitvoeren; daad; handeling; (d) winkel; handel; [i.h.b.] bank
通る;徹る;透る tooru (1) passeren; erdoorheen geraken; erdoor raken; erdoor(heen) komen; erdoor(heen) gaan; erdoor(heen) dringen; doorbreken; doordringen; doorgaan; doorkomen; doortrekken; doorsteken; doorlopen; lopen over; [lit.t.] doorvaren; penetreren; [m.b.t. stem] dragen; [m.b.t. schoorsteen] trekken; (2) passeren; gaan via; voorbijtrekken; langskomen; langsgaan; langslopen; langstrekken; voorbijgaan; voorbijkomen; voorbijlopen; voorbijstromen; circuleren; (3) doorgaan voor; passeren voor; gangbaar zijn; bekend staan (als; onder de naam van enz.); gelden als; (4) door de beugel kunnen; slagen; [m.b.t. wetsvoorstel] aangenomen worden; aanvaard worden; aanvaardbaar zijn; steek houden
進水する shinsuisuru (1) van stapel lopen; gaan; aflopen; in zee gaan; te water gaan; (2) te water laten; van stapel laten lopen; laten aflopen
運ぶ hakobu (1) vorderen; vooruitgaan; opschieten; (vlot) verlopen; vooruitkomen; (goed) gaan; (2) vervoeren; transporteren; overbrengen; aanvoeren; aanbrengen; brengen; voeren; (3) [zijn schreden enz.] wenden naar; [koers enz.] richten naar; [geen stap;voet enz.] verzetten; (4) voortgaan met; voortzetten; vervolgen; [de pen enz.] voeren
離散する risansuru uiteenvallen; uiteengaan; uit elkaar vallen; gaan; scheiden; verbrokkelen; desintegreren; zich verspreiden; zich verstrooien; verspreid raken; verstrooid raken
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.56 sec. jiten.nl: 95 treffers, warandict: 25 treffers (zoekopdracht: 'gaan'). 
2005-2026