
蘭
典
日蘭辭典+
zn. onmogelijkheid v; nutteloosheid v.; bn. vergeefsch; nutteloos; onbruikbaar; onmogelijk. ¶ 駄目にする bederven; onbruikbaar maken. ¶ 駄目になる mislukken; nutteloos zijn; vergeeefsch zijn. ¶ やって見ても駄目だ we behoeven het niet eens te probeeren. ¶ それは駄目だ dat lukt niet; dat zal niet gaan; dat kan niet; dat mag niet. ¶ 彼はもう駄目だ het loopt mis het hem; er is geen hoop meer voor hem. ¶ とても駄目だから諦めなさい daar er toch niets meer aan te doen is, moet er nu maar in berusten.
zn. achteruitgang m. ¶ 退步する achteruit gaan. ¶ 進步が止んだ時は退步の初めだ stilstand is achteruitgang.
zn. (1) [天空] lucht v.; hemel m. (2) [空虛] ledigheid v. (3) [眞空] vacuum o.; luchtledigheid o. (4) [幻想] ijdelheid v.; ijdele waan m. ¶ 空に上る in de lucht opstijgen; de lucht in gaan. ¶ 空な ledig; ijdel; zinnenloos; doelloos; zinledig. ¶ 空な話 zinledige geklets; ijdele woorden. ¶ 一切空 alles is ijdelheid. ¶ 空に te vergeefs; voor niets. ¶ 空の空 ijdelheid der ijdelheden.
i.w. (1) [おりる] afdalen; afstijgen; afstappen (下降); vallen; neerkomen. (2) [命令が] afkomen. (3) [劣る] achterstaan bij; minder zijn dan. (4) [下痢] diarrhee hebben; loslijvig zijn. (5) [降參] zich overgeven; toegeven. (6) [引退] zich terugtrekken; ontslag nemen. (7) [都から田舍に行く] naar buiten gaan; het land op gaan. ¶ 天より下る uit den hemel nederdalen. ¶ 馬背より下る van het paard stijgen. ¶ 命令が下つた het bevel is afgekomen.
zn. (1) [矛盾] tegenstrijdigheid v.; inconsequentie v. (2) [道の] wegkruising v. ¶ 喰違ふ in strijd zijn met; niet overeenkomen met; dwars gaan tegen; kruisen.
zn. opmarsch m.; vordering v.; vooruitgang m. ¶ 前進門 voorpost. ¶ 前進する vooruitkomen; voorwaarts gaan; vorderen; opmarcheeren.
zn. officieele waarschuwing v.; advies om ontslag te nemen; (俗) boterbriefje o. ¶ 諭旨退學される aanzegging krijgen om van school af te gaan.
zn. onvervaard optreden o. ¶ 勇往邁進する onvervaard voorwaarts gaan.
zn. impasse v.; onmogelijkheid om verder te gaan.
i.w. op weg gaan; reis aanvaarden.
zn. bruid v.; jonge vrouw v.; schoondochter (息子の妻) v. ¶ 嫁を取る gaan trouwen. ¶ 嫁にやる uithuwelijken; ten huwelijk geven.
zn. (1) [外國行] buitenlandsche reis v. (2) [店舖] buitenlandsche firma v. ¶ 洋行する naar het buitenland gaan; buitenlandsche reis maken.
bn. (1) [善良] goed. (2) [より良い] beter. (3) [美なる] mooi; fraai. (4) [好ましい] lief; aangenaam; prettig. (5) [十分] voldoende. (6) [正しい] juist; oprecht. (7) [許可] geoorloofd. i.w. (8) [構はぬ] komt er niet op aan; doet er niet toe; laat maar. ¶ 好い天氣 mooi weer. ¶ 胃によい goed voor de maag. ¶ しなくてもよい niet noodig om te doen; onnoodig. ¶ よい樣にする doen als men wil; eigen zin volgen. ¶ 外出してもよいか mag ik uitgaan? ¶ 今日來ればよいが ik hoop maar, dat hij vandaag komt. ¶ 君と一緒に行つてもよい ik heb er geen bezwaar tegen met je mee te gaan.
zn. (1) [胸] zijde van de borst. (2) [側] kant m. bw. (3) [他所] elders. ¶ 脇に行く op zijde gaan. ¶ 脇の zijdelingsch; ander; van ter zijde; van den anderen kant. ¶ 脇に(そばに) naast; ter zijde van; op zijde; (腋下に) onder den arm; in de zijde. ¶ 脇に寄る op zij gaan. ¶ 脇へ座る naast iemand gaan zitten. ¶ 脇に抱へる onder den arm dragen. ¶ 人を脇へ連れて行く iemand ter zijde nemen. ¶ 話を脇へそらす het gesprek op een ander onderwerp brengen. ¶ 流を脇へ向ける stroom afleiden. ¶ 脇の目で見る als omstander aanzien; van ter zijde zien.
zn. (1) [運轉] beweging v. (2) [身體の] lichaamsoefening v.; sport v. (3) [散步] wandeling v. ¶ 運動に出掛ける een beetje beweging gaan nemen; een eindje omstappen. ¶ 運動する in beweging zijn; beweging nemen; zich bewegen; bewegen; (奔走) zich moeite geven voor. ¶ 投票を得る爲區內を運動する een district bewerken om stemmen te krijgen. ¶ 運動服 sportcostuum; trui. ¶ 運動場 sportterrein. ¶ 運動家 athleet. ¶ 運動會 sportvereeniging (協會); gymnastiek-uitvoering (學校等の). ¶ 運動量 vaart; snelheid; beweegkracht. ¶ 運動性 bewegelijkheid. ¶ 運動者 agitator; verkiezingsagent (選擧の); propagandist. ¶ 運動神經 bewegingszenuw.
t.w. (1) [減少] verminderen; inkrimpen; beperken. (2) [簡約] in ’t kort samenvatten; resumeeren; beknopter mededeelen. ¶ 約めて言へば in ’t kort gezegd; om kort te gaan.
(伝はる) i.w. (1) [傳飛] uit overlevering bekend zijn. (2) [傳來] ingevoerd zijn. (3) [傳播] verspreid worden. ¶ 昔から傳はつた話 oude legende; overlevering. ¶ 音響の傳はる時間 tijd benoodigd voor de overbrenging van een geluid. ¶ 手から手へと傳はる van hand tot hand gaan. ¶ 後繼者に傳はる overgaan op de erfgenamen. ¶ 針金には電氣が傳はつてゐる er gaat stroom door de draden; de draden zijn electrisch geladen.
i.w. vergezeld zijn door; in gezelschap zijn van. t.w. medenemen; meebrengen. ¶ 連れて in gezelschap van; (比例) in verhouding tot; naar mate van; (伴奏) begeleid door; in samenspel met. ¶ 世に連れ met den geest des tijds. ¶ 犬を連れて散步する met zijn hond gaan wandelen. ¶ 三味に連れて踊る dansen op de muziek van de samisen. ¶ 人智の進步に連れて naar mate de algemeene ontwikkeling voortschrijdt.
t.w. (1) [閉塞する] versperren; afsluiten; blokkeeren. (2) [詰塞ぐ] opvullen; volstoppen; dichtstoppen. i.w. (3) [間を] opschikken; dichter opeen gaan zitten; (4) [押入る] dringen. t.w. (5) [短縮] inkrimpen; verkorten; verminderen. i.w. (6) [將棋] schaakmat zetten. ¶ 耳に綿を詰める watten in de ooren stoppen. ¶ 詰めて書く dicht op elkaar schrijven. ¶ 著物を詰める jas innemen. ¶ どうぞ今少しお詰め下さい wil u als het u belieft wat opschuiven; verzoeke wat op te schikken.
t.w. (1) [指で] knijpen; tusschen duim en vinger grijpen; oppikken. (2) [摘要] samenvatten; resumeeren; beknopt weergeven. (3) [ばかす] beheksen; betooveren. ¶ 摘んで言へば in ’t kort gezegd; om kort te gaan. ¶ 箸で撮む met de eetstokjes oppikken.
t.w. (1) [製作] maken; vervaardigen. (2) [構成] vormen. (3) [建設] bouwen. (4) [耕作] bebouwen; bewerken. (5) [培養] verbouwen; telen. ¶ 木で造る van hout maken. ¶ 酒を造る arak stoken; sake brouwen. ¶ 野菜を作る groenten kweeken. ¶ 財產を作る fortuin maken; rijk worden. ¶ 顏を作る toilet maken; zich werven en poeieren. ¶ 列を作る een rij vormen; in ’t gelid gaan staan. ¶ 家庭を作る huishouden opzetten. ¶ 罪を作る zonde begaan.
(通観) zn. blik m.; beschouwing o. ¶ 通觀する beschouwen; blik slaan; oog laten gaan over.
Net als in het Nederlands, kan zo’n vorm verrassing uitdrukken. ¶ これは、私の車じゃないか! Kore wa, watashi no kuruma ja nai ka! ‘Hee, is dit niet mijn auto!’ ¶ 田中さんじゃないか!久しぶり。 Tanaka-san ja nai ka! Hisashiburi. ‘Hee, Tanaka. Lang geleden dat ik je heb gezien!’ ‘Als dat Tanaka niet is! Lang geleden man!’
Het kan ook gebruikt worden voor een aansporing of uitnodiging, wat ook op die manier niet onbekend is in het Nederlands. ¶ 飲みに行こうじゃないか。 Nomi ni ikō ja nai ka. ‘Laten we iets gaan drinken.’ Letterlijker: ‘Zullen we niet iets gaan drinken?’ ¶ ゲームで遊ぼうじゃないか。 Geemu de asobō ja nai ka. ‘Laten we gaan gamen.’ (yamasv) (TTC)
Tijd: 1.56 sec. jiten.nl: 95 treffers, warandict: 25 treffers (zoekopdracht: 'gaan').
